ECLI:NL:TAHVD:2026:158 Hof van Discipline 's Gravenhage 250114D 250115D 250116D

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:158
Datum uitspraak: 18-05-2026
Datum publicatie: 20-05-2026
Zaaknummer(s):
  • 250114D
  • 250115D
  • 250116D
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Bezwaren van de deken
Beslissingen: Overige (tussen)beslissingen
Inhoudsindicatie: Dekenbezwaar. Verhouding tuchtrechter en bestuursrechter. De deken heeft tegen verweerder dekenbezwaren ingediend wegens het niet voldoen aan de uitvraag van de financiële kengetallen. Verweerders hebben gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen deze uitvraag en latere uitvragen en hebben geweigerd aan alle verzoeken te voldoen. Na de uitspraak van dit hof van 15 november 2021 (“de kengetallenzaak”) hebben verweerders een bestuursrechtelijke procedure gestart. Aanvankelijk is de tuchtrechtelijke procedure in afwachting daarvan aangehouden. In mei 2024 heeft de deken aan verweerders ook een last onder dwangsom opgelegd. De raad heeft op enig moment verdere aanhouding afgewezen. De raad heeft het dekenbezwaar gegrond verklaard maar geen maatregel opgelegd. Na de beslissing van de raad heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 mei 2024 bevestigd. In die uitspraak was geoordeeld dat de uitvraag een feitelijke handeling is, waartegen bestuursrechtelijk geen bezwaar en beroep openstaat. Inmiddels loopt er bij de Afdeling een hoger beroepszaak over de rechtmatigheid van de uitvraag naar aanleiding van een door de deken Gelderland opgelegde last onder dwangsom wegens het niet voldoen aan een uitvraag. Het hof acht het opportuun om de uitkomst van thans lopende procedure over de rechtmatigheid van de uitvraag bij Afdeling af te wachten. Het hof houdt de behandeling van de wederzijdse beroepen aan. 


Beslissing van 18 mei 2026
in de zaken 250114D, 250115D en 250116D

naar aanleiding van het wederzijds hoger beroep van:


Deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Den Haag

de deken

tegen:


1.    verweerster

2.    verweerder 1

3.    verweerder 2


tezamen aangeduid als: verweerders

gemachtigde verweerders: mr. R.W. Lagerwaard, advocaat te Hilversum

1    INLEIDING

1.1    Over verweerster en verweerder 1 heeft de deken in 2022 en over verweerder 2 in 2024 een dekenbezwaar ingediend wegens het niet voldoen aan de uitvraag van de financiële kengetallen. Verweerders hebben gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen deze uitvraag en latere uitvragen en hebben geweigerd aan alle verzoeken te voldoen. Na de uitspraak van dit hof van 15 november 2021 (“de kengetallenzaak”) hebben verweerders een bestuursrechtelijke procedure gestart. Aanvankelijk is de tuchtrechtelijke procedure in afwachting daarvan aangehouden. In mei 2024 heeft de deken aan verweerders ook een last onder dwangsom opgelegd. De raad heeft op enig moment verdere aanhouding afgewezen. De raad heeft het dekenbezwaar gegrond verklaard maar geen maatregel opgelegd. Na de beslissing van de raad heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 mei 2024 bevestigd. In die uitspraak was geoordeeld dat de uitvraag een feitelijke handeling is, waartegen bestuursrechtelijk geen bezwaar en beroep openstaat. Inmiddels loopt er bij de Afdeling een hoger beroepszaak over de rechtmatigheid van de uitvraag naar aanleiding van een door de deken Gelderland opgelegde last onder dwangsom wegens het niet voldoen aan een uitvraag. Het hof acht het opportuun om de uitkomst van thans lopende procedure over de rechtmatigheid van de uitvraag bij Afdeling af te wachten. Het hof houdt de behandeling van de wederzijdse beroepen aan. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom de deken en verweerders in beroep zijn gekomen en hoe het hof daarover oordeelt. 


2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen de deken en verweerders (zaaknummers: 22-373/DH/DH/D, 22-375/DH/DH/D en 24-789/DH/DH/D) een beslissing gewezen op 3 maart 2025. In deze beslissing zijn de dekenbezwaren tegen verweerders gegrond verklaard. Bepaald is dat aan verweerders geen maatregel wordt opgelegd. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:38 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van de deken tegen de beslissing is op 1 april 2025 ontvangen door de griffie van het hof. Het beroepschrift van verweerders tegen de beslissing is op 2 april 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof in alle drie zaken:
-     de stukken van de raad; 
-    het verweerschrift van de deken,
-    het verweerschrift van verweerders,
-    de brief van verweerders van 5 maart 2026 met bijlagen, met een verzoek tot aanhouding van de zitting,
-    de brief van de deken van 10 maart 2026 met bijlagen, met een bezwaar tegen het verzoek tot aanhouding,
-    de brief van verweerders van 11 maart 2026, met een reactie op het bezwaar van de deken,
-    de brief van de griffie van het hof van 16 maart 2026, met de mededeling dat het verzoek om aanhouding op de zitting van het hof zal worden behandeld,
-    de brief van verweerders van 13 maart 2026, met een reactie op de brief van het hof,
-    de brief van verweerders van 16 maart 2026. 
-    de brief van verweerders van 18 maart 2026 met daarbij een aangepast, ingekort verweerschrift ter vervanging van het eerder ingediende stuk
-    de brief van verweerders van 18 maart 2026 met twee nagekomen stukken.
 
2.5    Het hof heeft de zaken mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 23 maart 2026. Daar zijn verschenen verweerster en verweerder 2 met hun gemachtigde, en de deken, vergezeld van mr. G en mr. B. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 


3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2     In het kader van (proactief, structureel, risicogestuurd en uniform) financieel toezicht heeft het dekenberaad op aandringen van het College van Toezicht in 2016 besloten dat een lokale deken bij wijze van pilot start met het opvragen van financiële gegevens bij alle kantoren in één arrondissement (hierna: ook de Uitvraag). Het gaat om gegevens over de (vlottende) activa en (vlottende) passiva uit de balans en om gegevens uit de staat van baten en lasten (hierna: de (financiële) kengetallen). Op grond van de opgedane ervaring in 2016 is de pilot in 2017 uitgebreid naar drie arrondissementen en in 2019 naar zeven arrondissementen. Vervolgens heeft het dekenberaad besloten met ingang van 2020 jaarlijks bij advocatenkantoren in alle arrondissementen de kengetallen door de lokale dekens op te laten vragen.

3.3     De ingezonden gegevens worden geautomatiseerd geanalyseerd en zijn daarna uitsluitend toegankelijk voor de lokale deken en de Unit Financieel Toezicht Advocatuur (hierna: Unit FTA), die waar nodig een analyse uitvoert. Uit de analyse van de Kengetallen door de Unit FTA volgen zogenaamde rode, oranje en groene vlaggen, die met de dekens worden gedeeld. Op basis van deze indicaties wordt door de lokale dekens gericht toezicht bij individuele advocatenkantoren uitgeoefend. De opgevraagde financiële gegevens worden drie jaar bewaard.

3.4    Op 13 juli 2021 heeft de deken naar de kantoren van verweerders per e-mail een brief gestuurd, waarin verzocht wordt de financiële kengetallen 2019/2020 uiterlijk 31 augustus 2021 aan te leveren. In deze brief verwijst de deken naar het bij de brief gevoegde document “veel gestelde vragen kengetallen”. In dit document wordt onder meer antwoord gegeven op vragen waarom de kengetallen worden uitgevraagd, of een advocaat verplicht is om over de financiële gegevens te beschikken, wat de (juridische) onderbouwing van de Uitvraag is en of de Uitvraag proportioneel en redelijk is.

3.5    Bij brieven van respectievelijk 22 en 25 augustus 2021 hebben verweerders gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen de Uitvraag en geweigerd te voldoen aan het verzoek van de deken. 

3.6    Bij e-mail van 30 september 2021 heeft de deken aan verweerders bericht dat de (proef)procedure, die door de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam bij de raad van discipline van Amsterdam aanhangig was gemaakt over de Uitvraag, zou worden afgewacht.

3.7    Het hof heeft in deze (proef)procedure op 15 november 2021 uitspraak gedaan (ECLI:NL:TAHVD:2021:214) en - zakelijk weergegeven - geoordeeld dat de deken bevoegd is om financiële kengetallen van advocatenkantoren op te vragen. De Uitvraag is volgens het hof  een vorm van preventief toezicht waardoor op een objectieve en uniforme wijze inzicht wordt verkregen in de financiële positie en daaraan verbonden (potentiële) risico’s voor advocaten en hun cliënten. De Uitvraag is niet onredelijk en voldoet aan de eisen van artikel 5:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Advocaten zijn verplicht daaraan mee te werken. 

3.8    De uitspraak van het hof is opgenomen in de maandelijkse dekennieuwsbrief Aan de Orde van december 2021, waarin advocaten werden opgeroepen alsnog aan de Uitvraag te voldoen.

3.9     Bij brief van 4 februari 2022 heeft de deken de uitspraak van het hof onder de aandacht van verweerders gebracht en hun bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. De deken heeft die beslissing als volgt gemotiveerd: 

“Artikel 1:3 Awb bepaalt dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dat betekent dat er slechts sprake is van een besluit als een mededeling rechtsgevolg heeft. De uitvraag kengetallen behelst alleen een verzoek om informatie en kan dan ook niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb.”

De deken heeft aan verweerders nog een laatste termijn van twee weken gegeven om alsnog te voldoen aan de Uitvraag en er daarbij op gewezen dat zij bij gebreke hiervan rekening moet houden met een dekenbezwaar.

3.10     Verweerders hebben niet voldaan aan het verzoek van de deken. Verweerders, althans een aantal daarvan, hebben tegen de beslissing op bezwaar (samen met een aantal andere advocaten) beroep op nader aan te voeren gronden ingediend bij de rechtbank Den Haag. 

3.11     Op 14 juni 2022 heeft verweerster de raad verzocht de behandeling van het dekenbezwaar aan te houden totdat zal zijn beslist in deze bestuursrechtelijke beroepsprocedure. De deken heeft op 23 juni 2022 bezwaar gemaakt tegen aanhouding. De voorzitter van de raad heeft geoordeeld dat de uitkomst van de bestuursrechtelijke zaak van belang kan zijn voor de vraag waar de tuchtrechter van uit moet gaan en het aanhoudingsverzoek ingewilligd. Dat is ook gebeurd bij de behandeling van de dekenbezwaren tegen verweerders 1 en 2.

3.12     Ook tegen de verzoeken van de deken om de financiële gegevens over de boekjaren 2021 en 2022 en de vergelijkende cijfers over de boekjaren 2020 en 2021 in te dienen, hebben verweerders bezwaar gemaakt. Deze bezwaren zijn door de deken bij brieven van 4 en 19 oktober 2023 niet-ontvankelijk verklaard. Verweerders hebben tegen deze beslissingen op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. 

3.13     De rechtbank Den Haag, afdeling bestuursrecht, heeft op 1 mei 2024 in de beroepszaken tegen de beslissingen op bezwaar uitspraak gedaan. Daarin is - voor zover van belang - geoordeeld dat het verzoek om financiële kengetallen niet is aan te merken als een beslissing waaraan enig (publiekrechtelijk) rechtsgevolg is verbonden, maar als een vraag in het kader van de toezichthoudende taak van de deken. Een dergelijke vordering is volgens de rechtbank geen besluit, maar een feitelijke handeling die geen rechtsgevolg heeft. Voor zover een dergelijke feitelijke handeling (mede) leidt tot de vaststelling van een bestuursrechtelijk handhavingsbesluit (last onder bestuursdwang, last onder dwangsom of een boete) kan deze handeling in de procedure over dat handhavingsbesluit worden getoetst op rechtmatigheid. Datzelfde geldt voor de uitvraag CCV. Voorts overweegt de rechtbank dat als verweerders vinden dat het verzoek om financiële kengetallen op zichzelf al zo verstrekkend is dat het als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd, dit aan de civiele rechter kan worden voorgelegd.

3.14     Op 24 mei 2024 heeft de deken aan verweerders een vooraankondiging last onder dwangsom gezonden en hen in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen. Verweerders hebben dat op 7 juni 2024 gedaan.

3.15     Verweerster heeft de raad op 11 juni 2024 verzocht om de inhoudelijke behandeling van het dekenbezwaar uit te stellen in verband met het door haar in te stellen hoger beroep tegen de uitspraak van 1 mei 2024 van de rechtbank. 

3.16     Op 17 juni 2024 hebben verweerders bij de Afdeling een beroepschrift op nader aan te voeren gronden ingediend tegen de uitspraak van 1 mei 2024.

3.17     Tegen het aanhoudingsverzoek d.d. 11 juni 2024 heeft de deken op 19 juni 2024 gemotiveerd bezwaar gemaakt.

3.18     Per e-mail van 20 juni 2024 heeft de griffier van de raad aan partijen laten weten dat het verzoek om (verder) uitstel wordt afgewezen.

3.19     Per brief en e-mail van 27 juni 2024 heeft de deken aan (de kantoren van) verweerders een last onder dwangsom opgelegd.

3.20     Ook tegen de Uitvraag 2024 hebben verweerders bezwaar gemaakt. De deken heeft bij brief van 26 september 2024 ook deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

3.21     Verweerster heeft de raad op 3 juli 2024 wederom gemotiveerd verzocht om de inhoudelijke behandeling van het dekenbezwaar aan te houden. De deken heeft daartegen op 5 juli 2024 bezwaar gemaakt. Per e-mail van diezelfde datum heeft de griffier van de raad aan partijen laten weten dat het aanhoudingsverzoek (nogmaals) wordt afgewezen. 

3.22     Op 16 juli 2024 hebben verweerders bij de deken bezwaar op nader aan te voeren gronden gemaakt tegen het besluit van 27 juni 2024. 

3.23     Eveneens op 16 juli 2024 hebben verweerders een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, afdeling bestuursrecht, en daarbij verzocht om het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom te schorsen of om zodanige voorlopige voorzieningen te treffen dat zij hun bezwaren in de bodemprocedure tegen de last onder dwangsom aan de orde kunnen stellen zonder gehouden te zijn dwangsommen te betalen.

3.24     Op 28 augustus 2024 hebben verweerders de gronden voor het bezwaar tegen de last onder dwangsom d.d. 27 juni 2024 aan de deken gezonden. 

3.25     Per brief van 3 september 2024 heeft de deken aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, afdeling bestuursrecht, laten weten de werking van het dwangsombesluit op te schorten tot twee weken nadat is beslist op het bezwaar van verweerster tegen de last onder dwangsom d.d. 27 juni 2024. Naar aanleiding daarvan hebben verweerders hun verzoek om een voorlopige voorziening d.d. 16 juli 2024 ingetrokken. Bij beslissing van 30 september 2024 van de voorzieningenrechter is de deken in de proceskosten veroordeeld.

3.26     Op 7 oktober 2024 heeft de deken schriftelijk gereageerd op het bezwaar van verweerders tegen het dwangsombesluit d.d. 27 juni 2024.

3.27     Op 21 oktober 2024 heeft de hoorzitting ten overstaan van de Commissie bezwaarschriften deken Den Haag plaatsgevonden. 

3.28     Op 5 november 2024 heeft de Commissie bezwaarschriften geadviseerd om het bestreden besluit van 27 juni 2024 in stand te laten. Volgens de Commissie bezwaarschriften is de deken bevoegd de kengetallen bij advocaten(-kantoren) uit te vragen en houdt het niet tijdig voldoen aan deze vordering een overtreding van de medewerkingsplicht van artikel 5:20 lid 1 Awb in, waartegen de deken op grond van lid 3 handhavend mag optreden.

3.29     Per brief en e-mail van 19 november 2024 heeft de deken aan verweerders bericht het advies van de Commissie bezwaarschriften te volgen en hun bezwaar ongegrond te verklaren.

3.30     Verweerders hebben op 25 november 2024 de gronden voor het beroep tegen het besluit van 27 juni 2024 aan de Afdeling toegezonden.

3.31     Op 2 december 2024 hebben verweerders tegen de beslissing op bezwaar van 19 november 2024 een beroepschrift op nader aan te voeren gronden ingediend bij de rechtbank.

3.32     Eveneens op 2 december 2024 hebben verweerders een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen ingediend bij de voorzieningenrechter van de sector bestuursrecht van de rechtbank Den Haag en daarbij verzocht om het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom te schorsen of om zodanige voorlopige voorzieningen te treffen dat zij hun beroep in de bodemprocedure tegen de last onder dwangsom aan de orde kunnen stellen zonder gehouden zijn dwangsommen te betalen.

3.33     Op 10 december 2024 heeft de deken een verweerschrift tegen de verzochte voorlopige voorzieningen ingediend bij de rechtbank Den Haag, afdeling bestuursrecht.

3.34     Bij brieven van 12 maart 2025 heeft de deken aan verweerders gevraagd of zij naar aanleiding van de beslissing van de raad van 3 maart 2025 thans bereid zijn te voldoen aan de Uitvraag 2025 met betrekking tot de jaren 2024-2023.

3.35     De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag heeft in een uitspraak van 2 april 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:7904) beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening van de maatschap van verweerders 1 en 2 tegen de last onder dwangsom die de deken de maatschap heeft opgelegd wegens het niet tijdig indienen van de financiële kengetallen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, kort gezegd, omdat een spoedeisend belang ontbreekt en geen sprake is van een evident onrechtmatig bestreden besluit. 

3.36     De rechtbank Gelderland heeft in een uitspraak van 27 mei 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:4043)  de beroepen van twee advocaten ongegrond verklaard. De beroepen richtten zich tegen besluiten waarbij aan hen werd gelast te voldoen aan de op hen rustende medewerkingsverplichting om de financiële kengetallen over het jaar 2021 in te dienen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de deken bevoegd is tot uitvraag van de financiële kengetallen en dat deze niet in strijd is met artikel 5:13 Awb. Bij besluiten van 10 oktober 2025 heeft de deken Gelderland vervolgens besloten om over te gaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen. 

3.37     Verweerders hebben op 23 juli 2025 een verzoek bij de deken ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo). De verzoeken waren gericht op alle beleidsdocumenten, correspondentie en interne nota’s die ten grondslag liggen aan de invoering van de Uitvraag Financiële Kengetallen. De deken heeft het Woo-verzoek bij besluit van 2 september 2025 afgewezen. Daartegen hebben verweerders op 14 oktober 2025 bezwaar ingediend, aangevuld op 17 november 2025. De hoorzitting bij de interne hoorcommissie van de Orde heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026.

3.38     De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft op 13 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5590) bij wijze van voorlopige voorziening de invorderingsbesluiten van de deken van de Orde van Advocaten Gelderland van 10 oktober 2025 geschorst. 

3.39     De Afdeling heeft in een uitspraak van 28 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:460) beslist op het hoger beroep van verweerders tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, afdeling bestuursrecht van 1 mei 2024. De  Afdeling heeft - voor zover van belang - geoordeeld dat het verzoek om het aanleveren van financiële kengetallen geen besluit is. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat verweerders in de procedure over de last onder dwangsom de rechtmatigheid van het verzoek om het aanleveren van de financiële kengetallen kunnen laten toetsen.


4    DEKENBEZWAAR

4.1    Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door in strijd met gedragsregel 29 en artikelen 5.16 en 5.20 geen gehoor te geven aan de Uitvraag van de deken. 

4.2    De deken wijst ter onderbouwing van het bezwaar naar de overwegingen en beoordeling van het hof in de uitspraak van 15 november 2021 en doet een beroep op dezelfde argumenten. 


5    BEOORDELING RAAD

Ontvankelijkheid

5.1    Voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling is de raad ingegaan op de vraag of de deken ontvankelijk is in het dekenbezwaar. 

5.2    De raad heeft overwogen dat de deken gebruik heeft gemaakt van haar in de Advocatenwet neergelegde bevoegdheid om een dekenbezwaar in te dienen. Ten tijde van de indiening van het dekenbezwaar had de deken nog niet de ‘bestuursrechtelijke weg’ bewandeld. Bovendien staat het de deken vrij om te kiezen voor de tuchtrechtelijke, naast de bestuursrechtelijke; het een sluit het ander niet uit (vgl. ECLI:NL:TAHVD:2021:214, rov. 5.39 en 5.45, met verwijzing naar de toelichting op de Wpta over de scheiding van het tuchtrecht en toezicht). 

5.3    De raad heeft de deken dan ook ontvankelijk verklaard in het dekenbezwaar. 

Geen nader uitstel 

5.4    De raad heeft vervolgens het verzoek van verweerders tot uitstel/aanhouding afgewezen. Nadat de (voorzitter van de) raad had besloten dat met de behandeling van het dekenbezwaar zou worden gewacht tot de uitspraak in de bestuursrechtelijke zaak, hebben verweerders verzocht over te gaan tot een nieuw uitstel. Verweerders wilden rechterlijke uitspraken afwachten, bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling na het hoger beroep tegen de uitspraak van 1 mei 2024 van de rechtbank, maar ook uitspraken van de rechtbank (en daarna de Afdeling)  over de lasten tot dwangsommen, de nieuwe Uitvragen en eventuele civielrechtelijke procedures. 

5.5    De raad heeft overwogen dat, hoewel een inhoudelijk, rechterlijk oordeel toegevoegde waarde kan hebben, de raad ook rekening heeft te houden met de voortgang in de tuchtzaak. De Uitvraag die hier aan de orde is, is van 13 juli 2021 en het eerste dekenbezwaar dateert van 21 april 2022. Daarover moet binnen een redelijke termijn worden beslist, terwijl het nog jaren zal duren voordat alle uitspraken in de door verweerders genoemde procedures zullen zijn gewezen. Verder heeft de raad in aanmerking genomen dat ook bij andere dekenbezwaren over kengetallen niet de rechterlijke uitspraken zijn afgewacht. De raad heeft dan ook geen aanleiding gezien andere procedures af te wachten en heeft het verzoek tot uitstel dan wel aanhouding afgewezen. 

Toetsingskader

5.6    De raad heeft vastgesteld dat de vraag die in de onderhavige zaken centraal wordt gesteld is of de deken bevoegd is om de Uitvraag te doen en of verweerders gehouden zijn aan deze Uitvraag te voldoen. De raad heeft deze vragen beantwoord in de stand van de (tuchtrecht)jurisprudentie zoals die ten tijde van de behandeling door de raad voorhanden lag. De raad heeft daarbij verwezen naar de proefprocedure waarin dezelfde vragen centraal stonden (ECLI:NL:TAHVD:2021:214). 

5.7    Het hof heeft in deze proefprocedure, kort gezegd, overwogen dat 1) de deken bevoegd is om de Uitvraag te doen en 2) verweerders gehouden zijn aan deze Uitvraag te voldoen. De raad heeft geconstateerd dat dit daarna, in ieder geval vooralsnog, vaste (tuchtrecht)jurisprudentie is geworden. De raad heeft geen aanleiding gezien hiervan af te wijken, ook niet door de argumenten die verweerders naar voren hebben gebracht. Deze argumenten zagen overigens alleen op de vraag of de deken bevoegd is de Uitvraag te doen. De raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat in het tuchtrecht het handelen of nalaten van advocaten centraal staat. De raad heeft geen aanleiding gezien voor een verdergaande toetsing van de bevoegdheid van de deken om de Uitvraag te doen dan het hof heeft gedaan, waarbij wel heeft te gelden dat de tuchtrechtelijke handhaving als gevolg van uitspraken van de raad het publiekrecht niet op onaanvaardbare wijze mag doorkruisen. 

De beoordeling van het dekenbezwaar

5.8    De raad heeft vervolgens overwogen dat gedragsregel 29 ziet op de algemene medewerkingsplicht van de advocaat aan verzoeken van de deken. De vraag is of, indien een advocaat het niet eens is met het verzoek van de deken, het tuchtrechtelijk geoorloofd is de medewerking te weigeren, zo lang niet in rechte vaststaat dat de deken daartoe bevoegd is. Naar het oordeel van de raad staat dat de advocaat, vanuit het tuchtrecht beschouwd, niet vrij. Buiten kijf staat dat de advocaat het met de deken oneens mag zijn en daarover ook de rechter mag aanzoeken. Zolang de advocaat het gelijk van de rechter echter nog niet heeft gekregen, betaamt het de advocaat om medewerking te verlenen. Dit kan anders zijn indien het verzoek van de deken evident onrechtmatig of onredelijk is, maar dat is hier, gelet op de huidige stand van de (tuchtrecht) jurisprudentie, naar het oordeel van de raad niet aan de orde.

5.9    De raad heeft geconstateerd dat verweerders ondanks daartoe strekkende verzoeken hun financiële kengetallen niet hebben aangeleverd. Daarmee hebben zij geen gehoor gegeven aan verzoeken van de deken, hetgeen zij op grond van artikel 46 Advocatenwet en gedragsregel 29 hadden moeten doen. Door dat na te laten, hebben zij het toezicht van de deken belemmerd. 

5.10     De raad heeft de bezwaren van de deken dan ook gegrond verklaard. 


De maatregel

5.11     Met betrekking tot de op te leggen maatregel heeft de raad overwogen dat verweerders het toezicht van de deken belemmerd hebben door ondanks verzoeken daartoe geen kengetallen aan te leveren. Hoewel dit handelen van verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar is, heeft de raad vastgesteld dat verweerders aan hun weigering diverse principiële bezwaren ten grondslag hebben gelegd waarvan niet op voorhand kan worden gezegd dat die onpleitbaar zijn. Verder heeft de raad in aanmerking genomen dat een maatregel niet het bestuursrechtelijke traject mag doorkruisen. Een schorsing onder voorwaarde van medewerking is bijvoorbeeld niet geoorloofd, omdat dat zou vooruitlopen op hetgeen de bestuursrechter nog moet vaststellen.

5.12     Gelet op alle feiten en omstandigheden heeft de raad aanleiding gezien om te volstaan met een gegrondverklaring zonder oplegging van een maatregel. 


6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden deken

6.1    De deken heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad. Het beroep ziet op de beslissing van de raad geen maatregel op te leggen na de gegrondverklaring van de klachten (artikel 48 lid 3 Advocatenwet. De deken is van mening dat het onttrekken aan het toezicht niet zonder maatregel moet blijven en heeft in dat kader de volgende gronden aangevoerd:

- Dat verweerders principiële bezwaren (zeggen te) hebben, kan naar de mening van de deken niet betekenen dat de tuchtrechter bij tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen maatregelen kan opleggen. Door te beslissen geen maatregel op te leggen, heeft de raad haar eigen beslissing krachteloos gemaakt en lijkt de gang naar de tuchtrechter zinloos;

- De bestuursrechtelijke afwikkeling en de tuchtrechtelijke afwikkeling zien op verschillende normen. De bestuurlijke handhaving ziet op een herstelsanctie (overtredingen wegnemen), terwijl de dekenklachten tot doel hebben de overtreders een maatregel op te leggen voor het onttrekken aan toezicht. De klachtzaak kan dus autonoom en separaat aan de beroepszaak tegen de beslissing op bezwaar (dwangsombesluit) worden beoordeeld. Een maatregel in het tuchtrecht doorkruist de boordeling van het bestuursrechtelijk herstel niet;

- Het niet voldoen aan een verzoek om inlichtingen is tuchtrechtelijk verwijtbaar. De deken heeft de mogelijkheid langs tuchtrechtelijke weg het onttrekken aan het toezicht te laten beoordelen. Dat staat los van de twee bestuursrechtelijke procedures over het besluitkarakter van het verzoek en over de last onder dwangsom als herstelsanctie. 

- Het oordeel van de raad heeft mogelijk precedentwerking. Ook in andere situaties kunnen advocaten principiële bezwaren uiten tegen verzoeken van de deken om informatie en dit verzoek via de bestuursrechter/civiele rechter aanvechten. Wanneer de deken dan niet separaat tuchtrechtelijk tegen de advocaat kan optreden, is het niet mogelijk om op een snelle en adequate manier het onttrekken aan toezicht als overschreden norm te laten toetsen. 

- Het niet voldoen aan het verzoek om de financiële kengetalen in te dienen, is ontoelaatbaar. Het onttrekken aan toezicht op integriteit raakt diezelfde kernwaarde integriteit. Het is daarbij niet passend dat geen maatregel wordt opgelegd. 

- Met het tuchtrecht wordt beoogd de kwaliteit van de beroepsuitoefening door advocaten te bewaken en te bevorderen. Het doel van de tuchtprocedure en de te toetsen norm in de tuchtprocedure is anders dan in de bestuursrechtelijke handhavingsprocedure. Het indienen van een tuchtklacht is gelet daarop niet alleen opportuun maar moet ook tot een relevante maatregel leiden. 

- Bijna alle door de deken aangeschreven kantoren in het arrondissement Den Haag hebben hun financiële kengetallen over 2022-2021 ingediend. Verweerders hebben volgens de deken niet duidelijk gemaakt wat hun bezwaren zijn tegen het voorlopig, onder protest, voldoen aan de Uitvraag tot een bestuursrechtelijke/civiele rechter misschien oordeelt dat de Uitvragen onrechtmatig zijn. 

- De Uitvragen hebben geen verstrekkende gevolgen. De doelstelling ervan is het financieel toezicht op een objectieve en doelmatige wijze te incorporeren in het door de deken uitgeoefende toezicht. Bij de opgave wordt gebruik gemaakt van een beveiligde website, gegevens worden versleuteld en op de website blijven geen gegevens achter. De gegevens in de database zijn uitsluitend te benaderen door de unit FTA. Inzage door onbevoegden is afgeschermd. Verweerders kunnen er daarom naar de mening van de deken geen gegronde bezwaren tegen hebben de financiële kengetallen, hangende de door hen geëntameerde procedures, onder protest in te dienen. 

- De deken verzoekt alsnog een passende, eventueel voorwaardelijke, maatregel op te leggen. 

Beroepsgronden verweerders

6.2    Verweerders hebben ook hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad. Zij hebben de volgende beroepsgronden aangevoerd: 

Ten aanzien van de ontvankelijkheid (I):

- De deken is ten onrechte ontvankelijk geacht in haar bezwaar. Het geschil tussen verweerders en de deken betreft een zuiver bestuursrechtelijke kwestie die niet door een tuchtcollege dient te worden beslist. Met de handelwijze van de deken (een klacht voorkomen door alsnog te voldoen aan de uitvraag) zijn verweerders beroofd van de mogelijkheid van een onafhankelijk rechterlijk oordeel. Dat komt in strijd met de artikelen 6 en 13 EVRM. De deken had alleen mogen klagen als in rechte door de onpartijdige en onafhankelijke (overheids)rechter is uitgemaakt dat de Uitvraag in de door haar voorgeschreven vorm en met de gegevens als gevraagd toelaatbaar is. 

Ten aanzien van het uitstel (II): 

- Ten onrechte heeft de raad het verzoek om uitstel van behandeling van het dekenbezwaar tot de rechter in beroep op de opgelegde last onder dwangsom heeft beslist niet gehonoreerd. Er is geen belang bij een snelle uitspraak in de tuchtzaak. De deken kan via de gebruikelijke weg bij verweerders inzage krijgen in de financiële handel en wandel van verweerders. De uitspraak van de raad komt er op neer dat nu geen maatregel wordt opgelegd de status quo, afwachten tot de uitspraken van de bestuursrechter er zijn, gehandhaafd blijft. Het verlangde uitstel had dus zonder meer kunnen worden verleend en was in feite alleen maar praktisch. Verweerders handhaven in hoger beroep hun verzoek om uitstel. Door (als raad) geen uitstel te verlenen, is en wordt de weg naar de bestuursrechter daarmee ten onrechte afgesneden. 

Ten aanzien van het door de raad gehanteerde toetsingskader (III): 

- De raad heeft voor de beantwoording van de vraag of de deken bevoegd is de Uitvraag te doen ten onrechte verwezen naar de uitspraak van dit hof uit 2021. De raad had volgens verweerders zelfstandig moeten nagaan of de door de deken verlangde Uitvraag in de door haar gestelde vorm berust op enig wettelijk voorschrift, welk voorschrift de omvang van het door de deken te houden toezicht op financieel gebied bepaalt. Door de beslissing van dit hof uit 2021 aan zijn beslissing ten grondslag te leggen, heeft de raad niet in de gaten gehad dat op bepaalde punten die beslissing het door verweerders gevoerde verweer niet weerlegde. Zo wijzen verweerders op de weren waarop niet is gereageerd: de noodzaak voor de Uitvraag had vertaald moeten worden in een rechtsgeldige verordening, de Uitvraag geldt niet voor alle advocaten, niet is onderkend het verschil tussen het inzagerecht (ex 5:17 Awb) en de inlichtingenbevoegdheid (5:16 Awb), voor dat laatste is een specifiek wettelijk voorschrift nodig, nagelaten is aan te geven waarom alle elementen waaruit de Uitvraag is opgebouwd noodzakelijk zijn en waarom niet met minder kan volstaan, er is sprake van een verboden ‘fishing expedition’ en, tot slot, de Uitvraag kan slechts worden gehandhaafd langs de bestuursrechtelijke weg. Kortom, volgens verweerders is de beslissing van de raad ondeugdelijk gemotiveerd door niet op voormelde weren in te gaan.

Ten aanzien van gedragsregel 29 (IV):

- Ten onrechte heeft de raad geoordeeld dat verweerders deze gedragsregel hebben geschonden. Er is sprake van een verschil van mening met de deken; verweerders zijn het niet eens met het systeem van de uitvraag maar onttrekken zich niet aan het toezicht. Verder had de raad moeten onderkennen dat deze kwestie een bijzonder geval is waarin de gedragsregel toepassing mist. 

Ten aanzien van de positie van verweerder 1 (V):

- Verweerder 1 heeft ten opzichte van de andere verweerders een afwijkende positie. De Uitvraag richt zich tot de kantoorverantwoordelijke en dat is verweerder 1 niet. Het tegen hem geformuleerde dekenbezwaar is dan ook niet terecht. 

Verweer deken en verweerders

6.3    De deken en verweerders hebben gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.


7    BEOORDELING HOF

Ontvankelijkheid dekenbezwaar

7.1    Verweerders hebben in hoger beroep herhaald dat de deken niet kan worden ontvangen in haar bezwaren omdat het geschil tussen verweerders en de deken zuiver bestuursrechtelijk van aard is. Het inzetten van zowel de bestuursrechtelijk als de tuchtrechtelijke weg is in strijd met de tweewegenleer. Verweerders verwijzen in dit verband naar het standpunt dat de landelijk deken innam in de zaak uit 2021, waarbij de deken zich baseerde op een opinie van mr. T. Barkhuysen.

7.2 Het hof heeft in zijn uitspraak van 15 november 2021 (ECLI:NL:TAHVD:2021:214) het standpunt van de landelijk deken (weergegeven onder 5.15 van die uitspraak) niet gevolgd (zie r.o. 5.43-5.45 van die uitspraak). Daarmee heeft het hof ook de door de landelijk deken bepleite tweewegenleer (namelijk dat de bestuursrechter, of de burgerlijke rechter, de eerst aangewezen rechter is om te oordelen over de al dan juiste toepassing door de deken van de bestuursrechtelijke bevoegdheden) niet gevolgd. Het hof ziet geen aanleiding om hiervan terug te komen (zie in dit verband: HvD 30 maart 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:91). Nadrukkelijk is bij de wijziging van de Advocatenwet in 2015 de mogelijkheid opengelaten dat een deken naar aanleiding van toezichthoudende werkzaamheden (dus als toezichthouder als bedoeld in artikel 5:11 Awb en op grond van daarop gebaseerde in de Awb bepaalde toezichthoudende bevoegdheden) een tuchtrechtelijke procedure (een dekenbezwaar) kan starten. Consequentie daarvan is dat de tuchtrechter in voorkomend geval niet voorbij kan gaan aan de vraag of de deken op een juiste wijze gebruik heeft gemaakt van toezichthoudende bevoegdheden (HvD 30 maart 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:91, r.o. 7.20). Dat er in dit geval door de deken naast een dekenbezwaar op een later moment, te weten op 17 juni 2024, ook een last onder dwangsom is opgelegd wegens het niet verstrekken van gevraagde kengetallen betekent niet dat de deken niet meer in haar dekenbezwaar zou kunnen worden ontvangen. 

7.3    Voor zover verweerders de deken ook niet-ontvankelijk achten op grond van het “una-via” beginsel (in die zin dat de tuchtrechtelijke procedure en bestuursrechtelijke procedure niet naast elkaar gevoerd kunnen worden) volgt het hof hen daarin niet. Ofschoon in dit geval er wellicht een overlap is in de feiten en in de beantwoording van de vraag of de deken bevoegd is de Uitvraag te doen is er in de verschillende procedures sprake van het toetsen aan verschillende normen. Bij het dekenbezwaar gaat het om de vraag of verweerders betamelijk handelen in de zin van artikel 46 Advocatenwet en, in het bijzonder of zij zich onttrekken aan het dekenaal toezicht. In de bestuursrechtelijke procedure staat centraal of de herstelsanctie (de last onder dwangsom) al dan niet terecht is opgelegd. Reeds in zijn uitspraak van 22 april 2016 (ECLI:NL:TAHVD:2016:78) heeft het hof overwogen dat samenloop van procedures geen beletsel vormt voor de tuchtrechter en, in die zaak, de strafrechter, indien een zaak bij twee verschillende rechters aanhangig wordt gemaakt. In zijn uitspraak van 21 april 2023 heeft het hof daarbij overwogen hoe het omgaat met de vraag als er sprake van overlap is met een ander rechtsgebied (ECLI:NL:TAHVD:2023:85). Ook in andere tuchtrechtstelsels wordt samenloop tussen het tuchtrecht en een ander rechtsgebied aanvaard, omdat het om verschillende normschendingen gaat. (Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CBB:2021:857, ECLI:NL:GHAMS:2021:246, ECLI:NL:GHAMS:2020:1550 en ECLI:NL:TGZCTG:2020:114.)

7.4    De conclusie is dat de deken ontvankelijk is in haar bezwaar.

Uitstel van de behandeling van de zaak?

7.5    Verweerders hebben hun verzoek om aanhouding gedaan in hun beroepschrift en nader onderbouwd in een brief van 5 maart 2026. Het verzoek berust op twee pijlers: 
1) de stukken die ten grondslag liggen aan (de invoering van) de Uitvraag zijn op grond van de Woo opgevraagd bij de deken. In bezwaar heeft de deken nog niet beslist. Het is voor verweerders van belang dat zij in de onderhavige procedure (die geen hoger beroep meer kent) de beschikking hebben over de verzochte stukken omdat die een licht kunnen werpen op de grondslag van de Uitvraag. 
2) In de uitspraak van 28 januari 2026 heeft de Afdeling geoordeeld dat de Uitvraag geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit is en dat de vraag of de Uitvraag rechtmatig is in de lopende bestuursrechtelijke handhavingsprocedures aan de orde kan komen. Verweerders hebben er belang bij om de uitkomst van de bestuursrechtelijke procedure(s) af te wachten. Hun belang weegt zwaarder dan het belang van de deken bij tuchtrechtelijke behandeling van het dekenbezwaar. Verweerder verwijzen in dit verband naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling  van 13 november 2025 (zie hierboven onder 3.38). Een tuchtrechtelijke uitspraak van dit hof voordat de Afdeling over de rechtmatigheid van de Uitvraag heeft geoordeeld schept een ernstig risico op tegenstrijdige uitspraken dat moet worden voorkomen. Het is niet opportuun als het hof nu al een onherroepelijk oordeel velt voordat de daartoe aangewezen rechter een oordeel heeft geveld over de rechtmatigheid van (de grondslag van) de Uitvraag. 

7.6.    De deken heeft zich verzet tegen aanhouding omdat het een voortvarend procesverloop in de weg zit. Dat er nog niet is beslist op de Woo-verzoeken is geen reden om de onderhavige procedure aan te houden. Verweerders hebben ondanks meerdere procedures sinds 2022, pas medio 2025 een Woo-verzoek gedaan. Een zo laat verzoek kan niet voor rekening van de deken komen. Het wachten op een uitspraak van de Afdeling over de rechtmatigheid van de last onder dwangsom leidt tot een onredelijke vertraging en belemmert de deken in het effectief uitoefenen van toezicht.

7.7.    Het hof overweegt dat de omstandigheid dat verweerders nog geen uitsluitsel hebben over de vraag of zij kunnen beschikken over stukken die betrekking hebben op (de invoering van) de Uitvraag geen reden is voor uitstel van de behandeling van deze zaak. De deken heeft terecht opgemerkt dat het verzoek in een laat stadium is gedaan wat voor rekening en risico van verweerders komt. Bovendien is genoegzaam bekend hoe de uitvraag (in het begin als een pilot) is ingevoerd (zie hierboven onder 3.2). 

7.8. Het aanhouden van de zaak totdat de Afdeling zich heeft uitgelaten over de rechtmatigheid van de Uitvraag acht het hof in dit geval wel opportuun. In zijn uitspraak van 21 april 2023 (zie hierboven onder 7.3) heeft het hof overwogen dat als er sprake is van een overlap van dezelfde feiten en omstandigheden waarop hetzelfde toetsingskader van toepassing de tuchtrechter niet licht tot een ander oordeel kan komen dan in dit geval de bestuursrechter. Ofschoon de bestuursrechter in eerste aanleg zich reeds heeft uitgelaten over de rechtmatigheid van de Uitvraag (zie de uitspraak van de rechtbank Gelderland, hierboven onder 3.36) heeft de hoogste bestuursrechter dat nog niet gedaan. Aangezien het om een principiële vraag gaat, namelijk of de Uitvraag een deugdelijke grondslag heeft, vindt het hof het zinvol om de beslissing op dit punt van de hoogste bestuursrechter af te wachten. Van belang daarbij is dat er dit moment reeds een procedure loopt bij de Afdeling in het kader van het hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland waarin de rechtmatigheid van de Uitvraag aan de orde is. De uitkomst van die zaak kan dan ook van belang zijn voor de onderhavige zaak van klagers. Het belang van verweersters dat het hof bij zijn oordeel in deze zaak rekening kan houden met het oordeel van de hoogste bestuursrechter acht het hof in dit geval zwaarder wegen dan het belang van de deken bij een beslissing op het dekenbezwaar. Hieraan doet niet af dat hof in zijn uitspraak uit 2021 reeds heeft overwogen dat de Uitvraag van de dekens in overeenstemming is met artikel 5:13 Awb. Toentertijd speelde immers nog niet het thans lopende bestuursrechtelijke traject waarin de last onder dwangsom wordt getoetst. 

7.9. Het voorgaande betekent dat het belang van de deken wijkt voor het belang van verweerders. Bij deze weging van belangen betrekt het hof dat verweerders zich niet geheel onttrekken aan het toezicht van de deken, maar enkel de Uitvraag beoordeeld willen hebben. Het hof zal de zaak aanhouden tot de Afdeling in het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland uitspraak heeft gedaan. Binnen vier weken nadat deze uitspraak is gedaan krijgen verweerders nog de gelegenheid voor een nadere schriftelijke reactie waarop de deken weer binnen vier weken op mag reageren. 

8    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-    houdt de behandeling van de zaak aan tot de Afdeling in het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 mei 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:4043) uitspraak heeft gedaan; 

-    binnen vier weken na vorenbedoelde uitspraak van de Afdeling mogen verweerders een nadere schriftelijke reactie indienen waarop de deken weer binnen vier weken mag reageren;

-    Het hof houdt iedere verdere beslissing aan. 

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk, D. Wachter, G.C. Endedijk en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Sijses, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.
 

griffier    voorzitter       

De beslissing is verzonden op 18 mei 2026.