ECLI:NL:TAHVD:2026:149 Hof van Discipline 's Gravenhage 260030
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:149 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-05-2026 |
| Datum publicatie: | 18-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260030 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Beklag ongegrond. |
Beslissing van 18 mei 2026
in de zaak 260030
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klaagster
tegen:
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klaagster heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een
advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 21 januari 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat het verzoek onvoldoende overzichtelijk en onduidelijk is en dat verzoekster heeft nagelaten serieuze inspanning te leveren om een advocaat te vinden die haar zou kunnen bijstaan. Voor zover verzoekster heeft bedoeld een advocaat aan te wijzen voor bijstand bij het opvragen van dossiers, het indienen van klachten en het doen van aangiftes, heeft de deken aangegeven dat dit handelingen zijn waarvoor geen verplichte procesvertegenwoordiging is vereist en waarvoor geen advocaat kan worden aangewezen.
Bij het hof
1.3 Klaagster heeft op 2 februari 2026 een beklag tegen de beslissing van de
deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken van 25 februari 2026;
- de repliek van 2 maart 2026, ontvangen op 5 maart 2026;
- de brief van klaagster van 9 april 2026 en haar e-mailbericht van 14 april
2026, en
- het bericht van de deken van 20 april 2026 dat hij geen behoefte heeft aan
een inhoudelijke reactie (dupliek).
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Op 12 december 2025 heeft klaagster een verzoek tot aanwijzing advocaat ingediend.
2.2 De deken heeft klaagster op 17 december 2025 laten weten dat het niet duidelijk is in wat voor een soort zaak klaagster bijstand verzoekt en haar verzocht stukken toe te sturen van de rechtbank, correspondentie of een diagnosedocument van het Juridisch Loket, alsook schriftelijke afwijzingen van advocaten.
2.3 Bij e-mailbericht van 29 december 2025 heeft klaagster de deken verzocht rekening te houden met valse meldingen van een hacker en de deken verzocht om brieven per post te sturen.
2.4 Op 5 januari 2026 heeft de deken klaagster de e-mail van 17 december 2025 nogmaals gestuurd, waarna klaagster de deken een aantal e-mails, klachten en stukken heeft toegezonden die veelal voor andere instanties (de politie, Veilig Thuis, de gemeente, het Openbaar Ministerie et cetera) bestemd zijn.
2.5 Op 7 januari 2026 heeft de deken klaagster een e-mail gestuurd waarin hij klaagster heeft laten weten dat hij de verzochte stukken en toelichting niet had ontvangen. Tevens heeft de deken klaagster opnieuw verzocht de gevraagde stukken toe te sturen en gevraagd of het klopt dat klaagster een advocaat zoekt voor bijstand bij het opvragen van dossiers, het indienen van klachten en het doen van aangiftes. De deken heeft daarbij aangegeven dat klaagster de stukken ook per post kan versturen.
2.6 Op 21 januari 2026 heeft de deken het verzoek van klaagster afgewezen.
2.7 De deken heeft op 23 januari 2026 een brief van klaagster met daarbij een USB-stick ontvangen.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Volgens
klaagster is geen sprake van enig verzuim. Alle door de deken verzochte stukken zijn
tijdig en volledig aangeleverd, waaronder een overzicht van de door klaagster benaderde
advocaten. Klaagster heeft daarbij steeds volledige medewerking verleend en actief
contact onderhouden met het bureau van de deken. Verder heeft klaagster de deken uitdrukkelijk
gewezen op ernstige en aanhoudende problemen met digitale communicatie, de deken gewaarschuwd
voor de risico's van uitsluitend digitale aanlevering van vertrouwelijke documenten
en verzocht om een alternatief. Desondanks is klaagster verplicht gesteld om de stukken
uitsluitend digitaal aan te leveren via een specifiek e-mailadres. De verzochte stukken
zijn meerdere malen verzonden en geüpload, vanaf verschillende e-mailadressen. Naar
aanleiding daarvan heeft tevens telefonisch contact plaatsgevonden, waarbij is bevestigd
dat de documenten correct waren ontvangen. Klaagster heeft de stukken ook aangeboden
op een USB-stick. De deken heeft de stukken niet ontvangen, maar heeft ook geen passend
alternatief voor veilige aanlevering aangeboden. Daarmee is gehandeld in strijd met
de beginselen van zorgvuldigheid en fair play.
Tot slot heeft de deken bewijs van contact met advocaten verlangd, terwijl klaagster
structurele problemen ondervond met bereikbaarheid van advocatenkantoren. Adviezen
van het Juridisch Loket om advocaten te benaderen, konden in de praktijk niet worden
opgevolgd omdat telefonisch en digitaal contact herhaaldelijk niet tot stand kwam
of onbeantwoord bleef. Deze omstandigheden zijn door klaagster kenbaar gemaakt, maar
niet meegewogen bij de beoordeling.
Verweer
3.2 Het verweer van de deken zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig)
een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door
een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden,
zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan
een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een
dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen
verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans
van slagen heeft.
Beoordeling
4.2 Hoewel klaagster vele stukken naar de deken heeft gestuurd, is het de deken
maar ook het hof tot op heden niet duidelijk geworden in wat voor zaak klaagster om
aanwijzing van een advocaat verzoekt. Klaagster geeft aan dat zij is/wordt gehackt,
maar zij heeft niet aangegeven wat zij wil dat een advocaat voor haar gaat doen en/of
in wat voor procedure een advocaat haar bijstand dient te verlenen. Klaagster heeft
evenmin bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat zij advocaten heeft benaderd,
maar dat deze klaagster niet bij willen staan, althans dat een hacker haar namens
die advocatenkantoren heeft geantwoord. De deken heeft klaagster op 7 januari 2026
bericht dat zij relevante stukken ook per post kon opsturen, maar dat heeft klaagster
niet tijdig gedaan.
4.3 Het hof ziet in hetgeen klaagster aanvoert dan ook geen reden om het beklag gegrond te verklaren.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 21 januari 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 18 mei 2026.