ECLI:NL:TAHVD:2026:105 Hof van Discipline 's Gravenhage 250376
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:105 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-04-2026 |
| Datum publicatie: | 14-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250376 |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de voorzitter. Het is vaste jurisprudentie van het hof dat bezwaren over (de uitvoering van) het dekenonderzoek en/of de dekenvisie door een klager dienen te worden ingebracht in de procedure bij de raad van discipline die de klacht behandelt waarop het dekenonderzoek en het dekenstandpunt betrekking hebben. Dat is de geëigende route en niet, zoals klaagster heeft gedaan, een klacht indienen over verweerster. Daarvoor is het klachtrecht niet bedoeld. |
Beslissing van 10 april 2026
in de zaak 250376
naar aanleiding van het verzet
tegen de beslissing van de voorzitter van het hof
van 13 november 2025 in de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
1 DE PROCEDURE
1.1 Met de beslissing van 13 november 2025 heeft de voorzitter van het hof het verzoek van klaagster tot verwijzing van de klacht over verweerster afgewezen. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2025:239 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
1.2 Het verzet van klaagster tegen de beslissing van de voorzitter is op 26 november
2025 ontvangen door de griffie van het hof. Behalve het verzetschrift bevat het dossier
de stukken die in verband met het verwijzingsverzoek aan het hof zijn verstrekt. Het
dossier bevat daarnaast
- het verweerschrift;
- de repliek;
- de dupliek.
1.3 Het hof heeft het verzet behandeld in raadkamer.
2 FEITEN
2.1 In een e-mailbericht van 4 november 2025, verzonden om 10.04 uur, heeft verweerster het hof verzocht de klacht van klaagster over verweerster op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet en artikel 12 Procesreglement van het hof te verwijzen naar een andere deken voor onderzoek en verdere behandeling.
2.2 Daarna heeft verweerster, eveneens op 4 november 2025, in een e-mailbericht van 15.35 uur, het hof verzocht de klacht van klaagster niet door te verwijzen omdat de onderliggende klacht van klaagster over haar advocaat (mr. Van der W) zich in het stadium van doorgeleiding naar de Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden bevindt en het door klaagster betaalde griffierecht door verweerster is ontvangen.
2.3 De voorzitter heeft vastgesteld dat de klacht van klaagster betrekking heeft
op het onderzoek naar en het dekenstandpunt van verweerster over de klacht van klaagster
over mr. Van der W.
De behandeling van die klacht door de raad is de geëigende plek om ook gerezen bezwaren
tegen het dekenonderzoek naar die klacht naar voren te brengen en zonodig aan te voeren
dat de tuchtrechter tot een andere conclusie zou moeten komen dan verweerster. Daarom
heeft de voorzitter het verwijzingsverzoek afgewezen.
3 HET VERZET
De gronden van verzet
3.1 Klaagster heeft aan het verzet ten grondslag gelegd dat de klacht van klaagster
over verweerster geheel los staat van de klacht van klaagster over mr. Van der W.
Klaagster vindt het niet acceptabel dat het hof kan en mag besluiten dat de klacht
over een deken niet direct in behandeling wordt genomen omdat dit nergens op de website
van de Orde van Advocaten Noord-Nederland vermeld staat. Verder voert klaagster aan
dat het feitelijk onjuist is dat haar klacht over mr. Van der W zich in het stadium
van doorgeleiding naar de raad bevindt. Tenslotte stelt klaagster dat zij in de bevindingen
van verweerster de uitvoering en het onderzoek zoals beschreven in de Leidraad dekenaal
klachtonderzoek 2025 heeft gemist. Haar klacht over verweerster ziet op de wijze waarop
verweerster dat onderzoek heeft uitgevoerd (wel of niet zorgvuldig, onafhankelijk,
deskundig, gelijkwaardig en transparant), aldus klaagster. De conclusie van verweerster
(geen tuchtrechtelijk verwijt) is volgens klaagster een misplaatst verwachtingspatroon.
Het verweer
3.2 Verweerster heeft tegen het verzet allereerst aangevoerd dat de klacht van
klaagster zich wel degelijk in de fase van doorgeleiding bevond omdat dit nog binnen
de aan klaagster meegedeelde termijn (die afliep op 30 december 2025) is gebeurd.
Verder staat de klacht van klaagster over verweerster niet los van haar klacht over
mr. Van der W omdat de klacht over verweerster ziet op het onderzoek naar en de verwachting
van de deken over die klacht van klaagster over mr. Van der W. Het klachtrecht is
volgens verweerster niet bedoeld om de werkwijze van een deken of het dekenstandpunt
in een klachtprocedure aan de orde te stellen. Klaagster kan bij de raad aangeven
op welke punten zij de klacht niet juist weergegeven of samengevat vindt en waarom
zij het niet eens is met de dekenvisie.
4 BEOORDELING
Verzet mogelijk?
4.1 De beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is ingesteld, ziet
op de situatie als bedoeld in artikel 46c lid 5 Advocatenwet. In dit artikel is bepaald
dat de voorzitter klachten over dekens verwijst naar een deken van een andere orde
om de klacht te laten onderzoeken en af te handelen.
4.2 De wet voorziet niet in de mogelijkheid van afwijzing van het verzoek en ook niet in een bijbehorend rechtsmiddel tegen die afwijzing. Het hof is echter van oordeel dat verzet mogelijk moet zijn als de voorzitter het verwijzingsverzoek afwijst. Om die reden heeft het hof de mogelijkheid van verzet tegen afgewezen verwijzingsverzoeken vastgelegd in artikel 13 van het procesreglement van het hof.
Maatstaf
4.3 Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of
de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de
voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
Het oordeel van het hof
4.4 Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot
een andere beoordeling van de klacht te komen dan de voorzitter. Klaagster benoemt
in haar verzet en repliek expliciet dat haar klacht over verweerster gaat over de
wijze waarop verweerster het dekenaal onderzoek van haar klacht over mr. Van der W
heeft verricht en het door verweerster daarin gegeven dekenstandpunt. Het is vaste
jurisprudentie van het hof dat bezwaren over (de uitvoering van) het dekenonderzoek
en/of de dekenvisie door een klager dienen te worden ingebracht in de procedure bij
de raad van discipline die de klacht behandelt waarop het dekenonderzoek en het dekenstandpunt
betrekking hebben. Dat is de geëigende route en niet, zoals klaagster heeft gedaan,
een klacht indienen over verweerster. Daarvoor is het klachtrecht niet bedoeld. Klaagster
kan bij de Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden (die haar klacht over mr. Van der
W zal behandelen) aanvoeren wat er volgens haar niet juist is aan (de uitkomst van)
het dekenonderzoek van verweerster en waarom de raad tot andere vaststellingen en
visies zou moeten komen. Wat verder door klaagster in verzet naar voren is gebracht
(wat met name gaat over de onderliggende klacht van klaagster over mr. Van der W),
leidt niet tot een ander oordeel. Het hof zal het verzet van klaagster daarom ongegrond
verklaren.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Deze beslissing is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend
voorzitter, mrs. B.J. R. van Tongeren en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van
mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 10 april 2026.