ECLI:NL:TAHVD:2026:156 Hof van Discipline 's Gravenhage 250119

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:156
Datum uitspraak: 18-05-2026
Datum publicatie: 20-05-2026
Zaaknummer(s): 250119
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Deze procedure betreft een klacht die is ingediend door klaagster en een andere klaagster, hierna aangeduid als klaagster respectievelijk klaagster sub 2 (hierna gezamenlijk: klaagsters). Samenhang met 250108D. De Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft klaagster sub 2 niet-ontvankelijk verklaard in alle klachtonderdelen. Daartegen is klaagster sub 2 niet opgekomen. De raad heeft geoordeeld dat verweerder in strijd met de kernwaarde (financiële) integriteit heeft gehandeld, omdat het door hem gedreven Advocatenkantoor, waarvan verweerder (middellijk) enig aandeelhouder en enig bestuurder is, excessief heeft gedeclareerd. De raad heeft verweerder een schorsing voor de duur van twaalf weken opgelegd. Verweerder komt van die beslissing in hoger beroep. Ook klaagster komt in hoger beroep.

Beslissing van 18 mei 2026
in de zaak 250119

naar aanleiding van het wederzijds hoger beroep van:


verweerder 

tegen:


klaagster   

gemachtigde: L. 

1    INLEIDING

1.1    Deze procedure betreft een klacht die is ingediend door klaagster en een andere klaagster, hierna aangeduid als klaagster respectievelijk klaagster sub 2 (hierna gezamenlijk: klaagsters). Samenhang met 250108D. De Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft klaagster sub 2 niet-ontvankelijk verklaard in alle klachtonderdelen. Daartegen is klaagster sub 2 niet opgekomen. De raad heeft geoordeeld dat verweerder in strijd met de kernwaarde (financiële) integriteit heeft gehandeld, omdat het door hem gedreven Advocatenkantoor, waarvan verweerder (middellijk) enig aandeelhouder en enig bestuurder is, excessief heeft gedeclareerd. De raad heeft verweerder een schorsing voor de duur van twaalf weken opgelegd. Verweerder komt van die beslissing in hoger beroep. Ook klaagster komt in hoger beroep.

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder en klaagster in beroep zijn gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  


2    DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1    De raad heeft in de zaak tussen klaagsters en verweerder (zaaknummer: 24-795/DB/ZWB) een beslissing gewezen op 10 maart 2025. In deze beslissing heeft de raad:

-    de klacht in alle onderdelen, voor zover deze is ingediend door klaagster sub 2, niet-ontvankelijk verklaard;
Voor wat betreft de klacht zoals die is ingediend door klaagster heeft de raad:
-    klachtonderdeel 1, voor zover het betrekking heeft op het dossier Grillroom C, ontvankelijk en gegrond verklaard en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard;
-    klachtonderdeel 2 ongegrond verklaard;
-    klachtonderdeel 3 ongegrond verklaard;
-    zich ter zake van klachtonderdeel 4 onbevoegd verklaard; 
-    aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van twaalf weken opgelegd;
-    verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:36 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Zowel verweerder als klaagster zijn in beroep gekomen van de beslissing van 10 maart 2025. Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 1 april 2025 ontvangen door de griffie van het hof. Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 7 april 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad; 
-    het verweerschrift van klaagster;
-    het verweerschrift van verweerder;
-    een e-mail van verweerder van 23 december 2025, met bijlagen.
  
2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 19 januari 2026, gelijktijdig met het hoger beroep van verweerder in de zaak met nummer 250108D. Verschenen zijn  mr. TH (namens klaagster), de gemachtigde van klaagster en verweerder. In de zaak met nummer 250108D is de deken verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 


3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2    Klaagster is de rechtsopvolger van klaagster sub 2, welke stichting enkel nog bestaat voor de afwikkeling van de voormalig door haar gedreven onderneming. Klaagster is een schaderegelingskantoor dat op grond van rechtsbijstandsverzekeringen de advocaatkosten van de door verzekerden gekozen advocaten vergoedt. 

3.3    Verweerder is enig bestuurder van F B.V., welke vennootschap enig aandeelhouder en enig bestuurder is van Advocatenkantoor B B.V., hierna: “het Advocatenkantoor”. 

3.4    Het Advocatenkantoor heeft in een drietal zaken rechtsbijstand verleend aan verzekerden die een beroep hebben gedaan op vergoeding van de advocaatkosten door klaagster dan wel klaagster sub 2.

Dossier HSS - UWV 

3.5    Het Advocatenkantoor heeft vanaf maart 2015 HSS bijgestaan in een geschil met het UWV over de WGA-uitkering van een (voormalig) werknemer. Verweerder en zijn kantoorgenoot mr. D hebben werkzaamheden verricht in het dossier. 

3.6    Het Advocatenkantoor heeft 21 bezwaarschriften en vier beroepschriften betreffende besluiten van het UWV ingediend, overleg gevoerd met HSS en gecorrespondeerd met klaagster sub 2, UWV en derden. Het Advocatenkantoor heeft in verband daarmee in de periode van maart 2015 tot en met juli 2016 aan klaagster sub 2 declaraties gestuurd voor een totaalbedrag van € 97.494,91. Klaagster sub 2 heeft een bedrag van € 44.426,78 aan het Advocatenkantoor voldaan. Klaagster sub 2 heeft de declaraties van het Advocatenkantoor nader onder de loep genomen en van het gedeclareerde bedrag van € 97.494,81 een bedrag van € 74.697,28 betwist. In de periode van augustus 2016 tot en met september 2017 heeft het Advocatenkantoor aan klaagster sub 2 elf declaraties gestuurd met een totaalbedrag van € 18.383,38. Deze declaraties zijn onbetaald gebleven. 

3.7    Het Advocatenkantoor heeft een gerechtelijke procedure jegens klaagster sub 2 aanhangig gemaakt ter incasso van de in de periode van maart 2015 tot en met augustus 2016 verzonden declaraties voor een totaalbedrag van € 97.494,91. Bij verstekvonnis van 2 november 2016 heeft de rechtbank klaagster sub 2 veroordeeld tot betaling aan het Advocatenkantoor van € 77.473,13, vermeerderd met de contractuele rente en met de wettelijke rente, en in de proceskosten. Ter uitvoering van het verstekvonnis heeft klaagster sub 2 in aanvulling op het reeds betaalde bedrag van € 44.426,78 een bedrag van € 80.654,48 betaald aan hoofdsom, rente en kosten. 

3.8    Klaagster sub 2 is in verzet gekomen en heeft een eis in reconventie ingesteld. In het eindvonnis in verzet van 30 augustus 2017 heeft de rechtbank de proceskostenveroordeling aangepast en het verstekvonnis voor het overige bekrachtigd. De vorderingen in reconventie zijn afgewezen. 

3.9    Klaagster sub 2 heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Bij tussenarrest van 17 september 2019 heeft het hof een aantal knopen doorgehakt en overwogen dat het voor het overige behoefte heeft aan deskundige voorlichting. Bij tussenarrest van 8 september 2020 heeft het hof vervolgens geoordeeld dat:

- tussen partijen een overeenkomst van opdracht is overeengekomen;

- de opdracht inhoudt om HSS bij te staan in haar geschil met UWV over de uitkering aan een van haar (ex-)werknemers;

- het uurtarief € 260,-- per uur bedraagt;

- voor het overige aansluiting moet worden gezocht bij wat in de advocatuur gebruikelijk is;

- de algemene voorwaarden van het Advocatenkantoor niet van toepassing zijn;

- het Advocatenkantoor zich bij verhaalsbesluiten 1 tot en met 8 had moeten beperken tot pro forma bezwaar;

- geen opdracht meer bestaat voor bezwaar tegen verhaalsbesluit 9 en volgende;

- klaagster sub 2 de overeenkomst van opdracht niet rechtsgeldig heeft ontbonden;

- werkzaamheden die geen betrekking hebben op de inhoudelijke behandeling van het geschil tussen HSS en klaagster sub 2, maar zien op het geschil over de opdrachtverstrekking en het niet voldoen van de (volledige) rekening, niet in rekening kunnen worden gebracht;

- bij de beoordeling van de redelijkheid van de in rekening gebrachte declaraties in aanmerking moet worden genomen dat het in deze zaak om een zeer beperkt financieel belang (van HSS) gaat, omdat HSS ten aanzien van het hier aan de orde zijnde eigenrisicodragerschap een verzekering heeft afgesloten. 

3.10    Bij tussenarrest van 8 september 2022 heeft het hof mr. S (verder: de deskundige) als deskundige benoemd en haar verzocht de declaraties van het Advocatenkantoor te beoordelen en met in achtneming van voornoemde uitgangspunten te adviseren welk salaris redelijk is.

3.11    Op 12 augustus 2021 heeft de deskundige haar advies uitgebracht. Hierin staat onder meer het volgende:

“ DE BEVINDINGEN 
Algemeen 
Mede gelet op het feit dat het om een gering financieel belang gaat, acht ik het niet gerechtvaardigd om met twee advocaten tegen het volle tarief van € 260,00 aan zo'n zaak te werken en zeker niet om de door beiden bestede tijd zonder enige matiging door te berekenen. In de onderhavige zaak is zowel door [verweerder] als door [mr. D, kantoorgenoot van verweerder] aan dezelfde stukken gewerkt (zowel correspondentie als processtukken), hebben beiden gezamenlijk telefoongesprekken gevoerd en is door [mr. D] tijd genoteerd voor intern overleg met [verweerder]. De hierdoor ontstane dubbele uren en de tijd die is genoteerd voor intern overleg zal ik hierna in mindering brengen. Het spreekt voor mij verder voor zich dat — ook los van de opdracht van het gerechtshof — tijd besteed aan discussie over de aan de advocaat verstrekte opdracht in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking komt en tijd besteed aan discussie over declaraties in geen geval mag worden doorberekend. De in het onderhavige dossier aan deze zaken bestede tijd is ongelimiteerd tot en met het opstellen van de dagvaarding voor de procedure tegen [klaagster sub 2] genoteerd en doorberekend en zal dan ook in mindering worden gebracht. Het gerechtshof heeft zich er niet over uitgelaten of [het Advocatenkantoor] op het uurtarief een kostenopslag van 6% in rekening mocht brengen. Aangezien het in rekening brengen van een kostenopslag van 5 of 6% in de advocatuur niet ongebruikelijk is en SRK bij de bezwaren tegen de declaraties van [het Advocatenkantoor] niet heeft geprotesteerd tegen deze kostenopslag, beschouw ik de kostenopslag als acceptabel. (…) 
De door [het Advocatenkantoor] aan SRK gezonden rentenota van 12 juni 2015 laat ik buiten beschouwing, nu geen contractuele rente is overeengekomen." 

Hierna volgt een beoordeling per declaratie van de redelijkheid van de in rekening gebrachte bedragen. Bij de beoordeling van de declaratie van oktober 2015 staat onder meer het volgende: 

“Op 7 september zijn van UWV twee beslissingen op bezwaar ontvangen. Het betreft een beslissing met betrekking tot de toekenning van de uitkering en de overdracht en een beslissing met betrekking tot de bezwaarschriften terzake verhaal en terugbetaling. In de tweede beslissing wordt met name verwezen naar de eerste beslissing. (…) Terzijde merk ik op dat uit het dossier blijkt dat de cliënte wel akkoord wilde gaan met het instellen van beroep, voor zover de kosten door [klaagster sub 2] gedragen zouden worden. De cliënte was immers verzekerd voor de bedragen die door UWV in rekening werden gebracht. Verder stelde [klaagster sub 2] in verband met de dekking voor het beroep uitdrukkelijk de - niet onterechte - vraag of er wel een redelijke kans van slagen aanwezig was. Ik verwijs in dit kader naar de voor de advocaat geldende regelgeving in Advocatenwet, Gedragsregels 1992 en tuchtrechtelijke jurisprudentie. In het bijzonder denk ik dan aan de zorgvuldigheid die van een advocaat verwacht wordt bij het behartigen van de belangen van zijn cliënt, de rekening die hij moet houden met de belangen van derden (in dit geval [klaagster sub 2]), de regel dat hij een redelijk honorarium in rekening moet brengen en de regel dat hij moet voorkomen onnodige kosten te maken. Omdat het belang van de cliënte bij de gevoerde procedures beperkt was (financieel grotendeels afwezig) en de niet geringe declaraties door [klaagster sub 2] moesten worden voldaan, had naar mijn oordeel de ontvangst van de afwijzende besluiten van UWV voor [het Advocatenkantoor] aanleiding moeten zijn om met de cliënte te bespreken of het niet beter zou zijn om het verlies te nemen en af te zien van verdere stappen. Maar evengoed realiseer ik me dat dit niet is gebeurd en dat [klaagster sub 2] heeft ingestemd met verdere stappen. (…) 

De beoordeling van de declaraties leidt de deskundige vervolgens tot de conclusie dat het Advocatenkantoor in redelijkheid een bedrag van € 22.974,02 aan klaagster sub 2 in rekening had mogen brengen. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

-    Honorarium (67,9 uur a € 260) € 17.654,-
-    6% kantoorkosten € 1.059,24 
-    btw 21% € 3.929,78 
-    griffierecht € 331,00 

Totaal verschuldigd door klaagster sub 2 € 22.974,02. 

3.12    Bij eindarrest van 7 februari 2023 heeft het hof het vonnis in verzet van 30 augustus 2017 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het verstekvonnis van 2 november 2016 vernietigd, de vorderingen van het Advocatenkantoor afgewezen, het Advocatenkantoor veroordeeld tot terugbetaling aan klaagster sub 2 van een bedrag van € 80.654,48, vermeerderd met de wettelijke rente, en het Advocatenkantoor veroordeeld in de proceskosten. Het hof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

“7.6 Het hof blijft bij wat het heeft overwogen en beslist in zijn eerdere tussenarresten. Dit betekent dat de deskundige terecht is uitgegaan van een uurtarief van € 260,-- zonder indexering en terecht ervan is uitgegaan dat geen contractuele rente en of buitengerechtelijke kosten zijn overeengekomen. De algemene voorwaarden van [het Advocatenkantoor] zijn immers niet van toepassing. 
7.7 Ook heeft de deskundige terecht een beperkt financieel belang van HSS als uitgangspunt genomen. Het mag zo zijn dat het feitelijk financiële belang van de uitkering fors is, vaststaat dat dit niet voor rekening van HSS komt. Dat [klaagster sub 2] aan [het Advocatenkantoor] de opdracht heeft verstrekt naast de belangen van HSS, die van [naam] en/of haar eigen belang te behartigen is gesteld noch gebleken. Voor zover [het Advocatenkantoor] heeft bedoeld dit verweer in haar memorie na deskundigenbericht alsnog te voeren, dan wel te betogen dat de opdracht dit meebracht, is dit tardief. De tweeconclusieregel staat hieraan in de weg. Ook het beroep van [het Advocatenkantoor] op de (geschonden) klachtplicht is tardief en bovendien ongegrond. De voorliggende kwestie heeft geen betrekking heeft op een gebrek in de door [het Advocatenkantoor] geleverde prestatie, maar op het honorarium dat [het Advocatenkantoor] in redelijkheid bij [klaagster sub 2] in rekening mocht brengen. 
7.8 Terecht heeft de deskundige als uitgangspunt genomen dat de in het geding zijnde zaak niet zodanig ingewikkeld is, dat deze een inzet van twee (naar, op basis van het uurtarief mag worden aangenomen) goed ingevoerde advocaten rechtvaardigt. Het mag zo zijn dat de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen door vakbonden als "onbegrijpelijk" is aangemerkt, dat betekent niet dat iedere zaak gebaseerd op deze wet daarom complex is. De omvang van het dossier – mede in aanmerking genomen dat deze uit vele dubbelingen bestaat – is ook geen indicatie van de ingewikkeldheid. Deze omvang verklaart overigens wel mede de uren die de deskundige heeft besteed aan het bestuderen van het dossier ten behoeve van haar advies. De stelling van [het Advocatenkantoor] dat [klaagster sub 2] heeft ingestemd met inzet van twee advocaten doet aan het voorgaande niet af. Niet duidelijk is dat [het Advocatenkantoor] hierbij refereert aan iets anders dan de opdrachtbevestiging van [klaagster sub 2] van 11 mei 2015, maar zoals het hof in zijn tussenarrest van 17 september 2019 heeft overwogen beheerst die opdrachtbevestiging niet de opdracht. Voor zover [het Advocatenkantoor] mocht hebben bedoeld dat [klaagster sub 2] dat aspect uit die opdrachtbevestiging op zichzelf heeft aanvaard, ziet het hof geen ruimte voor een andere beoordeling gelet op alle voor [het Advocatenkantoor] ongunstige aspecten die in diezelfde opdrachtbevestiging zijn opgenomen en waartegen [het Advocatenkantoor] zich verzet. Daaronder bevindt zich onder meer de voorwaarde dat intern overleg niet wordt vergoed. De enkele omstandigheid dat [klaagster sub 2] in de verzetdagvaarding een door haar in voorkomend geval wel gebezigd toetsingskader heeft aangehaald waarin intern overleg niet wordt uitgesloten (maar “kritisch wordt bekeken”), maakt dit alles niet anders. 
7.9 Naar het oordeel van het hof heeft de deskundige haar werkwijze, haar bevindingen en haar conclusie voldoende inzichtelijk gemaakt en onderbouwd. Zij is daarbij uitgegaan van de juiste kaders. Hierbij verdient nog het volgende aantekening. 
- De door [het Advocatenkantoor] in haar antwoordmemorie na deskundigenbericht aangevoerde argumenten (omvangrijk onderliggend dossier, uitgebreid deskundigenbericht, geen bezwaar wederpartij, procedure liep toch al lang) behoefden de deskundige geen aanleiding te geven om een langere reactietermijn dan vier weken te geven op het concept van haar rapport.
- [het Advocatenkantoor] stelt dat de deskundige ten onrechte rapporteert dat bepaalde brieven in het dossier niet zijn aangetroffen; het gaat daarbij volgens [het Advocatenkantoor] om de brieven die zij heeft overgelegd als producties 10-14 bij zijn antwoordmemorie na deskundigenbericht. Die maakten volgens haar wel deel uit van het door de deskundige beoordeelde dossier. Verder stelt [het Advocatenkantoor] dat de deskundige bepaalde in mei 2015 geschreven uren ten onrechte heeft aangemerkt als “geschil [klaagster sub 2]” (en daarom heeft gediskwalificeerd). Van deze kwesties had [het Advocatenkantoor] evenwel geen punt gemaakt in haar reactie op het concept van het deskundigenbericht, terwijl gesteld noch gebleken is dat de passages waarop zij haar kritiek richt in het concept nog niet voorkwamen. Het is daarom in strijd met de goede procesorde dat zij in haar antwoordmemorie na (het definitieve) deskundigenbericht deze kwesties c.q. de redelijkheid van de hiervoor geschreven tijd alsnog ter beoordeling aan het hof voorlegt. Overigens bedraagt die (telkens) geschreven tijd per declaratie veel minder dan het verschil tussen wat de deskundige redelijk heeft geoordeeld en wat volgens het hof verschuldigd blijft (hierna, 7.11), zodat de bezwaren van [het Advocatenkantoor] ook om die reden niet tot een andere beslissing kunnen leiden. 
- Voor zover [het Advocatenkantoor] zich in haar antwoordmemorie na deskundigenbericht op het standpunt heeft gesteld dat de deskundige voor bepaalde werkzaamheden ten onrechte minder tijd (honorarium) redelijk heeft geoordeeld dan de geschreven tijd, had het op haar weg gelegen om dat specifieker te onderbouwen, met concrete verwijzing naar stukken en de vindplaatsen daarvan.
7.10 Dit betekent dat het hof de conclusie van de deskundige – op de door [het Advocatenkantoor] geconstateerde cijfermatige fout van 0,3 uur bij de declaratie van 15 april 2015 na – onderschrijft en tot uitgangspunt neemt voor zijn oordeel. Het hof slaat geen acht op de declaraties van [het Advocatenkantoor] waarop zij zich voor het eerst in haar antwoordmemorie na deskundigenbericht (p. 21) heeft beroepen. [het Advocatenkantoor] stelt dat de som van deze declaraties (€ 24.431,46) “dient te worden betrokken in de beoordeling van de eis in conventie”. Voor het hof is niet duidelijk wat [het Advocatenkantoor] daarmee bedoelt. Voor de reconventie beroept [het Advocatenkantoor] zich op verrekening. Daaraan wordt niet toegekomen, omdat het hof de vordering in reconventie zal afwijzen. Voor zover [het Advocatenkantoor] mocht hebben bedoeld met deze declaraties de grondslag van haar vordering in conventie aan te vullen en/of door middel van verrekening aanvullend verweer te voeren tegen de vordering van [klaagster sub 2] tot terugbetaling van wat zij uit hoofde van het bestreden vonnis aan [het Advocatenkantoor] heeft voldaan, is dat in strijd met de tweeconclusieregel. 
7.11 Dit een en ander betekent dat het hoger beroep van [klaagster sub 2] in zoverre slaagt. [Klaagster sub 2 is, gelet op het gedeelte van de declaraties dat zij voor zij werd gedagvaard al had goedgekeurd en betaald, ter zake van de opdracht niets meer aan [het Advocatenkantoor] verschuldigd. De inleidende vordering van [het Advocatenkantoor] zal worden afgewezen. Het bedrag dat [klaagster sub 2] op basis van het bestreden vonnis heeft betaald is onverschuldigd betaald. Dit bedrag zal [het Advocatenkantoor] moeten terugbetalen. 
7.12 De reconventionele vordering tot terugbetaling van meer dan dat is niet toewijsbaar. Weliswaar heeft de deskundige een lager bedrag dan al door [klaagster sub 2] is voldaan redelijk geacht, maar dat neemt niet weg dat [klaagster sub 2]– voorafgaande aan deze procedure – de redelijkheid van de facturen van [het Advocatenkantoor] heeft beoordeeld en deze (onvoorwaardelijk) tot een bedrag van € 44.426,78 heeft geaccordeerd en betaald. Hiervan kan [klaagster sub 2] als professionele partij niet terugkomen. Het bedrag van € 44.426,78 is daarom niet (gedeeltelijk) onverschuldigd betaald. Van een andere grond op basis waarvan [het Advocatenkantoor] gehouden is dit bedrag terug te betalen is niet gebleken. De overeenkomst is – zoals het hof heeft geoordeeld in zijn tussenarrest van 8 september 2020 – immers niet rechtsgeldig ontbonden. 
7.13 De door [klaagster sub 2] gevraagde verklaringen voor recht zijn – zoals eveneens volgt uit dat tussenarrest – niet toewijsbaar.” 

3.13    Op 9 maart 2023 heeft verweerder aan klaagsters een conceptdagvaarding gepresenteerd, waarin betaling wordt gevorderd van de elf in de periode van augustus 2016 tot en met september 2017 verzonden declaraties, zijnde declaraties die buiten de gerechtelijke procedure waren gebleven en ook niet door de deskundige waren beoordeeld. Partijen hebben onderhandeld over een minnelijke regeling. Op 3 mei 2023 hebben klaagster(s) en het Advocatenkantoor een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarmee het civielrechtelijke geschil tussen klaagster(s) en het Advocatenkantoor over de declaraties in het dossier HSS tot een einde is gekomen. In de vaststellingsovereenkomst is vastgelegd dat het Advocatenkantoor tegen finale kwijting over en weer een bedrag betaalt van € 90.000,00.

Dossier Grillroom C 

3.14    Het Advocatenkantoor heeft Grillroom C bijgestaan in een geschil rondom de huur van bedrijfsruimte, waarin achterstallig onderhoud en een verzoek om huurprijsverlaging aan de orde waren. In dit dossier hebben naast verweerder mrs. SP en P (eveneens werkzaam bij het Advocatenkantoor) werkzaamheden verricht. Verweerder en mr. SP hanteerden een uurtarief van € 275,00 en mr. P een uurtarief van € 225,00. Het Advocatenkantoor heeft de wederpartij in kort geding gedagvaard. De vordering in kort geding is afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. Het Advocatenkantoor heeft een bodemprocedure jegens de wederpartij aanhangig gemaakt die is geroyeerd op grond van tussen partijen gemaakte afspraken. Het Advocatenkantoor heeft werkzaamheden verricht rondom de nakoming van die afspraken. Over de periode januari 2021 tot en maart 2023 zijn 345,9 uren gedeclareerd, resulterend in een bedrag van € 110.241,25, inclusief BTW. Het Advocatenkantoor heeft 16,6 uren gecrediteerd. 

Dossier D H-V 

3.15    Het Advocatenkantoor heeft D H-V bijgestaan in een geschil rondom de nakoming van een onroerende zaak transactie. In dit dossier hebben naast verweerder mrs. SA en H (eveneens werkzaam bij het Advocatenkantoor) werkzaamheden verricht in het dossier. Zij hebben allen een uurtarief van € 330,00 gehanteerd. Het Advocatenkantoor heeft de wederpartij in kort geding gedagvaard en ten laste van de wederpartij beslag conservatoir gelegd. De wederpartij is voorafgaand aan de zitting overgegaan tot nakoming. Over de periode 5 tot en met 19 juni 2023 zijn 58 uren gedeclareerd, resulterend in een bedrag van € 23.945,90. Klaagsters hebben deze declaraties niet voldaan. 

3.16     Op 4 december 2023 hebben klaagsters tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.

3.17     Op 25 september 2024 heeft de deken een dekenstandpunt geformuleerd. De deken heeft onder meer het volgende overwogen: 

“Het gerechtshof heeft op 7 februari 2023 geoordeeld dat het bedrag van € 21.452,76 teveel is betaald, maar verplicht [verweerder] niet tot terugbetaling omdat uw cliënte de facturen voorafgaand aan de procedure heeft geaccordeerd en daar als professionele partij niet op terug kan komen. Dit is een civielrechtelijke beslissing. Civielrecht en tuchtrecht behoeven niet tot eenzelfde uitkomst te lieden. De gedragsregels verplichten een advocaat tot integer handelen en dragen de advocaat op om een redelijk honorarium in rekening te brengen. In de onderhavige kwestie weet de advocaat dat hij een bedrag onder zich houdt, dat hem niet toekomt. Hij weet ook dat door een deskundige is geoordeeld dat meer is gedeclareerd dan redelijk wordt geacht. Van een advocaat, die weet dat hij een te hoog bedrag heeft ontvangen mag naar mijn mening worden verwacht dat hij dat bedrag terugbetaalt, ook als hij daartoe wettelijk of civielrechtelijk niet wordt verplicht. Ik acht het behouden van een bedrag waarop je geen aansprak had mogen maken in strijd met de (financiële) integriteit. Dat er tussen partijen later ene vaststellingsovereenkomst is gesloten, doet daar niet aan af. Die overeenkomst heeft immers alleen de civielrechtelijke van de declaraties geregeld. Al met al meen ik dat [verweerder] niet heeft gehandeld zoals van een behoorlijk handelend advocaat verwacht mag worden. Een behoorlijk handelend advocaat behoudt niet wat hem niet toekomt. Ook dit onderdeel van uw klacht komt mij gegrond voor.” 

3.18    Op 4 november 2024 heeft de deken een dekenbezwaar en een vordering ex artikel 48e Advocatenwet bij de raad ingediend. 

3.19     Op 8 november 2024 heeft verweerder een bedrag van € 21.452,76 voldaan aan klaagster.

4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

1.    in de dossiers HSS, Grillroom C en D H-V excessief heeft gedeclareerd; 

2.    geen lering heeft getrokken uit het in 3.12 bedoelde arrest van het hof en sprake is van een patroon van excessief declareren;

3.    […];

4.    […].

5    OMVANG HOGER BEROEP

5.1    Uit het beroepschrift van verweerder volgt dat zijn hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de raad over de ontvankelijkheid van de klacht van klaagster alsmede tegen de (gedeeltelijke) gegrondverklaring door de raad van klachtonderdeel 1. Verweerder komt ook op tegen de maatregel.

5.2    Uit het beroepschrift van klaagster volgt dat haar hoger beroep is gericht tegen klachtonderdeel 1, voor zover dat door de raad niet-ontvankelijk is verklaard, alsmede tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 2. 

5.3    Het hof zal zich in zijn beoordeling hiertoe beperken.  

6    BEOORDELING RAAD

6.1    De raad heeft, voor zover in hoger beroep van belang, het navolgende overwogen.

Ontvankelijkheid

6.2    Verweerder heeft verschillende ontvankelijkheidsverweren gevoerd. De raad zal deze verweren hierna beoordelen.

Eigen belang

6.3    Verweerder heeft het verweer gevoerd dat klaagsters geen eigen belang hebben bij de klacht en om die reden niet in de klacht kunnen worden ontvangen. De raad overweegt als volgt. Het klachtrecht is niet in het leven geroepen voor een ieder, doch slechts voor degene die door een handelen of nalaten van een advocaat in zijn belang getroffen is of kan worden. Voor zover in het algemeen belang een tuchtrechtelijke toetsing is vereist, wordt het klachtrecht uitgeoefend door de deken. Vast staat dat klaagster (door de raad aangeduid als klaagster sub 1) de rechtsopvolger is van klaagster sub 2, die (ook blijkens het overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel) enkel nog bestaat ter afwikkeling van de voormalige onderneming. De raad is van oordeel dat uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht niet is gebleken van een rechtstreeks eigen belang van klaagster sub 2. De raad zal de klacht, voor zover deze is ingediend door klaagster sub 2, daarom niet-ontvankelijk verklaren. Voor zover de klacht is ingediend door klaagster sub 1, is deze wel ontvankelijk. Klaagster sub 1 heeft als partij voor wiens rekening de declaraties zijn gebracht immers een rechtstreeks belang bij de klacht. Hetgeen verweerder heeft gesteld (en door klaagster is betwist) over het -vermeende- motief om te klagen maakt dit niet anders.

Verweerder in zijn hoedanigheid van bestuurder

6.4    De klacht richt zich tegen verweerder in zijn hoedanigheid van advocaat, maar ook in zijn hoedanigheid van enig bestuurder van F B.V. Verweerder heeft het verweer gevoerd dat hij niet tuchtrechtelijk kan worden aangesproken voor de declaraties die door Advocatenkantoor B B.V., en niet door hem persoonlijk, zijn verzonden. De raad overweegt als volgt. Vast staat dat verweerder enig bestuurder is van F B.V., welke vennootschap enig aandeelhouder en enig bestuurder is van Advocatenkantoor B B.V. De opdrachten tot het verlenen van rechtsbijstand aan cliënten worden steeds aanvaard door Advocatenkantoor B B.V. en de declaraties worden eveneens verzonden en geïnd door Advocatenkantoor B B.V. Verweerder draagt als (middellijk) enig aandeelhouder en enig bestuurder van Advocatenkantoor B B.V. tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid voor door het advocatenkantoor verzonden en geïnde declaraties, ook als de dossiers waarin de declaraties zijn verzonden (mede) zijn behandeld door een of meerdere kantoorgeno(o)t(en). Klaagster sub 1 kan op grond van het voorgaande worden ontvangen in de klacht tegen verweerder in zijn hoedanigheid van (middellijk) enig aandeelhouder en enig bestuurder.

Vaststellingsovereenkomst

6.5    Verweerder heeft het verweer gevoerd dat klaagsters niet in de klacht kunnen worden ontvangen omdat partijen ter beëindiging van het geschil op 3 mei 2023 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, zodat klaagsters geen klachtrecht meer toekomt. De raad overweegt als volgt. Dat een civielrechtelijk geschil tot een einde is gekomen, bijvoorbeeld middels het sluiten van een vaststellingsovereenkomst, staat niet in de weg aan het indienen van een klacht. Dat klaagsters in de onderhavige vaststellingsovereenkomst afstand hebben gedaan van het recht om een klacht in te dienen is gesteld noch gebleken. Het enkele feit dat een vaststellingsovereenkomst is gesloten staat naar het oordeel van de raad dan ook niet aan de ontvankelijkheid in de weg.

Artikel 46g Advocatenwet 

6.6    Verweerder heeft het verweer gevoerd dat klaagsters niet in de klacht kunnen worden ontvangen omdat de daarvoor geldende termijn is verstreken. De raad overweegt dat ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet een klacht niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het klaagschrift wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het nalaten of handelen van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft.

6.7    Klaagsters hebben zich op 4 december 2023 met een klacht over verweerder tot de deken gewend. Dat klaagsters niet in staat waren om eerder te klagen dan zij hebben gedaan, is naar het oordeel van de raad niet aannemelijk geworden. De raad volgt klaagsters niet in de stelling dat zij eerst over de in de kwestie HSS verzonden declaraties konden klagen na kennisname van het deskundigenrapport d.d. 23 augustus 2021. Klaagster sub 2 heeft zich reeds in 2016 tegen betaling van de declaraties verzet omdat zij het niet eens was met de omvang daarvan en kon daarover reeds toen klagen. Dit betekent dat de klacht, voor zover deze ziet op het handelen of nalaten van verweerder van voor 4 december 2020, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk is. 

6.8    Klaagster heeft subsidiair zich voor wat betreft de klacht over de in de kwestie HSS verzonden declaraties op het standpunt gesteld dat de gevolgen van de door het Advocatenkantoor verzonden declaraties eerst op 7 mei 2023, zijnde de datum waarop het eindarrest van het Hof van 7 februari 2023 onherroepelijk is geworden, bekend zijn geworden en heeft een beroep gedaan op de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bepaalde uitzondering. 

6.9    De raad overweegt als volgt. Artikel 46g lid 2 Advocatenwet bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet bedoelde termijn ingediende klacht niet-ontvankelijk verklaring op grond daarvan achterwege blijft indien de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. De door klaagsters gestelde omstandigheid dat het civielrechtelijk oordeel over de verschuldigdheid van de declaraties eerst op 7 mei 2023 onherroepelijk is geworden, maakt naar het oordeel van de raad niet dat klaagster een beroep op de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bepaalde uitzondering toekomt. Een onherroepelijk civielrechtelijk oordeel is namelijk geen voorwaarde voor de mogelijkheid een tuchtklacht in te dienen. Klaagster sub 2 heeft zich reeds in 2016 tegen betaling van de declaraties verzet omdat zij het niet eens was met de omvang daarvan en kon daarover reeds toen klagen. Klaagsters zijn er kortom niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de gevolgen van het vermeende handelen of nalaten van verweerder in de kwestie HSS pas na het verstrijken van de in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet genoemde termijn bekend zijn geworden.

6.10    Voor zover de klacht betrekking heeft op het optreden van verweerder van voor 4 december 2020, zal de raad de klacht op grond van het voorgaande met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk verklaren.

Beoordeling klacht

Klachtonderdeel 1 

Grillroom C 

6.11    Verweerder wordt verweten dat hij in de kwestie Grillroom C excessief heeft gedeclareerd. De declaraties in dit dossier zijn verzonden in de periode van januari 2021 tot en met maart 2023, zodat tijdig is geklaagd.

6.12    De tuchtrechter toetst het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven betamelijkheidsnorm. Daarbij betrekt de tuchtrechter onder meer de kernwaarde (financiële) integriteit zoals omschreven in artikel 10a lid 1 onder d Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, vanwege het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn (direct of analoog). Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld (zie HvD 23 april 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:77).

6.13    De raad stelt voorop dat advocaten gehouden zijn tot nauwgezetheid en zorgvuldigheid in financiële aangelegenheden en ook financieel integer moeten handelen. Een advocaat moet bij het vaststellen van zijn declaratie een, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijk honorarium in rekening brengen (gedragsregel 17 lid 1). De tuchtrechter waakt tegen excessief declareren. Of een declaratie als excessief moet worden aangemerkt, hangt af van alle omstandigheden van het geval. Of elk onderdeel van een urenspecificatie – naar civiel recht gemeten – voor toewijzing in aanmerking komt staat niet ter beoordeling van de tuchtrechter. Waar het op aankomt is of het totaal van de declaraties als tuchtrechtelijk verwijtbaar excessief kan worden aangemerkt.

6.14    Verweerder heeft het verwijt dat het Advocatenkantoor excessief heeft gedeclareerd, weersproken. Verweerder heeft in dat verband gesteld dat het geen eenvoudige zaak was, maar heeft die stelling naar het oordeel van de raad onvoldoende onderbouwd. Uit de overgelegde stukken is naar het oordeel van de raad geenszins gebleken dat de zaak zodanig ingewikkeld was, dat deze een inzet van drie (naar, op basis van het uurtarief mag worden aangenomen) goed ingevoerde advocaten rechtvaardigde. In dat licht is het aantal voor “studie” (9,4 uur) en het voor “intern overleg” (16,3 uur) gedeclareerde uren, mede gelet op de ervaring van de betrokken advocaten en de gehanteerde uurtarieven, naar het oordeel van de raad bovenmatig. Uit de overgelegde stukken blijkt voorts dat 67,5 uur is gedeclareerd ter zake de communicatie met de cliënt. Bij gebreke van een toereikende onderbouwing van de noodzaak van zoveel cliëntencontact, die niet is gegeven, valt niet in te zien dat het in de onderhavige kwestie redelijk was om 67,5 uren aan de communicatie te spenderen. Dat de cliënt de Nederlandse taal niet goed machtig was heeft naar het oordeel van de raad niet te gelden als een toereikende verklaring voor zoveel cliëntencontact. Ook het door verweerder gestelde tegenwerken door de wederpartij heeft verweerder naar het oordeel van de raad onvoldoende geconcretiseerd. Het had op de weg gelegen van verweerder om met concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen dat en waarom het in rekening brengen van een bedrag van € 110.241,25 in deze zaak gerechtvaardigd was. De hoogte van de declaraties komt de raad alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder de complexiteit en het financieel belang van de zaak, bovenmatig voor. De raad oordeelt op grond van het voorgaande dat in het dossier Grillroom C excessief door het Advocatenkantoor is gedeclareerd. Omdat de werkzaamheden en het verzenden en innen van de declaraties hebben plaatsgevonden onder de verantwoordelijkheid van verweerder draagt hij hiervoor tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid. In zoverre is klachtonderdeel 1 gegrond.

D H-V 

6.15    Verweerder wordt verweten dat hij in de kwestie D H-V excessief heeft gedeclareerd. De declaraties in dit dossier zijn verzonden in juni 2023 zodat tijdig is geklaagd. Vast staat dat in deze zaak geen dekking is verleend en dat klaagster sub 1 deze declaraties niet heeft voldaan. De raad is daarom van oordeel dat niet is gebleken van een eigen belang van klaagster sub 1 bij dit onderdeel van de klacht. Immers, niet is gebleken dat klaagster sub 1 door de hoogte van de declaraties in haar belangen is geschaad. Voor zover klachtonderdeel 1 betrekking heeft op de in het dossier D H-V verzonden declaraties, is de klacht dan ook niet-ontvankelijk.

Klachtonderdeel 2 

6.16    De raad is in het kader van de onderhavige klachtzaak tot het oordeel gekomen dat in het dossier Grillroom C excessief is gedeclareerd. Omdat de in het dossier Grillroom C verzonden declaraties zijn verzonden voordat het Hof eindarrest heeft gewezen, kan naar het oordeel van de raad binnen het bestek van de onderhavige klachtzaak niet van het door klaagsters verweten “patroon van excessief declareren” worden gesproken. De raad is van oordeel dat de conclusie dat verweerder geen lering heeft getrokken uit het arrest op basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht evenmin gerechtvaardigd is. Klachtonderdeel 2 is derhalve ongegrond. 

MAATREGEL 

6.17    Ten aanzien van de maatregel heeft de raad het navolgende overwogen. 

6.18    Verweerder heeft gehandeld in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarde (financiële) integriteit. Met het handelen van verweerder is het vertrouwen in de advocatuur geschaad. De aard en ernst hiervan rechtvaardigen daarom de oplegging van een zware maatregel. Bij de bepaling van de op te leggen maatregel weegt de raad de specifieke in de onderhavige klachtzaak aan de orde zijnde feiten en omstandigheden mee alsook het feit dat verweerder reeds meerdere malen tuchtrechtelijk is veroordeeld, waaronder wegens excessief declareren. Uit de houding van verweerder, ook in deze procedure, is op te maken dat hij zich maar moeilijk laat sturen door het tuchtrecht. Ook weegt de raad mee dat verweerder met zijn houding ter zitting niet of slechts in zeer beperkte mate blijkt heeft gegeven van inzicht in het kwalijke van zijn handelen. De raad leidt dit onder meer af uit de stelling van verweerder dat hij het niet eens is met het (onherroepelijke) arrest van het hof van 7 februari 2023 en dat hij daarbij ook geen partij is. Het moge zo zijn dat verweerder bij de gerechtelijke procedure die heeft geleid tot het arrest van het hof van 7 februari 2023 in persoon geen procespartij was, maar het door hem gedreven Advocatenkantoor, waarvan verweerder (middellijk) enig aandeelhouder en enig bestuurder is, was dat wel, zodat verweerder zich de inhoud en strekking van het arrest zou moeten aantrekken. De raad acht in dezen een schorsing voor de duur van twaalf weken passend en geboden.


7    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder en klaagster

7.1 De stellingen die verweerder en klaagster aan zijn respectievelijk haar beroep ten grondslag hebben gelegd, zullen hierna, voor zover van belang, worden besproken.

Verweer in hoger beroep

7.2 Klaagster respectievelijk verweerder hebben gemotiveerd verweer gevoerd in het over en weer ingestelde beroep. Waar dit relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

8    BEOORDELING HOF

Maatstaf

8.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

Excessief declareren

8.2    De kernwaarde (financiële) integriteit brengt met zich dat een advocaat bij de uitoefening van zijn beroep integer moet handelen en zich moet onthouden van handelen dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De advocaat dient als lid van een door de wet bijzonder gepositioneerde beroepsgroep bij te dragen aan de integriteit van zijn beroepsgroep. Integere beroepsuitoefening is essentieel om de bijzondere positie van de advocaat te legitimeren en het vertrouwen in de beroepsgroep te waarborgen. Integer wil zeggen dat de advocaat boven de zaak staat, hij belangenverstrengelingen tegengaat en zich kan verantwoorden voor zijn keuzes, gegeven zijn geprivilegieerde rol binnen de rechtsorde. De kernwaarde integriteit leidt er – uiteraard – toe dat een advocaat ook in financiële aangelegenheden betamelijk moet handelen. Deze verplichting geldt tegenover de eigen cliënt, de wederpartij, maar ook tegenover derden. Met de raad wijst het hof er in dat verband op dat van een advocaat mag worden verwacht dat hij integer en zorgvuldig handelt in financiële aangelegenheden en dat hij daarvoor nauwgezet verantwoording aflegt aan zijn opdrachtgever. In dit verband beoordeelt de tuchtrechter ook of er sprake is van excessief declareren. Of een declaratie als excessief moet worden aangemerkt, hangt af van de omstandigheden van het geval.

Overwegingen hof

Ontvankelijkheid

Eigen belang

8.3    Verweerder is van mening dat de raad klaagster ten onrechte heeft ontvangen in haar klacht.  Verweerder voert daartoe aan dat tussen klaagster en het Advocatenkantoor geen overeenkomst van opdracht is gesloten. De werkzaamheden zijn in opdracht van de verzekerde uitgevoerd en aan de verzekerde is gedeclareerd. Klaagster heeft dan ook geen eigen belang bij de klacht, aldus verweerder.

8.4    Klaagster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

8.5    Het hof overweegt als volgt. Het is vaste jurisprudentie van het hof dat slechts kan worden geklaagd over een advocaat indien de klager door het handelen of nalaten van deze advocaat (rechtstreeks) in zijn eigen belang is of kan zijn getroffen (vgl. HvD 31 oktober 2014, ECLI:NL:TAHVD:2014:302).

8.6    Klaagster is - conform de polisvoorwaarden - belast met het verlenen van de rechtshulp aan verzekerden. Het is op grond van die voorwaarden verzekerden in principe niet toegestaan zelf een advocaat in te schakelen, dat doet klaagster ten behoeve van de verzekerde. Klaagster vergoedt als rechtsbijstandsverzekeraar vervolgens de advocaatkosten ten behoeve van de rechtsbijstand aan de verzekerde. Niet in geschil is dat de declaraties (ook) aan klaagster zijn gezonden. Het hof is daarom van oordeel dat de raad terecht heeft geoordeeld dat klaagster als partij voor wiens rekening op grond van de afgesloten rechtsbijstandsverzekering de declaraties zijn gekomen een rechtstreeks belang heeft bij de klacht en daarom kan worden ontvangen in haar klacht. 

Verantwoordelijkheid als aandeelhouder en enig bestuurder

8.7    Voorts is verweerder van mening dat de raad ten onrechte heeft geoordeeld dat verweerder als (middellijk) enig aandeelhouder en enig bestuurder van het Advocatenkantoor kan worden aangesproken voor door het Advocatenkantoor verzonden en geïnde declaraties in de dossiers die (mede) zijn behandeld door een of meerdere kantoorgeno(o)t(en). Verweerder voert daartoe aan dat hij weliswaar verantwoordelijk is voor zijn eigen doen en laten, maar niet automatisch en op gelijke wijze voor het doen en laten van zijn kantoorgenoten. De behandelend advocaat is zelf verantwoordelijk voor het verrichten van de werkzaamheden in het dossier en het declareren van die werkzaamheden. Het is ook de behandelend advocaat die op basis van zijn tijdregistratie de gesprekken met de cliënt over de declaraties voert – en niet verweerder. 

8.8    Klaagster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

8.9    Het hof is van oordeel dat de raad klaagster terecht heeft ontvangen in de klacht tegen verweerder. Verweerder is als behandelend advocaat opgetreden en daarbij hebben medewerkers (tevens advocaat) onder zijn leiding gewerkt. Hij is zowel tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor zijn eigen handelen als de wijze waarop hij medewerkers instrueert en laat werken. Deze verantwoordelijkheid staat los van de eigen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van die medewerkers.

Vaststellingsovereenkomst

8.10     Verweerder handhaaft in hoger beroep ook zijn standpunt dat klaagster niet in de klacht kan worden ontvangen, omdat partijen - klaagster(s) en het Advocatenkantoor - ter beëindiging van het geschil op 3 mei 2023 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, waarin zij elkaar over en weer algehele en finale kwijting hebben verleend. Volgens verweerder is daarmee beoogd alle geschillen, hoe dan ook genaamd, uit de weg te ruimen. Een voorbehoud voor het indienen van een tuchtklacht over de declaraties is daarbij door klaagster niet gemaakt. 

8.11     Klaagster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

8.12     Het hof overweegt als volgt. De vaststellingsovereenkomst waaraan verweerder refereert heeft betrekking op het dossier HSS. De raad heeft klaagster in haar klacht met betrekking tot dit dossier niet-ontvankelijk verklaard, omdat klaagster in die zaak niet tijdig heeft geklaagd. Tegen dat oordeel wordt in hoger beroep niet opgekomen. Verweerder heeft daarom in hoger beroep geen belang bij behandeling van dit verweer.

Inhoudelijk

Klachtonderdeel 1: Grillroom C

8.13     Verweerder is van mening dat de raad ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het Advocatenkantoor in het dossier Grillroom C excessief heeft gedeclareerd. Verweerder voert daartoe, samengevat, het navolgende aan. 

8.14    Allereerst is niet een bedrag van € 110.241,25 gedeclareerd, zoals de raad ten onrechte heeft aangenomen, maar een bedrag van € 81.184,-. Dat is het honorariumbedrag exclusief BTW, die Grillroom C als btw-plichtig ondernemer kan verrekenen. Voor studie is geen 9,4 uur gedeclareerd, zoals de raad ten onrechte heeft overwogen, maar 7,1 uur. Daarbij gaat het om de bestudering van een aantal, deels omvangrijke, documenten – en derhalve niet uitsluitend om de bestudering van literatuur en jurisprudentie. Ook heeft daarbij een rol gespeeld dat de zaak speelde in coronatijd en dat de jurisprudentie op dat moment niet eenduidig was. Voor "intern overleg" is weliswaar in totaal 16,3 uur in rekening gebracht (zoals de raad terecht heeft vastgesteld) maar het betreft hier alleen de werkzaamheden van de advocaat met het laagste uurtarief (mr. P). Bovendien zijn die kosten door mr. P terughoudend gedeclareerd. Over de communicatie met Grillroom C van in totaal 67,5 uur merkt verweerder op dat het gaat om een heftig en conflictueus dossier met een bodemprocedure, een kort-geding en onderhandelingen met een bedrijfsmatig opererende cliënt die de Nederlandse taal niet goed beheerste. Veel communicatie initiatieven hadden betrekking op informatieverzoeken en mededelingen van de cliënt.  
Tot slot voert verweerder aan dat klaagster maandelijks op de hoogte is gesteld van alle feiten en omstandigheden die de complexiteit van de zaak en ook het (financieel) belang betrof. Klaagster heeft nimmer tijdens de behandeling van de zaak een opmerking gemaakt over de hoogte van de declaraties.

8.15    Klaagster heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 

8.16     Het hof is van oordeel dat verweerder ook in hoger beroep onvoldoende heeft onderbouwd dat de zaak zodanig ingewikkeld was dat een inzet van drie advocaten gerechtvaardigd was, ook als zij tezamen voor studie geen 9,4 uur maar 7,1 hebben gedeclareerd en het intern overleg van 16,3 uur is gerekend tegen het laagste uurtarief. Het hof sluit voor het overige aan bij de overwegingen van de raad die het hof tot de zijne maakt. In hetgeen is aangevoerd, ziet het hof niet meer dan een herhaling van de door verweerder eerder ingenomen standpunten, die door de raad reeds zijn besproken. In aanvulling op de overwegingen van de raad heeft het hof nog in aanmerking genomen dat Grillroom C slechts een kleine onderneming is, die een kleine winkel exploiteert met een bescheiden jaaromzet. Mede tegen die achtergrond bezien, beoordeelt het hof de declaraties van verweerder, met of zonder BTW, als excessief. De omstandigheid dat verweerder naar aanleiding van de beslissing van de raad een bedrag van € 20.404,47 heeft gecrediteerd, maakt dit oordeel niet anders, nu het hof oordeelt over de gedraging(en) van verweerder in de periode voorafgaande aan de klacht, die voor klaagster aanleiding zijn geweest voor het indienen van een klacht.  

klachtonderdeel 1: D H-V
ontvankelijkheid

8.17     Klaagster komt op tegen het oordeel van de raad dat zij geen eigen belang heeft bij dit klachtonderdeel. 

8.18    Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

8.19    Het hof overweegt als volgt. In hoger beroep is onweersproken vast komen te staan dat de kwestie D H-V op grond van de verzekeringspolis en de daarop toepasselijke polisvoorwaarden onder de dekking valt en dat klaagster op 7 juli 2023 aan D H-V een aanbod heeft gedaan om een deel van de declaratie van verweerder te vergoeden. Het hof volgt verweerder niet in zijn stelling dat D H-V geen verhaal kan halen bij klaagster voor het vergoed krijgen van (een deel van) de declaratie van verweerder, omdat klaagster, zoals verweerder heeft aangevoerd, geen partij is bij de onderliggende overeenkomst van rechtsbijstandsverzekering. Het hof overweegt daartoe dat D H-V weliswaar een verzekering heeft afgesloten bij de [naam], maar de [naam] heeft de uitvoering van deze rechtsbijstandsverzekering uitbesteed aan klaagster. 

8.20    Het voorgaande maakt dat klaagster – anders dan de raad heeft overwogen – wel een eigen belang bij dit klachtonderdeel heeft. Dat D H-V op het moment van indienen van de klacht (nog) niet op het op het aanbod van vergoeding van klaagster was ingegaan, maakt ook niet dat daarmee het eigen belang van klaagster is komen te vervallen.

Inhoudelijk

8.21     Het hof acht de klacht van klaagster dat (ook) in het dossier D H-V excessief is gedeclareerd, gegrond en overweegt daartoe als volgt. 

8.22    Het hof verwijst naar de feiten zoals die hiervoor ten aanzien van het dossier D H-V zijn vastgesteld. Kort gezegd betreft het hier een geschil rondom de nakoming van een onroerendezaaktransactie. In dit dossier hebben naast verweerder mrs. SA en H (eveneens werkzaam bij het Advocatenkantoor) werkzaamheden verricht in het dossier. Zij hebben allen een uurtarief van € 330,00 gehanteerd. Het Advocatenkantoor heeft de wederpartij in kort geding gedagvaard en ten laste van de wederpartij conservatoir beslag gelegd. De wederpartij is voorafgaand aan de zitting overgegaan tot nakoming. Over de periode 5 tot en met 19 juni 2023 zijn 58 uren gedeclareerd, resulterend in een bedrag van € 23.945,90, inclusief BTW.

8.23    Niet in geschil is dat veruit de meeste tijd is besteed aan het opstellen van de processtukken, met name aan het opstellen van de kortgedingdagvaarding, waaraan 25 uur van de in totaal ongeveer 38 uur is besteed. 

8.24    Verweerder stelt dat er sprake was van een complexe A-B-C-D-transactie, die al een tijd liep. Ter zitting heeft verweerder, desgevraagd, nader verklaard dat de declaratie (enkel) betrekking heeft op de procedure in kortgeding en niet op de transactie. 

8.25    Het hof stelt vast dat de kortgedingdagvaarding niet meer dan zes pagina’s met inhoudelijke tekst telt. Voorts stelt het hof vast dat de kortgedingdagvaarding voornamelijk een herhaling bevat van hetgeen in het beslagrekest al was opgenomen. Verweerder heeft ter zitting erop gewezen dat de dagvaarding een groot aantal producties (18) bevatte. Het hof acht die niet van belang, nu die producties geen door verweerder of een van zijn kantoorgenoten zelf opgestelde stukken bevatten en ook niet valt in te zien dat het verzamelen ervan verweerder veel tijd heeft gekost. 

8.26    Verder heeft verweerder aangevoerd dat de woorden in de dagvaarding zorgvuldig waren gekozen en opgeschreven, omdat er forse financiële belangen speelden en dat daar veel tijd aan is besteed. Volgens verweerder moest de vordering in kort geding per se toewijsbaar zijn (om de transactie te kunnen laten slagen), zodat ‘iedere stelling dicht moest staan’. Bovendien vonden de werkzaamheden onder grote tijdsdruk plaats.

8.27    Het hof neemt aan dat de kortgedingdagvaarding, zoals sowieso van verweerder mag worden verwacht, zorgvuldig en met oog voor de belangen die speelden, is opgesteld. Het hof is echter van oordeel dat verweerder ook met deze toelichting geen deugdelijke onderbouwing heeft gegeven voor het (forse) aantal uren - in een periode van 14 dagen 58 uren - dat aan het opstellen van de kortgedingdagvaarding is besteed en dat daarbij de inzet van drie advocaten gerechtvaardigd was. 

8.28    Omdat de werkzaamheden en het verzenden en innen van de declaraties hebben plaatsgevonden onder de verantwoordelijkheid van verweerder, draagt hij hiervoor tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid. Klachtonderdeel 1 is derhalve ook ten aanzien van D H-V gegrond. Dit betekent dat klachtonderdeel 1 alsnog volledig gegrond is.  

Klachtonderdeel 2

8.29     Klaagster stelt zich op het standpunt dat verweerder geen lering heeft getrokken uit het arrest van het hof van 7 februari 2023 en het deskundigenrapport van 23 augustus 2021 en dat er sprake is van een patroon van excessief declareren.

8.30    Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 

8.31     Het hof heeft hiervoor geconcludeerd dat het Advocatenkantoor zowel in het dossier Grillroom C als in het dossier D H-V excessief heeft gedeclareerd. Uit het onherroepelijke eindarrest van het hof Den Haag van 7 februari 2023 vloeit voort dat het Advocatenkantoor ook in het dossier HSS excessief heeft gedeclareerd. In het dossier Grillroom C zijn de declaraties verzonden in de periode van januari 2021 tot en met maart 2023, derhalve voordat het hof zijn eindarrest had gewezen. De procedure die heeft geleid tot dat arrest liep toen al wel geruime tijd - het bestreden vonnis van de rechtbank Den Haag dateert van 2 november 2016. Daar komt bij dat de deskundige tussentijds - op 12 augustus 2021 -  haar rapport had uitgebracht en daarin (reeds) heeft geconcludeerd dat het Advocatenkantoor in het dossier HSS excessief heeft gedeclareerd. Gelet op de aard van de procedure die heeft geleid tot het eindarrest van 7 februari 2023, is het hof van oordeel dat verweerder als bestuurder van het Advocatenkantoor als ‘een gewaarschuwd mens’ telde op het moment dat de declaraties in het dossier Grillroom C werden verzonden. De declaraties in het dossier D H-V zijn verzonden nádat het hof zijn eindarrest had gewezen, in welk arrest het hof het Advocatenkantoor een duidelijke tik op de vingers had gegeven. 

8.32     Het hof is van oordeel dat nu is vastgesteld dat het Advocatenkantoor drie keer achtereenvolgend (in verschillende dossiers) excessief heeft gedeclareerd, sprake is van een patroon van excessief declareren. 

8.33    Ook klachtonderdeel 2 is in zoverre gegrond.

Slotsom

8.34    Het hof zal de beslissing van de raad vernietigen voor zover daarin klachtonderdeel 1 niet-ontvankelijk is verklaard en klachtonderdeel 2 ongegrond is verklaard. Het hof zal beide klachtonderdelen alsnog ontvankelijk en gegrond verklaren. 

9    MAATREGEL

9.1    Het hof heeft vastgesteld dat het Advocatenkantoor in drie verschillende dossiers excessief heeft gedeclareerd en dat sprake is van een patroon van excessief declareren. Met de raad acht het hof de door de raad opgelegde maatregel passend en geboden, zodat deze zal worden gehandhaafd. Bij de hiertoe leidende besluitvorming heeft het hof mede in aanmerking genomen dat de raad in de gelijktijdig met deze zaak dienende zaak betreffende het door de deken tegen verweerder ingediende bezwaar eveneens een maatregel heeft opgelegd en het hof die maatregel ook handhaaft.

9.2    Het hof weegt verder mee dat verweerder inmiddels blijk geeft van enig inzicht in het laakbare van zijn handelen door een bedrag te crediteren. Voor dit inzicht was echter wel eerst een dekenvisie nodig. Bovendien lijkt verweerder met zijn bewoordingen aan te geven dat zijn inzicht niet intrinsiek van aard is maar is ingegeven door een rechterlijke uitspraak en de rechtskracht daarvan. Juist om die reden is het hof van oordeel dat met de oplegging van een minder zware maatregel dan door de raad opgelegd niet kan worden volstaan, onverlet de problemen die verweerder hiervan ongetwijfeld zal gaan ondervinden in zijn praktijkuitoefening.


10    PROCESKOSTEN

10.1    Omdat het hof de klacht alsnog gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken na deze beslissing. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing het rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

10.2     Omdat het hof een maatregel bekrachtigt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet daarnaast veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:    
                                                                                                                              
a) € 50,- kosten van klaagster (forfaitair); 
b) € 1.050,- kosten voor rechtsbijstand van klaagster;
c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
d) € 1.000,- kosten van de Staat.

10.3     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 1.100,- aan kosten van klaagster binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

10.4     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.


11    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

11.1    vernietigt de beslissing van 10 maart 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-795/DB/ZWB, voor zover daarin klachtonderdeel 1 niet-ontvankelijk is verklaard en klachtonderdeel 2 ongegrond is verklaard;

en doet opnieuw recht:

verklaart klachtonderdeel 1 en klachtonderdeel 2 alsnog ontvankelijk en gegrond;

11.2    bekrachtigt de beslissing van 10 maart 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-795/DB/ZWB, ten aanzien van de maatregel;

11.3    veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 1.100,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

11.4     veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.


Deze beslissing is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. J. Steenbrink, A.E.H. van der Voort Maarschalk, J.A. Huijgen en R.N.E. Visser, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijtzes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.


griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 18 mei 2026.