ECLI:NL:TAHVD:2026:157 Hof van Discipline 's Gravenhage 250108D
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:157 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-05-2026 |
| Datum publicatie: | 20-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250108D |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Dekenbezwaar. Samenhang met 250119. De raad heeft geoordeeld dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de kernwaarde financiële integriteit (artikel 10a Advocatenwet), omdat het onder zijn verantwoordelijkheid gedreven Advocatenkantoor, waarvan verweerder (middellijk) enig aandeelhouder en enig bestuurder is, excessief heeft gedeclareerd. De raad heeft verweerder een schorsing voor de duur van twaalf weken opgelegd. Verweerder komt van die beslissing in hoger beroep. |
Beslissing van 18 mei 2026
in de zaak 250108D
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
tegen:
deken
1 INLEIDING
1.1 Dekenbezwaar. Samenhang met 250119. De raad heeft geoordeeld dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de kernwaarde financiële integriteit (artikel 10a Advocatenwet), omdat het onder zijn verantwoordelijkheid gedreven Advocatenkantoor, waarvan verweerder (middellijk) enig aandeelhouder en enig bestuurder is, excessief heeft gedeclareerd. De raad heeft verweerder een schorsing voor de duur van twaalf weken opgelegd. Verweerder komt van die beslissing in hoger beroep.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen de deken en verweerder (zaaknummer: 24-796/DB/ZWB/D) een beslissing gewezen op 10 maart 2025. In deze beslissing zijn de onderdelen 1, 3, 4 en 5 van het dekenbezwaar gegrond verklaard en de onderdelen 2 en 6 ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van schorsing voor de duur van 12 weken opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:37 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 3 april 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift;
- een e-mail van de deken van 3 december 2025, met bijlage;
- een e-mail van verweerder van 23 december 2025, met bijlagen.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 19 januari 2026, gelijktijdig met het hoger beroep van verweerder en klaagster in de zaak met nummer 250119. Verweerder en de deken zijn verschenen. In de zaak met nummer 250119 zijn mr. TH (namens klaagster) en de gemachtigde van klaagster verschenen. Verweerder heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 BMR is de rechtsopvolger van VSZ, welke stichting enkel nog bestaat voor de afwikkeling van de voormalige door haar gedreven onderneming. BMR is een schaderegelingskantoor dat op grond van rechtsbijstandsverzekeringen de advocaatkosten van de door verzekerden gekozen advocaten vergoedt.
3.3 Verweerder is enig bestuurder van F B.V., welke vennootschap enig aandeelhouder en enig bestuurder is van Advocatenkantoor B B.V., hierna: “het Advocatenkantoor”.
3.4 Het Advocatenkantoor heeft in een drietal zaken rechtsbijstand verleend aan verzekerden die een beroep hebben gedaan op vergoeding van de advocaatkosten door BMR dan wel VSZ.
Dossier HSS - UWV
3.5 Het Advocatenkantoor heeft vanaf maart 2015 HSS bijgestaan in een geschil met het UWV over de WGA-uitkering van een (voormalig) werknemer. Verweerder en zijn kantoorgenoot mr. D hebben werkzaamheden verricht in het dossier.
3.6 Het Advocatenkantoor heeft 21 bezwaarschriften en vier beroepschriften betreffende besluiten van het UWV ingediend, overleg gevoerd met HSS en gecorrespondeerd met VSZ, UWV en derden. Het Advocatenkantoor heeft in verband daarmee in de periode van maart 2015 tot en met juli 2016 declaraties aan VSZ gestuurd voor een totaalbedrag van € 97.494,91. VSZ heeft een bedrag van € 44.426,78 aan het Advocatenkantoor voldaan. VSZ heeft de declaraties van het Advocatenkantoor nader onder de loep genomen en van het gedeclareerde bedrag van € 97.494,81 een bedrag van € 74.697,28 betwist. In de periode van augustus 2016 tot en met september 2017 heeft het Advocatenkantoor aan klaagster sub 2 elf declaraties gestuurd met een totaalbedrag van € 18.383,38. Deze declaraties zijn onbetaald gebleven.
3.7 Het Advocatenkantoor heeft een gerechtelijke procedure jegens VSZ aanhangig gemaakt ter incasso van de in de periode van maart 2015 tot en met augustus 2016 verzonden declaraties voor een totaalbedrag van € 97.494,91. Bij verstekvonnis van 2 november 2016 heeft de rechtbank VSZ veroordeeld tot betaling aan het Advocatenkantoor van € 77.473,13, vermeerderd met de contractuele rente en met de wettelijke rente, en in de proceskosten. Ter uitvoering van het verstekvonnis heeft VSZ in aanvulling op het reeds betaalde bedrag van € 44.426,78 een bedrag van € 80.654,48 betaald aan hoofdsom, rente en kosten.
3.8 VSZ is in verzet gekomen en heeft een eis in reconventie ingesteld. In het eindvonnis in verzet van 30 augustus 2017 heeft de rechtbank de proceskostenveroordeling aangepast en het verstekvonnis voor het overige bekrachtigd. De vorderingen in reconventie zijn afgewezen.
3.9 VSZ heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Bij tussenarrest van 17 september 2019 heeft het hof een aantal knopen doorgehakt en overwogen dat het voor het overige behoefte heeft aan deskundige voorlichting. Bij tussenarrest van 8 september 2020 heeft het hof vervolgens geoordeeld dat:
- tussen partijen een overeenkomst van opdracht is overeengekomen;
- de opdracht inhoudt om HSS bij te staan in haar geschil met UWV over de uitkering aan een van haar (ex-)werknemers;
- het uurtarief € 260,-- per uur bedraagt;
- voor het overige aansluiting moet worden gezocht bij wat in de advocatuur gebruikelijk is;
- de algemene voorwaarden van het Advocatenkantoor niet van toepassing zijn;
- het Advocatenkantoor zich bij verhaalsbesluiten 1 tot en met 8 had moeten beperken tot pro forma bezwaar;
- geen opdracht meer bestaat voor bezwaar tegen verhaalsbesluit 9 en volgende;
- VSZ de overeenkomst van opdracht niet rechtsgeldig heeft ontbonden;
- werkzaamheden die geen betrekking hebben op de inhoudelijke behandeling van het geschil tussen HSS en VSZ, maar zien op het geschil over de opdrachtverstrekking en het niet voldoen van de (volledige) rekening, niet in rekening kunnen worden gebracht;
- bij de beoordeling van de redelijkheid van de in rekening gebrachte declaraties in aanmerking moet worden genomen dat het in deze zaak om een zeer beperkt financieel belang (van HSS) gaat, omdat HSS ten aanzien van het hier aan de orde zijnde eigenrisicodragerschap een verzekering heeft afgesloten.
3.10 Bij tussenarrest van 8 september 2022 heeft het hof mr. S (verder: de deskundige) als deskundige benoemd en haar verzocht de declaraties van het Advocatenkantoor te beoordelen en met in achtneming van voornoemde uitgangspunten te adviseren welk salaris redelijk is.
3.11 Op 12 augustus 2021 heeft de deskundige haar advies uitgebracht. Hierin staat onder meer het volgende:
“ DE BEVINDINGEN Algemeen Mede gelet op het feit dat het om een gering financieel belang gaat, acht ik het niet gerechtvaardigd om met twee advocaten tegen het volle tarief van € 260,00 aan zo'n zaak te werken en zeker niet om de door beiden bestede tijd zonder enige matiging door te berekenen. In de onderhavige zaak is zowel door [verweerder] als door [mr. D, kantoorgenoot van verweerder] aan dezelfde stukken gewerkt (zowel correspondentie als processtukken), hebben beiden gezamenlijk telefoongesprekken gevoerd en is door [mr. D] tijd genoteerd voor intern overleg met [verweerder]. De hierdoor ontstane dubbele uren en de tijd die is genoteerd voor intern overleg zal ik hierna in mindering brengen. Het spreekt voor mij verder voor zich dat — ook los van de opdracht van het gerechtshof — tijd besteed aan discussie over de aan de advocaat verstrekte opdracht in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking komt en tijd besteed aan discussie over declaraties in geen geval mag worden doorberekend. De in het onderhavige dossier aan deze zaken bestede tijd is ongelimiteerd tot en met het opstellen van de dagvaarding voor de procedure tegen [VSZ] genoteerd en doorberekend en zal dan ook in mindering worden gebracht. Het gerechtshof heeft zich er niet over uitgelaten of [het Advocatenkantoor] op het uurtarief een kostenopslag van 6% in rekening mocht brengen. Aangezien het in rekening brengen van een kostenopslag van 5 of 6% in de advocatuur niet ongebruikelijk is en SRK bij de bezwaren tegen de declaraties van [het Advocatenkantoor] niet heeft geprotesteerd tegen deze kostenopslag, beschouw ik de kostenopslag als acceptabel. (…) De door [het Advocatenkantoor] aan SRK gezonden rentenota van 12 juni 2015 laat ik buiten beschouwing, nu geen contractuele rente is overeengekomen."
Hierna volgt een beoordeling per declaratie van de redelijkheid van de in rekening gebrachte bedragen. Bij de beoordeling van de declaratie van oktober 2015 staat onder meer het volgende:
“Op 7 september zijn van UWV twee beslissingen op bezwaar ontvangen. Het betreft een beslissing met betrekking tot de toekenning van de uitkering en de overdracht en een beslissing met betrekking tot de bezwaarschriften terzake verhaal en terugbetaling. In de tweede beslissing wordt met name verwezen naar de eerste beslissing. (…) Terzijde merk ik op dat uit het dossier blijkt dat de cliënte wel akkoord wilde gaan met het instellen van beroep, voor zover de kosten door [VSZ] gedragen zouden worden. De cliënte was immers verzekerd voor de bedragen die door UWV in rekening werden gebracht. Verder stelde [VSZ] in verband met de dekking voor het beroep uitdrukkelijk de - niet onterechte - vraag of er wel een redelijke kans van slagen aanwezig was. Ik verwijs in dit kader naar de voor de advocaat geldende regelgeving in Advocatenwet, Gedragsregels 1992 en tuchtrechtelijke jurisprudentie. In het bijzonder denk ik dan aan de zorgvuldigheid die van een advocaat verwacht wordt bij het behartigen van de belangen van zijn cliënt, de rekening die hij moet houden met de belangen van derden (in dit geval [VSZ]), de regel dat hij een redelijk honorarium in rekening moet brengen en de regel dat hij moet voorkomen onnodige kosten te maken. Omdat het belang van de cliënte bij de gevoerde procedures beperkt was (financieel grotendeels afwezig) en de niet geringe declaraties door [VSZ] moesten worden voldaan, had naar mijn oordeel de ontvangst van de afwijzende besluiten van UWV voor [het Advocatenkantoor] aanleiding moeten zijn om met de cliënte te bespreken of het niet beter zou zijn om het verlies te nemen en af te zien van verdere stappen. Maar evengoed realiseer ik me dat dit niet is gebeurd en dat [VSZ] heeft ingestemd met verdere stappen. (…)
De beoordeling van de declaraties leidt de deskundige vervolgens tot de conclusie dat het Advocatenkantoor in redelijkheid een bedrag van € 22.974,02 aan VSZ in rekening had mogen brengen. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
- Honorarium (67,9 uur a € 260) € 17.654,-
- 6% kantoorkosten € 1.059,24
- btw 21% € 3.929,78
- griffierecht € 331,00
Totaal verschuldigd door VSZ € 22.974,02
3.12 Bij eindarrest van 7 februari 2023 heeft het hof het vonnis in verzet van 30 augustus 2017 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het verstekvonnis van 2 november 2016 vernietigd, de vorderingen van het Advocatenkantoor afgewezen, het Advocatenkantoor veroordeeld tot terugbetaling aan VSZ van een bedrag van € 80.654,48, vermeerderd met de wettelijke rente, en het Advocatenkantoor veroordeeld in de proceskosten. Het hof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
“7.6 Het hof blijft bij wat het heeft overwogen en beslist in zijn eerdere tussenarresten.
Dit betekent dat de deskundige terecht is uitgegaan van een uurtarief van € 260,--
zonder indexering en terecht ervan is uitgegaan dat geen contractuele rente en of
buitengerechtelijke kosten zijn overeengekomen. De algemene voorwaarden van [het Advocatenkantoor]
zijn immers niet van toepassing.
7.7 Ook heeft de deskundige terecht een beperkt financieel belang van HSS als uitgangspunt
genomen. Het mag zo zijn dat het feitelijk financiële belang van de uitkering fors
is, vaststaat dat dit niet voor rekening van HSS komt. Dat [VSZ] aan [het Advocatenkantoor]
de opdracht heeft verstrekt naast de belangen van HSS, die van [naam] en/of haar eigen
belang te behartigen is gesteld noch gebleken. Voor zover [het Advocatenkantoor] heeft
bedoeld dit verweer in haar memorie na deskundigenbericht alsnog te voeren, dan wel
te betogen dat de opdracht dit meebracht, is dit tardief. De tweeconclusieregel staat
hieraan in de weg. Ook het beroep van [het Advocatenkantoor] op de (geschonden) klachtplicht
is tardief en bovendien ongegrond. De voorliggende kwestie heeft geen betrekking heeft
op een gebrek in de door [het Advocatenkantoor] geleverde prestatie, maar op het honorarium
dat [het Advocatenkantoor] in redelijkheid bij [VSZ] in rekening mocht brengen.
7.8 Terecht heeft de deskundige als uitgangspunt genomen dat de in het geding zijnde
zaak niet zodanig ingewikkeld is, dat deze een inzet van twee (naar, op basis van
het uurtarief mag worden aangenomen) goed ingevoerde advocaten rechtvaardigt. Het
mag zo zijn dat de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen door vakbonden als "onbegrijpelijk"
is aangemerkt, dat betekent niet dat iedere zaak gebaseerd op deze wet daarom complex
is. De omvang van het dossier – mede in aanmerking genomen dat deze uit vele dubbelingen
bestaat – is ook geen indicatie van de ingewikkeldheid. Deze omvang verklaart overigens
wel mede de uren die de deskundige heeft besteed aan het bestuderen van het dossier
ten behoeve van haar advies. De stelling van [het Advocatenkantoor] dat [VSZ] heeft
ingestemd met inzet van twee advocaten doet aan het voorgaande niet af. Niet duidelijk
is dat [het Advocatenkantoor] hierbij refereert aan iets anders dan de opdrachtbevestiging
van [VSZ] van 11 mei 2015, maar zoals het hof in zijn tussenarrest van 17 september
2019 heeft overwogen beheerst die opdrachtbevestiging niet de opdracht. Voor zover
[het Advocatenkantoor] mocht hebben bedoeld dat [VSZ] dat aspect uit die opdrachtbevestiging
op zichzelf heeft aanvaard, ziet het hof geen ruimte voor een andere beoordeling gelet
op alle voor [het Advocatenkantoor] ongunstige aspecten die in diezelfde opdrachtbevestiging
zijn opgenomen en waartegen [het Advocatenkantoor] zich verzet. Daaronder bevindt
zich onder meer de voorwaarde dat intern overleg niet wordt vergoed. De enkele omstandigheid
dat [VSZ] in de verzetdagvaarding een door haar in voorkomend geval wel gebezigd toetsingskader
heeft aangehaald waarin intern overleg niet wordt uitgesloten (maar “kritisch wordt
bekeken”), maakt dit alles niet anders.
7.9 Naar het oordeel van het hof heeft de deskundige haar werkwijze, haar bevindingen
en haar conclusie voldoende inzichtelijk gemaakt en onderbouwd. Zij is daarbij uitgegaan
van de juiste kaders. Hierbij verdient nog het volgende aantekening.
- De door [het Advocatenkantoor] in haar antwoordmemorie na deskundigenbericht aangevoerde
argumenten (omvangrijk onderliggend dossier, uitgebreid deskundigenbericht, geen bezwaar
wederpartij, procedure liep toch al lang) behoefden de deskundige geen aanleiding
te geven om een langere reactietermijn dan vier weken te geven op het concept van
haar rapport.
- [het Advocatenkantoor] stelt dat de deskundige ten onrechte rapporteert dat bepaalde
brieven in het dossier niet zijn aangetroffen; het gaat daarbij volgens [het Advocatenkantoor]
om de brieven die zij heeft overgelegd als producties 10-14 bij zijn antwoordmemorie
na deskundigenbericht. Die maakten volgens haar wel deel uit van het door de deskundige
beoordeelde dossier. Verder stelt [het Advocatenkantoor] dat de deskundige bepaalde
in mei 2015 geschreven uren ten onrechte heeft aangemerkt als “geschil [VSZ]” (en
daarom heeft gediskwalificeerd). Van deze kwesties had [het Advocatenkantoor] evenwel
geen punt gemaakt in haar reactie op het concept van het deskundigenbericht, terwijl
gesteld noch gebleken is dat de passages waarop zij haar kritiek richt in het concept
nog niet voorkwamen. Het is daarom in strijd met de goede procesorde dat zij in haar
antwoordmemorie na (het definitieve) deskundigenbericht deze kwesties c.q. de redelijkheid
van de hiervoor geschreven tijd alsnog ter beoordeling aan het hof voorlegt. Overigens
bedraagt die (telkens) geschreven tijd per declaratie veel minder dan het verschil
tussen wat de deskundige redelijk heeft geoordeeld en wat volgens het hof verschuldigd
blijft (hierna, 7.11), zodat de bezwaren van [het Advocatenkantoor] ook om die reden
niet tot een andere beslissing kunnen leiden. - Voor zover [het Advocatenkantoor]
zich in haar antwoordmemorie na deskundigenbericht op het standpunt heeft gesteld
dat de deskundige voor bepaalde werkzaamheden ten onrechte minder tijd (honorarium)
redelijk heeft geoordeeld dan de geschreven tijd, had het op haar weg gelegen om dat
specifieker te onderbouwen, met concrete verwijzing naar stukken en de vindplaatsen
daarvan.
7.10 Dit betekent dat het hof de conclusie van de deskundige – op de door [het Advocatenkantoor]
geconstateerde cijfermatige fout van 0,3 uur bij de declaratie van 15 april 2015 na
– onderschrijft en tot uitgangspunt neemt voor zijn oordeel. Het hof slaat geen acht
op de declaraties van [het Advocatenkantoor] waarop zij zich voor het eerst in haar
antwoordmemorie na deskundigenbericht (p. 21) heeft beroepen. [het Advocatenkantoor]
stelt dat de som van deze declaraties (€ 24.431,46) “dient te worden betrokken in
de beoordeling van de eis in conventie”. Voor het hof is niet duidelijk wat [het Advocatenkantoor]
daarmee bedoelt. Voor de reconventie beroept [het Advocatenkantoor] zich op verrekening.
Daaraan wordt niet toegekomen, omdat het hof de vordering in reconventie zal afwijzen.
Voor zover [het Advocatenkantoor] mocht hebben bedoeld met deze declaraties de grondslag
van haar vordering in conventie aan te vullen en/of door middel van verrekening aanvullend
verweer te voeren tegen de vordering van [VSZ] tot terugbetaling van wat zij uit hoofde
van het bestreden vonnis aan [het Advocatenkantoor] heeft voldaan, is dat in strijd
met de tweeconclusieregel.
7.11 Dit een en ander betekent dat het hoger beroep van [VSZ] in zoverre slaagt.
[VSZ is, gelet op het gedeelte van de declaraties dat zij voor zij werd gedagvaard
al had goedgekeurd en betaald, ter zake van de opdracht niets meer aan [het Advocatenkantoor]
verschuldigd. De inleidende vordering van [het Advocatenkantoor] zal worden afgewezen.
Het bedrag dat [VSZ] op basis van het bestreden vonnis heeft betaald is onverschuldigd
betaald. Dit bedrag zal [het Advocatenkantoor] moeten terugbetalen.
7.12 De reconventionele vordering tot terugbetaling van meer dan dat is niet toewijsbaar.
Weliswaar heeft de deskundige een lager bedrag dan al door [VSZ] is voldaan redelijk
geacht, maar dat neemt niet weg dat [VSZ]– voorafgaande aan deze procedure – de redelijkheid
van de facturen van [het Advocatenkantoor] heeft beoordeeld en deze (onvoorwaardelijk)
tot een bedrag van € 44.426,78 heeft geaccordeerd en betaald. Hiervan kan [VSZ] als
professionele partij niet terugkomen. Het bedrag van € 44.426,78 is daarom niet (gedeeltelijk)
onverschuldigd betaald. Van een andere grond op basis waarvan [het Advocatenkantoor]
gehouden is dit bedrag terug te betalen is niet gebleken. De overeenkomst is – zoals
het hof heeft geoordeeld in zijn tussenarrest van 8 september 2020 – immers niet rechtsgeldig
ontbonden.
7.13 De door [VSZ] gevraagde verklaringen voor recht zijn – zoals eveneens volgt
uit dat tussenarrest – niet toewijsbaar.”
3.13 Op 9 maart 2023 heeft verweerder aan BMR/VSZ een conceptdagvaarding gepresenteerd, waarin betaling wordt gevorderd van de elf in de periode van augustus 2016 tot en met september (het hof begrijpt:) 2017 verzonden declaraties, zijnde declaraties die buiten de gerechtelijke procedure waren gebleven en ook niet door de deskundige waren beoordeeld. Partijen hebben onderhandeld over een minnelijke regeling. Op 3 mei 2023 hebben BMR/VSZ en het Advocatenkantoor een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarmee het civielrechtelijke geschil tussen BMR/VSZ en het Advocatenkantoor over de declaraties in het dossier HSS tot een einde is gekomen. In de vaststellingsovereenkomst is vastgelegd dat het Advocatenkantoor tegen finale kwijting over en weer een bedrag betaalt van € 90.000,00.
Dossier Grillroom C
3.14 Het Advocatenkantoor heeft Grillroom C bijgestaan in een geschil rondom de huur van bedrijfsruimte, waarin achterstallig onderhoud en een verzoek om huurprijsverlaging aan de orde waren. In dit dossier hebben naast verweerder mrs. SP en P (eveneens werkzaam bij het Advocatenkantoor) werkzaamheden verricht. Verweerder en mr. SP hanteerden een uurtarief van € 275,00 en mr. P een uurtarief van € 225,00. Het Advocatenkantoor heeft de wederpartij in kort geding gedagvaard. De vordering in kort geding is afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. Het Advocatenkantoor heeft een bodemprocedure jegens de wederpartij aanhangig gemaakt die is geroyeerd op grond van tussen partijen gemaakte afspraken. Het Advocatenkantoor heeft werkzaamheden verricht rondom de nakoming van die afspraken. Over de periode januari 2021 tot en maart 2023 zijn 345,9 uren gedeclareerd, resulterend in een bedrag van € 110.241,25, inclusief BTW. Het Advocatenkantoor heeft 16,6 uren gecrediteerd.
Dossier D H-V
3.15 Het Advocatenkantoor heeft D H-V bijgestaan in geschil rondom de nakoming van een onroerende zaak-transactie. In dit dossier hebben naast verweerder mrs. SA en H (eveneens werkzaam bij het Advocatenkantoor) werkzaamheden verricht in het dossier. Zij hebben allen een uurtarief van € 330,00 gehanteerd. Het Advocatenkantoor heeft de wederpartij in kort geding gedagvaard en ten laste van de wederpartij beslag conservatoir gelegd. De wederpartij is voorafgaand aan de zitting overgegaan tot nakoming. Over de periode 5 tot en met 19 juni 2023 zijn 58 uren gedeclareerd, resulterend in een bedrag van € 23.945,90. BMR/VSZ hebben deze declaraties niet voldaan.
3.16 Op 4 december 2023 hebben BMR/VSZ tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
3.17 Op 25 september 2024 heeft de deken een dekenstandpunt geformuleerd. De deken heeft onder meer het volgende overwogen: “Het gerechtshof heeft op 7 februari 2023 geoordeeld dat het bedrag van € 21.452,76 teveel is betaald, maar verplicht [verweerder] niet tot terugbetaling omdat uw cliënte de facturen voorafgaand aan de procedure heeft geaccordeerd en daar als professionele partij niet op terug kan komen. Dit is een civielrechtelijke beslissing. Civielrecht en tuchtrecht behoeven niet tot eenzelfde uitkomst te lieden. De gedragsregels verplichten een advocaat tot integer handelen en dragen de advocaat op om een redelijk honorarium in rekening te brengen. In de onderhavige kwestie weet de advocaat dat hij een bedrag onder zich houdt, dat hem niet toekomt. Hij weet ook dat door een deskundige is geoordeeld dat meer is gedeclareerd dan redelijk wordt geacht. Van een advocaat, die weet dat hij een te hoog bedrag heeft ontvangen mag naar mijn mening worden verwacht dat hij dat bedrag terugbetaalt, ook als hij daartoe wettelijk of civielrechtelijk niet wordt verplicht. Ik acht het behouden van een bedrag waarop je geen aanspraak had mogen maken in strijd met de (financiële) integriteit. Dat er tussen partijen later een vaststellingsovereenkomst is gesloten, doet daar niet aan af. Die overeenkomst heeft immers alleen de civielrechtelijke van de declaraties geregeld. Al met al meen ik dat [verweerder] niet heeft gehandeld zoals van een behoorlijk handelend advocaat verwacht mag worden. Een behoorlijk handelend advocaat behoudt niet wat hem niet toekomt. Ook dit onderdeel van uw klacht komt mij gegrond voor.”
3.18 Op 4 november 2024 heeft de deken een dekenbezwaar en een vordering ex artikel 48e Advocatenwet bij de raad ingediend.
3.19 Op 8 november 2024 heeft verweerder een bedrag van € 21.452,76 voldaan aan BMR.
4 KLACHT
4.1 Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in beroep nog van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:
1. in de periode maart 2015 – juli 2016 excessief heeft gedeclareerd in dossier HSS;
2. […]
3. in de periode januari 2021 – maart 2023 excessief heeft gedeclareerd in dossier
Grillroom C;
4. in juni 2023 excessief heeft gedeclareerd in dossier D H-V;
5. in strijd heeft gehandeld met de kernwaarde financiële integriteit door bij herhaling
excessief te declareren;
6. […]
5 FORMELE VERZOEKEN/OMVANG HOGER BEROEP/ONTVANKELIJKHEIDSKWESTIES
5.1 Verweerder heeft hoger beroep ingesteld tegen de gegrondverklaring door de
raad van de klachtonderdelen 1, 3, 4 en 5 van het dekenbezwaar en daarbij ook de ontvankelijkheid
aan de orde gesteld. Verweerder is ook opgekomen tegen de hoogte van de maatregel
en de proceskostenveroordeling.
6 BEOORDELING RAAD
6.1 De raad heeft aan de gegrondverklaring van de klachtonderdelen 1, 3, 4 en 5 van het dekenbezwaar het navolgende ten grondslag gelegd.
Klachtonderdeel 1: HSS maart 2015 – juli 2016
6.2 De deken verwijt verweerder dat hij in de periode maart 2015 tot en met juli 2016 excessief heeft gedeclareerd in het dossier HSS. De deken heeft ter onderbouwing van dit klachtonderdeel verwezen naar het arrest van het hof van 7 februari 2023 en het deskundigenbericht van 12 augustus 2021. Verweerder heeft naar voren gebracht dat en waarom hij het niet eens is met het arrest van het hof en dat hij daarbij ook geen partij is. De raad overweegt als volgt. Met het onherroepelijke arrest van het hof en de door het hof gevolgde begroting van de deskundige staat vast dat het Advocatenkantoor in de periode maart 2015 tot en met (het hof leest:) juli 2016 een bedrag van € 74.520,79 teveel in rekening heeft gebracht, hetgeen neerkomt op een percentage van 424,37% meer dan, alle omstandigheden in aanmerking genomen, als een redelijk honorarium kan worden beschouwd. Hieruit volgt dat excessief is gedeclareerd. Omdat de werkzaamheden en het verzenden en innen van de declaraties hebben plaatsgevonden onder de verantwoordelijkheid van verweerder draagt hij hiervoor tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid. Onderdeel 1 van het dekenbezwaar is gegrond.
Klachtonderdeel 3: Grillroom C
6.3 De deken verwijt verweerder dat hij in de periode januari 2021 tot en met maart 2023 excessief heeft gedeclareerd in het dossier Grillroom C. Verweerder heeft het verwijt dat het Advocatenkantoor excessief heeft gedeclareerd, weersproken. Verweerder heeft in dat verband gesteld dat het geen eenvoudige zaak was, maar heeft die stelling naar het oordeel van de raad onvoldoende onderbouwd. Uit de overgelegde stukken is naar het oordeel van de raad geenszins gebleken dat de zaak zodanig ingewikkeld was, dat deze een inzet van drie (naar, op basis van het uurtarief mag worden aangenomen) goed ingevoerde advocaten rechtvaardigde. In dat licht is het aantal voor “studie” (9,4 uur) en het voor “intern overleg” (16,3 uur) gedeclareerde uren, mede gelet op de ervaring van de betrokken advocaten en de gehanteerde uurtarieven, naar het oordeel van de raad bovenmatig. Uit de overgelegde stukken blijkt voorts dat 67,5 uur is gedeclareerd ter zake de communicatie met de cliënt. Bij gebreke van een toereikende onderbouwing van de noodzaak van zoveel cliëntencontact, die niet is gegeven, valt niet in te zien dat het in de onderhavige kwestie redelijk was om 67,5 uren aan de communicatie te spenderen. Dat de cliënt de Nederlandse taal niet goed machtig was heeft naar het oordeel van de raad niet te gelden als een toereikende verklaring voor zoveel cliëntencontact. Ook het door verweerder gestelde tegenwerken door de wederpartij heeft hij naar het oordeel van de raad onvoldoende geconcretiseerd. Het had op de weg gelegen van verweerder om met concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen dat en waarom het in rekening brengen van een bedrag van € 110.241,25 in deze zaak gerechtvaardigd was. De hoogte van de declaraties komt de raad alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder de complexiteit en het financieel belang van de zaak, bovenmatig voor. De raad oordeelt op grond van het voorgaande dat in het dossier Grillroom C excessief door het Advocatenkantoor is gedeclareerd. Omdat de werkzaamheden en het verzenden en innen van de declaraties hebben plaatsgevonden onder de verantwoordelijkheid van verweerder draagt hij hiervoor tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid. Klachtonderdeel 3 is dan ook gegrond.
Klachtonderdeel 4: D H-V
6.4 De deken verwijt verweerder dat hij in juni 2023 excessief heeft gedeclareerd in het dossier D H-V. Verweerder heeft betwist dat sprake is van excessief declareren. De raad overweegt als volgt. Vast staat dat ook dit dossier door drie advocaten werd behandeld. Over de periode 5 tot en met 19 juni 2023 zijn 58 uren gedeclareerd tegen een uurtarief van € 330,00, resulterend in een bedrag van € 23.945,90. Aan het opstellen van een conservatoir beslagrekest van vijf pagina’s (waarvan anderhalve pagina inhoudelijke tekst) en een kort geding dagvaarding die voornamelijk een herhaling van het beslagrekest vormt en zes pagina’s met inhoudelijke tekst telt is ruim 38 uur besteed. De raad acht de aan deze processtukken bestede tijd bovenmatig. De bestede tijd staat namelijk niet in verhouding tot de inhoud en omvang van de processtukken. Ook voor wat betreft dit dossier heeft naar het oordeel van de raad te gelden dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat de zaak zodanig ingewikkeld was, dat deze een inzet van drie (naar, op basis van het uurtarief mag worden aangenomen) goed ingevoerde advocaten rechtvaardigde. De raad oordeelt op grond van het voorgaande dat in het dossier D H-V excessief door het Advocatenkantoor is gedeclareerd. Omdat de werkzaamheden en het verzenden en innen van de declaraties hebben plaatsgevonden onder de verantwoordelijkheid van verweerder draagt hij hiervoor tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid. Klachtonderdeel 4 is derhalve eveneens gegrond.
Klachtonderdeel 5: kernwaarde financiële integriteit
6.5 Uit het voorgaande volgt dat de raad van oordeel is dat verweerder in de periode maart 2015 tot en met juli 2016 excessief heeft gedeclareerd in het dossier HSS (klachtonderdeel 1), in de periode januari 2021 tot en met maart 2023 excessief heeft gedeclareerd in het dossier Grillroom C (klachtonderdeel 3) en in juni 2023 excessief heeft gedeclareerd in het dossier D H-V (klachtonderdeel 4). De raad concludeert dan ook dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de kernwaarde financiële integriteit (artikel 10a Advocatenwet). Klachtonderdeel 5 is derhalve eveneens gegrond.
6.6 Ten aanzien van de maatregel heeft de raad het navolgende overwogen.
6.7 Uit de gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten volgt dat verweerder zich heeft schuldig gemaakt aan een patroon van excessief declareren. Verweerder heeft daarmee gehandeld in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarde (financiële) integriteit. Met het handelen van verweerder is het vertrouwen in de advocatuur geschaad. De aard en ernst hiervan rechtvaardigen daarom de oplegging van een zware maatregel. Bij de bepaling van de op te leggen maatregel weegt de raad de specifieke in dit dekenbezwaar aan de orde zijnde feiten en omstandigheden mee alsook het feit dat verweerder reeds meerdere malen tuchtrechtelijk is veroordeeld, waaronder wegens excessief declareren. Uit de houding van verweerder, ook in deze procedure, is op te maken dat hij zich maar moeilijk laat sturen door het tuchtrecht. Ook weegt de raad mee dat verweerder met zijn houding ter zitting niet of slechts in zeer beperkte mate blijk heeft gegeven van inzicht in het kwalijke van zijn handelen. De raad leidt dit onder meer af uit de stelling van verweerder dat hij het niet eens is met het (onherroepelijke) arrest van het hof van 7 februari 2023 en dat hij daarbij ook geen partij is. Het moge zo zijn dat verweerder bij de gerechtelijke procedure die heeft geleid tot het arrest van het hof van 7 februari 2023 in persoon geen procespartij was, maar het door hem gedreven Advocatenkantoor, waarvan verweerder (middellijk) enig aandeelhouder en enig bestuurder is, was dat wel, zodat verweerder zich de inhoud en strekking van het arrest zou moeten aantrekken. De raad acht in dezen een schorsing voor de duur van twaalf weken passend en geboden. Daarbij heeft de raad rekening gehouden met het feit dat in de zaak 24-795/DB/ZWB op gelijke datum eveneens een schorsing voor de duur van twaalf weken is opgelegd.
7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
7.1 De stellingen die verweerder aan zijn beroep ten grondslag hebben gelegd, zullen
hierna, voor zover van belang, worden besproken.
Verweer in hoger beroep
7.2 De deken heeft verweer gevoerd in beroep. Waar dit relevant is, bespreekt
het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
8 BEOORDELING HOF
Ontvankelijkheid
Tijdigheid klachtonderdelen 1 en 4
8.1 Verweerder stelt dat het gaat om kwesties die verjaard zijn. Het hof vat dit op als een beroep op de vervaltermijn van artikel 46g, lid 1 onder a, van de Advocatenwet. Uit dit artikel volgt dat een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd. Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Dit geldt ook voor een dekenbezwaar, dat via artikel 46f van de Advocatenwet is ingediend.
8.2 De deken heeft zich op het standpunt gesteld dat hij zijn dekenbezwaar tijdig heeft ingediend.
8.3 Het hof stelt vast dat de (voormalig) deken voor het eerst op 4 december 2023 kennis heeft gekregen van de feiten waarop het dekenbezwaar ziet. Het dekenbezwaar is ingediend op 4 november 2024, dus ruim binnen de termijn van drie jaar.
Ne bis in idem
8.4 Verweerder heeft zich voor het eerst ter zitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het dekenbezwaar op grond van het ne-bis-in-idembeginsel door de raad niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, omdat in de zaak met nummer 24-795/DB/ZWB over hetzelfde feitencomplex is geoordeeld, hetgeen heeft geleid tot de uitspraak van de raad van (eveneens) 10 maart 2025.
8.5 De deken heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
8.6 Het hof overweegt hierover als volgt. In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne-bis-in-idembeginsel”, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.
8.7 Het hof stelt voorop dat op het moment dat het dekenbezwaar werd ingediend over het verweten handelen nog niet eerder onherroepelijk door de tuchtrechter was beslist. Het dekenbezwaar staat niet op zichzelf. In de klachtzaak (bij de raad bekend onder nummer 24-795/DB/ZWB), waarin de behandeling op dezelfde datum als de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden en waarvan de uitspraak op dezelfde datum is gegeven en gebaseerd is op hetzelfde feitencomplex, heeft de raad geoordeeld dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarde (financiële) integriteit en aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van 12 weken opgelegd. Zowel klaagster als verweerder is van die beslissing in hoger beroep gekomen. Het hof doet ook in dat beroep heden uitspraak.
8.8 Verweerder komt ook op tegen het oordeel van de raad dat verweerder tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor het verzenden en innen van de declaraties die in de desbetreffende dossiers hebben plaatsgevonden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij als bestuurder niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor de tijdsregistratie van zijn kantoorgenoten, maar alleen die van hemzelf.
8.9 De deken heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
8.10 Het hof overweegt als volgt. Het dekenbezwaar heeft betrekking op een drietal dossiers waarin door het Advocatenkantoor rechtsbijstand is verleend aan verzekerden die een beroep hebben gedaan op vergoeding van de advocaatkosten door BMR, dan wel VSZ. De opdrachten tot het verlenen van rechtsbijstand aan cliënten zijn aanvaard door het Advocatenkantoor en de declaraties zijn verzonden en geïnd door het Advocatenkantoor. Verweerder is als behandelend advocaat opgetreden en daarbij hebben medewerkers (tevens advocaat) onder zijn leiding gewerkt. Hij is zowel tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor zijn eigen handelen als de wijze waarop hij medewerkers instrueert en laat werken. Deze verantwoordelijkheid staat los van de eigen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van die medewerkers. En bovendien was verweerder enig bestuurder van F B.V., welke vennootschap enig aandeelhouder en enig bestuurder is van het Advocatenkantoor. Gelet hierop is het hof met de raad van oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor de door het Advocatenkantoor verzonden en geïnde declaraties, ook in de dossiers waarin de declaraties zijn verzonden (mede) zijn behandeld door een of meer kantoorgeno(o)t(en). In aanvulling hierop overweegt het hof nog dat verweerder nota bene zelf in zijn beroepschrift heeft gesteld dat hij ‘bij de verzending van de declaratie waarop ook tijd van andere advocaten is vermeld oplettend dient te zijn en dat ‘indien zich signalen voordoen dat de declaratie vanuit enig perspectief niet juist is, de declaratie niet verzonden kan worden’. Daarmee onderkent verweerder kennelijk zelf ook dat hij (in ieder geval in het dossier D H-V) verantwoordelijk is voor de declaratie van werkzaamheden van zijn kantoorgeno(o)t(en).
Vaststellingsovereenkomst
8.11 Verweerder wijst erop dat partijen inzake het declaratiegeschil in het dossier HSS op 3 mei 2023 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, waarmee het civielrechtelijke geschil tot een einde is gekomen en waarbij partijen elkaar over en finale kwijting hebben verleend. Dit compromis staat er volgens verweerder aan in de weg dat alsnog een dekenbezwaar wordt ingediend. Ten onrechte is de raad hieraan voorbij gegaan.
8.12 De deken heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
8.13 Het hof is van oordeel dat het feit dat een vaststellingsovereenkomst is gesloten in een civielrechtelijk geschil, niet aan het indienen van een dekenbezwaar in de weg staat. Los van het feit dat de deken geen partij was bij die overeenkomst en dus aan de tekst ervan niet gebonden is, is het belang dat hij dient het algemene en niet het specifieke belang van HSS.
Inhoudelijk
Maatstaf
8.14 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
excessief declareren
8.15 De kernwaarde (financiële) integriteit brengt met zich dat een advocaat bij de uitoefening van zijn beroep integer moet handelen en zich moet onthouden van handelen dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De advocaat dient als lid van een door de wet bijzonder gepositioneerde beroepsgroep bij te dragen aan de integriteit van zijn beroepsgroep. Integere beroepsuitoefening is essentieel om de bijzondere positie van de advocaat te legitimeren en het vertrouwen in de beroepsgroep te waarborgen. Integer wil zeggen dat de advocaat boven de zaak staat, hij belangenverstrengelingen tegengaat en zich kan verantwoorden voor zijn keuzes, gegeven zijn geprivilegieerde rol binnen de rechtsorde. De kernwaarde integriteit leidt er – uiteraard – toe dat een advocaat ook in financiële aangelegenheden betamelijk moet handelen. Deze verplichting geldt tegenover de eigen cliënt, de wederpartij, maar ook tegenover derden. Met de raad wijst het hof er in dat verband op dat van een advocaat mag worden verwacht dat hij integer en zorgvuldig handelt in financiële aangelegenheden en dat hij daarvoor nauwgezet verantwoording aflegt aan zijn opdrachtgever. In dit verband beoordeelt de tuchtrechter ook of er sprake is van excessief declareren. Of een declaratie als excessief moet worden aangemerkt, hangt af van de omstandigheden van het geval.
Overwegingen hof
Ten aanzien van klachtonderdeel 1: HSS maart 2015 – juli 2016
8.16 Verweerder merkt op dat de raad ten onrechte heeft geoordeeld dat het excessief declareren zich heeft voorgedaan in de periode maart 2015 tot en met juli 2026. Verweerder vermoedt dat het hier om een verschrijving gaat en dat de raad, overeenkomstig het dekenbezwaar, heeft bedoeld de periode maart 2015 tot en met juli 2016.
8.17 Verweerder betoogt verder dat de klacht over hem als bestuurder en enig aandeelhouder van het Advocatenkantoor niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat het versturen van declaraties niet behoort tot zijn taak als enig aandeelhouder en verder een zuivere bestuurstaak is. Dit verweer gaat niet op omdat de klacht is gericht tegen verweerder in zijn hoedanigheid van advocaat.
Ten aanzien van klachtonderdeel 3: Grillroom C
8.18 Verweerder komt ook op tegen het oordeel van de raad dat in het dossier Grillroom C excessief is gedeclareerd.
8.19 Volgens verweerder is de raad voorbij gegaan aan het door verweerder uitgebreid gevoerde verweer. Verweerder verwijst in dit verband naar zijn brief aan de raad van 9 december 2024, waarin hij heeft toegelicht waarom het geen eenvoudige zaak was. Voorts verwijst verweerder naar hetgeen hij in zijn beroepschrift in de zaak met nummer 250119 naar voren heeft gebracht.
8.20 Verweerder voert, samengevat, aan dat niet een bedrag van € 110.241,25 is gedeclareerd, zoals de raad ten onrechte heeft aangenomen, maar een bedrag van € 81.184,-. Dat is het honorariumbedrag exclusief BTW, omdat Grillroom C als ondernemer btw-plichtig is. Voor studie is geen 9,4 uur gedeclareerd, zoals de raad ten onrechte heeft overwogen, maar 7,1 uur. Daarbij gaat het om de bestudering van een aantal, deels omvangrijke, documenten – en derhalve niet uitsluitend om de bestudering van literatuur en jurisprudentie. Ook heeft daarbij een rol gespeeld dat de zaak speelde in Coronatijd en dat de jurisprudentie op dat moment niet eenduidig was. Voor "intern overleg" is weliswaar in totaal 16,3 uur in rekening gebracht (zoals de raad terecht heeft vastgesteld) maar het betreft hier alleen de werkzaamheden van de advocaat met het laagste uurtarief (mr. P). Bovendien zijn die kosten terughoudend gedeclareerd. Over de communicatie met Grillroom C van in totaal 67,5 uur merkt verweerder op dat het gaat om een heftig en conflictueus dossier met een bodemprocedure, een kort-geding en onderhandelingen met een bedrijfsmatig opererende cliënt die de Nederlandse taal niet goed beheerste. Veel communicatie initiatieven hadden bovendien betrekking op informatieverzoeken en mededelingen van de cliënt. Ook voert verweerder aan dat BMR maandelijks op de hoogte is gesteld van alle feiten en omstandigheden die de complexiteit van de zaak en ook het (financieel) belang betroffen. BMR heeft nimmer tijdens de behandeling van de zaak een opmerking gemaakt over de hoogte van de declaraties.
8.21 Voorts stelt verweerder dat de raad ten onrechte voorbij is gegaan aan de vele feitelijke onjuistheden die in de klacht zijn aangevoerd.
8.22 De deken heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
8.23 Het hof is van oordeel dat verweerder ook in hoger beroep onvoldoende heeft
onderbouwd dat de zaak zodanig ingewikkeld was dat een inzet van drie advocaten gerechtvaardigd
was, ook als zij tezamen voor studie geen 9,4 uur maar 7,1 hebben gedeclareerd en
het intern overleg van 16,3 uur is gerekend tegen het laagste uurtarief. Het hof sluit
voor het overige aan bij de overwegingen van de raad die het hof tot de zijne maakt.
In hetgeen is aangevoerd, ziet het hof niet meer dan een herhaling van de door verweerder
eerder ingenomen standpunten, die door de raad reeds zijn besproken. In aanvulling
op de overwegingen van de raad heeft het hof zijdelings nog in aanmerking genomen
dat Grillroom C slechts een kleine onderneming is met een bescheiden jaaromzet. Mede
tegen die achtergrond bezien, beoordeelt het hof de declaraties van verweerder, met
of zonder BTW, als excessief. De omstandigheid dat verweerder naar aanleiding van
de beslissing van de raad een bedrag van € 20.404,47 heeft gecrediteerd doet aan de
laakbaarheid van het handelen van verweerder als zodanig niet af, maar zal door het
hof worden meegenomen bij de bepaling van de op te leggen maatregel.
8.24 Aan de stelling van verweerder dat de raad ten onrechte voorbij is gegaan
aan de vele feitelijke onjuistheden die in de klacht zijn aangevoerd, gaat het hof
bij gebrek aan enige onderbouwing voorbij.
Ten aanzien van klachtonderdeel 4: D H-V
8.25 Verweerder komt voorts op tegen het oordeel van de raad dat in het dossier D H-V excessief is gedeclareerd.
8.26 Verweerder voert daartoe, samengevat, het navolgende aan. Het geschil gaat over een onderdeel van een complexe A-B-C- of AB-BC-transactie met voortgezette exploitatierechten, waarbij verschillende rechtsgebieden (huurrecht, verbintenissenrecht en fiscaal recht) een rol speelden. lndien één onderdeel van die transactie niet of vertraagd tot stand zou komen, zou dit de totale A-B-C- of AB-BC-transactie in gevaar brengen. Daarbij komt dat alle werkzaamheden met betrekking tot de procedure onder hoge tijdsdruk en met grote nauwkeurigheid uitgewerkt dienden te worden. Het was mede voor de continuïteit van de dienstverlening niet verantwoord en ongebruikelijk dergelijke omvangrijke en complexe transactiedossiers door één advocaat te laten behandelen. Er is gestreefd naar een doelmatige behandeling van de zaak, het vermijden van een procedure en naar totstandkoming van de beoogde transactie. De dienstverlening is afgestemd op de eisen van D H-V. De declaraties kunnen niet geheel geabstraheerd van de dienstverlening worden beoordeeld. Daar komt in dit geval bij dat BMR iedere vorm van dekking heeft betwist en zich totaal niet heeft bemoeid met de aard en omvang van de dienstverlening. Het aan D H-V in rekening gebrachte bedrag is, alle omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder de grote financiële belangen, de forse risico's, de aard en de omvang van de werkzaamheden en de omstandigheden waaronder de werkzaamheden moesten worden verricht (hoge tijdsdruk) niet onredelijk.
8.27 De deken heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
8.28 Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van dit klachtonderdeel te komen dan de raad. In hetgeen is aangevoerd, ziet het hof niet meer dan een herhaling van de door verweerder eerder ingenomen standpunten, die door de raad reeds zijn besproken. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de raad en maakt die tot de zijne. Hetgeen verweerder nog heeft aangevoerd over de dienstverlening – buiten de processtukken om - plaatst de declaraties van verweerder naar het oordeel van het hof niet in een ander licht. Aan hetgeen verweerder heeft aangevoerd over de rol van BMR in dezen (die volgens verweerder geen dekking heeft willen verlenen, de declaraties dus niet heeft vergoed en mitsdien geen schade heeft geleden), gaat het hof, wat daar verder ook van zij, voorbij, aangezien het dekenbezwaar beoogt het algemeen belang te dienen dat advocaten niet excessief declareren.
Klachtonderdeel 5: kernwaarde financiële integriteit
8.29 Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit klachtonderdeel geen zelfstandige
betekenis toekomt, gelet op het oordeel van de raad dat er door verweerder excessief
is gedeclareerd.
8.30 De deken heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
8.31 Het hof heeft in het voorgaande vastgesteld dat verweerder in drie gevallen excessief heeft gedeclareerd aan zijn cliënten. Hiermee is een zorgwekkend patroon te constateren van stelselmatig teveel honorarium in rekening brengen, hetgeen een ander verwijt betreft dan de verwijten in de voorgaande klachtonderdelen. Voorts heeft te gelden dat verweerder in verleden ook al eens tuchtrechtelijk is bestraft terzake excessief declareren. Dat verweerder hierna stelselmatig in zijn laakbare gedrag heeft volhard maakt dat het hof de kernwaarde financiële integriteit in grove mate geschonden acht door verweerder. Het verweer faalt daarom.
Maatregel
8.32 Verweerder is van mening dat de raad ten onrechte heeft geoordeeld dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan een patroon van excessief declareren. Verweerder benadrukt ook dat hij zich de inhoud en de strekking van het arrest van het hof van 7 februari 2023 heeft aangetrokken. Ook is verweerder het dekenstandpunt met betrekking tot de betaling van € 21.452,76 gevolgd. Verweerder heeft dit bedrag gecrediteerd.
8.33 Op grond van hetgeen in 8.31 is overwogen faalt het betoog van verweerder dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan een patroon van excessief declareren. Dat verweerder een bedrag van € 21.452,76 heeft gecrediteerd is geen reden voor een minder zware maatregel dan de raad heeft opgelegd. Daarbij weegt het hof mee dat voor die creditering blijkbaar eerst een dekenvisie nodig was. Bovendien lijkt verweerder met zijn bewoordingen aan te geven dat de creditering niet intrinsiek van aard is maar is ingegeven door een rechterlijke uitspraak en de rechtskracht daarvan.
8.34 Bij de bepaling van de zwaarte van de maatregel heeft het hof uitdrukkelijk mede in aanmerking genomen dat zij in de gelijktijdig behandelde zaak betreffende de door de rechtsbijstandsverzekeraar tegen verweerder ingediende klacht de door de raad opgelegde maatregel handhaaft.
Slotsom
8.35 Het hof verwerpt de beroepsgronden van verweerder en zal de beslissing van de raad bekrachtigen zoals hierna vermeld.
9 PROCESKOSTEN
9.1 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd,
zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen
in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling
Hof van Discipline 2021:
a) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
b) € 1.000,- kosten van de Staat.
9.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
10 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
10.1 bekrachtigt de beslissing van 10 maart 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-796/DB/ZWB/D, voor zover aan het oordeel van hof onderworpen;
10.2 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs.
J. Steenbrink, A.E.H. van der Voort Maarschalk, J.A. Huijgen en R.N.E. Visser, leden,
in tegenwoordigheid van mr. A. Wijtzes, griffier, en in het openbaar uitgesproken
op 18 mei 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 18 mei 2026.