ECLI:NL:TAHVD:2025:195 Hof van Discipline 's Gravenhage 250258
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2025:195 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-10-2025 |
| Datum publicatie: | 14-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | 250258 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Verzoek tot aanwijzing van advocaat ex artikel 13 Advocatenwet afgewezen. |
Beslissing van 10 oktober 2025
in de zaak 250258
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat
als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 21 juli 2025 en
daaraan ten grondslag gelegd dat hij op verzoek van klager al tweemaal een advocaat
heeft aangewezen om een procedure te starten tegen de belastingdienst/de Staat. De
aangewezen advocaat heeft geconcludeerd dat van aansprakelijkheid van de Staat wegens
onrechtmatige daad geen sprake is. Het laatste verzoek van 2 oktober 2024 is ook door
de deken afgewezen, omdat geen sprake was van nieuwe feiten. Het door klager ingediende
beklag in die zaak is door het Hof van Discipline (hierna: het hof) op 30 mei 2025
ongegrond verklaard.
De deken heeft klager meerdere malen om verduidelijking gevraagd voor wat betreft
de aard van de zaak waarvoor klager thans aanwijzing verzoekt. Tevens heeft de deken
klager verzocht toestemming te geven om contact op te nemen met mr. P, een van de
door klager aangezochte advocaten. Klager heeft daar geen toestemming voor gegeven.
Inmiddels is gebleken dat klager aangeeft dat hij geen advocaat nodig heeft voor juridisch
advies, maar voor het uitbrengen van een dagvaarding waarin de Staat aansprakelijk
wordt gesteld. Voor die kwestie zijn echter eerder twee advocaten aangewezen, waarvan
de laatste negatief heeft geadviseerd over het voeren van een procedure tegen de Staat,
en ook in nieuwe verzoek heeft klager geen nieuwe feiten naar voren gebracht.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 30 juli 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken
ingediend bij het hof. Verder bevat het dossier het verweer van de deken.
1.4 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Op 16 april 2025 heeft klager de deken verzocht een advocaat aan te wijzen.
Dat verzoek heeft klager op 26 april 2025 via de juiste weg (het invullen van een
webformulier) herhaald. Klager wil een procedure tegen de staat beginnen om een patstelling
waarin hij zich bevindt te doorbreken. Door verschillende instanties stelt hij te
worden belemmerd om als zelfstandig ondernemer inkomen te verwerven.
2.2 De deken heeft klager op 29 april 2025 verzocht om aanvullende informatie,
waarop klager op 24 mei 2025 heeft gereageerd door afwijzingen van advocaten over
te leggen.
2.3 Op 3 juni 2025 heeft de deken klager verzocht documenten van het Juridisch Loket over te leggen en aan te geven waarom hij niet verder is bijgestaan door één van de door hem aangezochte advocaten, mr. P, waarmee een adviesgesprek werd gepland.
2.4 Op 4 juni 2025 heeft klager aangegeven dat hij geen juridisch advies wilde, maar “rechtsbijstand” en dat mr. P niet op toevoeging werkt.
2.5 De deken heeft klager op 13 juni 2025 opnieuw verzocht documenten van het Juridisch Loket toe te sturen en om concreet aan te geven welke partij klager wil aanspreken en op welke grond, alsook om zijn correspondentie met mr. P.
2.6 Diezelfde dag heeft klager aangegeven dat het Juridisch Loket een “telefonisch besluit” had genomen. Daarnaast heeft klager correspondentie met mr. P gestuurd en aangegeven dat hij de Staat wil aanspreken “op grond van het feit dat hij niet als zelfstandig ondernemer op basis van zelfstandig ondernemerschap in zijn inkomen kan voorzien”. Hij wil rechtsbijstand en geen juridisch advies, zoals door mr. P aangeboden.
2.7 Bij een volgende e-mail van 17 juni 2025 van klager is een document van het Juridisch Loket gevoegd waaruit blijkt dat het Juridisch Loket klager niet naar een advocaat kan verwijzen omdat de grond voor verwijzing onduidelijk is.
2.8 De deken heeft klager op 25 juni 2025 opnieuw verzocht om toestemming te geven om contact op te nemen met mr. P. om meer duidelijkheid over de zaak te krijgen en na te gaan waarom mr. P klager niet verder wilde bijstaan.
2.9 Op 8 juli 2025 heeft klager hierop gereageerd door aan te geven dat “de voorgaande advocaat” meent dat de Staat gedagvaard dient te worden en dat hij een advocaat nodig heeft om een dagvaarding tegen de Staat uit te brengen omdat hij zelf niet gerechtigd is om die uit te brengen.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen omdat
zijn voormalige advocaat naar aanleiding van een analyse tot de conclusie is gekomen
dat er een dagvaarding tegen de Staat dient te worden uitgebracht om klager te herstellen
in de hem ontnomen rechten om zelfstandig ondernemerschap vorm te geven en als zelfstandig
ondernemer zelf in zijn eigen inkomen te kunnen voorzien. De betreffende advocaat
heeft op grond van het dossier geconcludeerd dat de Staat en andere onder de verantwoordelijkheid
van de Staat vallende organisaties ondanks veelvuldige aansprakelijkstelling geen
verantwoording hebben afgelegd over en geen verantwoordelijk hebben genomen voor het
ontnemen van klagers recht om zijn zelfstandig ondernemerschap vorm te geven, over
het hem ontnemen van zijn recht als zelfstandig ondernemer zelf in zijn eigen inkomen
te kunnen voorzien, en over het hem niet herstellen in die oorspronkelijke rechten.
Er is een onderbouwing van de dagvaarding met bijbehorend compleet dossier, er is
een toevoeging beschikbaar en er is een verwijzing van het Juridisch Loket. Klager
heeft ook een overzicht van afwijzingen van door hem benaderde advocaten overgelegd.
De deken blijft in gebreke met het doen van een onafhankelijk onderzoek, ten behoeve
van de waarheidsvinding klager te horen, klager te informeren en een onderbouwd en
gemotiveerd besluit te nemen op zijn verzoek om rechtsbijstand.
Klager heeft begin 2021 zelf een advocaat gevonden die tot de conclusie is gekomen
dat een procedure tegen de Staat kansrijk is. De uit te brengen dagvaarding is gereed.
De deken heeft niet de taak om het Juridisch Loket of een andere advocaat te benaderen
voor juridisch advies. Dat is ook niet wat klager vraagt.
Verweer
3.2 Het verweer van de deken zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
4.2 Het hof constateert dat klager in het verleden al eerder een aanwijzingsverzoek ex artikel 13 Advocatenwet heeft ingediend teneinde een procedure te starten tegen de Staat/de Belastingdienst/de gemeente, dat al tweemaal een advocaat is aangewezen en dat het beklag van klager tegen nadien ingediende verzoeken door het hof ongegrond is verklaard (HvD 30 mei 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:95). De laatste van de eerder aangewezen advocaten heeft geconcludeerd dat een procedure geen kans van slagen heeft. Na het indienen van het onderhavige verzoek heeft de deken klager meerdere malen om een toelichting gevraagd en gevraagd om contact op te mogen nemen met mr. P., een van de door klager aangezochte advocaten, zodat mr. P. wellicht aan de deken uitleg kon geven over de zaak. Daarvoor heeft klager de deken evenwel geen toestemming verleend. Klager heeft ook geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat een aansprakelijkheidstelling nu wel haalbaar zou zijn. Nu onduidelijk is gebleven waar de zaak van klager waarvoor hij wederom een advocaat wil, over gaat, wat de inhoud en de grondslag daarvan is, heeft de deken terecht kunnen concluderen dat een advocaat niet kan worden aangewezen. Ook is om die reden onduidelijk of de door klager voorgestane procedure een redelijke kans van slagen heeft. Dit maakt dat het hof het beklag ongegrond zal verklaren.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 21 juli 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima en J.H. Brouwer, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 10 oktober 2025