ECLI:NL:TAHVD:2021:16 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200156

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2021:16
Datum uitspraak: 22-01-2021
Datum publicatie: 23-01-2021
Zaaknummer(s): 200156
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht over de eigen advocaat. Klaagster heeft onvoldoende onderbouwd dat verweerder haar belangen niet goed heeft behartigd. Verkorte bekrachtiging van de uitspraak van de raad.

BESLISSING

van 22 januari 2021

in de zaak 200156

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klaagster

tegen

verweerder

1        DE PROCEDURE BIJ DE RAAD

Het hof verwijst naar de beslissing van 8 juni 2020 van de Raad van Discipline (hierna: de raad) in het ressort Amsterdam (zaaknummer: 20-208/A/A). In deze beslissing is de klacht van klaagster ongegrond verklaard.

Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2020:127 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

2        DE PROCEDURE BIJ HET HOF

2.1        Het hoger beroepschrift van 18 juni 2020 tegen deze beslissing is op 30 juni 2020 ontvangen door de griffie van het hof.

2.2        Verder bevat het dossier van het hof:

-        de stukken van de raad;

-        de brief van de griffie van het hof aan klaagster van 7 juli 2020;

-        de brief van klaagster van 10 juli 2020, door de griffie van het hof ontvangen op 13 juli 2020;

-        de brief van klaagster van 15 juli 2020, door de griffie van het hof ontvangen op 17 juli 2020;

-        de brief van klaagster van 3 augustus 2020, door de griffie van het hof ontvangen op 4 augustus 2020.

2.3        Bij brief van 13 augustus 2020 heeft het hof aan klaagster medegedeeld dat het voornemen bestaat om de zaak zonder mondelinge behandeling te beoordelen. Als klaagster een mondelinge behandeling wenst moet zij dat binnen zeven dagen laten weten. Dat heeft klaagster niet gedaan.

2.4        Het hof heeft de zaak in raadkamer op grond van het dossier behandeld. Bij brief van  10 december 2020 is aan klaagster de samenstelling van de kamer en de uitspraakdatum bekend gemaakt en per e-mailbericht van 10 december 2020 is aan verweerder de samenstelling van de kamer en de uitspraakdatum bekend gemaakt. Op 13 december 2020 heeft het hof nog een e-mailbericht van verweerder ontvangen, waarin verweerder zich refereert aan het eerdere oordeel van de raad.

3        KLACHT

3.1        De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)        hij niet het vermogen heeft om te luisteren en klaagster tijdens het intakegesprek steeds heeft onderbroken;

b)   er veel bewijs verloren is gegaan door toedoen van verweerder;

c)   hij de door klaagster opgestelde brief te emotioneel vond;

d)   de rechters klaagster niet hebben gehoord;

e)   hij ook in hoger beroep steken heeft laten vallen;

f)   hij zich ten onrechte bezig heeft gehouden met de waarde, terwijl het klaagster  

 gaat om het beeldje en de daaraan verbonden herinnering en emotie.

4        FEITEN

4.1        Het hof stelt de volgende feiten vast.

4.2        Op 9 april 2017 heeft klaagster bij de politie aangifte gedaan tegen een vrouw (hierna: de vrouw), die in januari 2013 uit de woning van klaagster een Onyx-beeldje, dat eigendom is van klaagster, zou hebben ontvreemd. In het proces-verbaal dat toen is opgemaakt staat dat klaagster het beeldje in 1971 in Mexico als souvenir heeft gekocht voor 50 gulden. De politie heeft niets met de aangifte van klaagster gedaan. De vrouw weigert het beeldje terug te geven.

4.3        In november 2017 heeft klaagster zich tot verweerder gewend met het verzoek haar bij te staan in het geschil met de vrouw. Op 14 december 2017 heeft verweerder klaagster een opdrachtbevestiging gestuurd. Daarin staat, voor zover hier van belang:

“Als gezegd heeft wp. diverse zaken uit uw woning weggenomen, hetgeen u om begrijpelijke redenen enorm hoog zit. In eerste instantie had u geprobeerd om via justitie – het strafrecht – uw eigendommen terug te krijgen, maar justitie zou uw zaak niet serieus nemen, althans onvoldoende bewijs voor het opstarten van een zaak hebben bevonden. Het is om deze reden en achtergrond dat u uiteindelijk bij ondergetekende terecht bent gekomen, om te bezien of er langs civielrechtelijke weg iets valt te bewerkstelligen?

Spijtig genoeg is er niet of nauwelijks bewijs, op grond waarvan aannemelijk kan worden gemaakt dat wp. zaken uit uw woning weggenomen heeft. Concreet komt het erop neer, dat het uw woord tegen dat van wp. is, ex art. 149 Rv. e.v. Overeengekomen is dat ondergetekende een dagvaarding op zal stellen, januari a.s., waarin de zaak uiteengezet wordt, en waarin gevorderd wordt dat wp. uw eigendommen terug zal geven, via een procedure bij de kantonrechter.

Let wel, wanneer u door de rechter in het ongelijk wordt gesteld, dan word je over het algemeen in de (proces)kosten veroordeeld.”

4.4        Op 15 maart 2018 heeft verweerder namens klaagster de vrouw gedagvaard voor de kantonrechter en gevorderd haar te veroordelen tot teruggave van het beeldje op straffe van een dwangsom.

4.5        Bij vonnis van 17 juli 2018 heeft de kantonrechter de vordering van klaagster afgewezen. Hiertoe heeft de kantonrechter overwogen dat op grond van de stellingen en door klaagster aangedragen bewijzen, mede in het licht van het tijdsverloop, niet is komen vast te staan dat de vrouw het beeldje heeft ontvreemd.

4.6        Op 20 juli 2018 heeft verweerder een vonnis – naar later is gebleken: in een andere zaak – aan klaagster toegestuurd. In de begeleidende brief heeft verweerder klaagster onder meer geschreven:

“Wat nu? Formeel staat er tegen de uitspraak hoger beroep open. (…) Of u er verstandig aan doet om in appel te gaan, is een tweede. Maar feit is, dat u de mogelijkheid heeft om hoger beroep in te stellen. (…)

Ik stel voor dat u eerst een paar nachtjes over de uitspraak na zult denken, mocht u al overwegen in hoger beroep tegen de uitspraak te gaan. Verder geldt, dat wanneer het hof de vordering(en) afwijst, u het risico loopt dat u tegen een flinke proceskostenveroordeling oploopt. Maar goed. Wanneer u principieel van oordeel blijft dat het niet zo kan zijn dat derden zaken uit uw woning wegnemen, dan geef ik u in overweging om wél hoger beroep in te stellen.”

4.7        Op 24 juli 2018 heeft verweerder het juiste vonnis van de kantonrechter aan klaagster toegestuurd. In de begeleidende brief heeft verweerder onder meer geschreven:

“Als bijlage treft u – nogmaals – de (eind)uitspraak in de zaak aan, nu ik – onder het aanbieden van mijn oprechte excuses – u abusievelijk een uitspraak in een andere zaak toegezonden had. (…)

Telefonisch heeft u mij aangegeven, nu al zeker te weten dat u hoger beroep tegen het vonnis in wilt stellen, niettegenstaande mijn kritische opmerkingen ter zake van de vraag, of dit verstandig is? Maar deze bemerkingen, zo leerde mij ons gesprek, waren goed tot u doorgedrongen, daargelaten dat ik het met u eens ben dat het iets gedwongens en gelijktijdig iets gemakkelijks heeft, dat de rechter u niet heeft willen horen (…)

Hoger beroep dus, dat wilt u in gang gezet hebben. (…) Ik zal hier zorg voor dragen (…)

Besef en realiseer, naast genoemd bedrag aan kosten die u aan mij dient te voldoen, dan wanneer het hof u in het ongelijk stelt, u (…) in de proceskosten veroordeeld zult worden, kosten die – anders dan in de procedure in 1e aanleg; al is deze veroordeling uitgebleven – flink in de papieren kan lopen. Denk aan een bedrag ad circa € 1.500,-- of zelfs meer”

4.8        Op 3 september 2018 heeft verweerder namens klaagster bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter van 17 juli 2018. Op 25 september 2018 heeft de advocaat van de vrouw het hof verzocht een akte te mogen nemen over de ontvankelijkheid van de zaak, wat het hof heeft toegestaan. In die akte heeft de advocaat van de vrouw bepleit dat de waarde van het beeldje de appelgrens niet overstijgt, zodat klaagster niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep. Verweerder heeft hiertegen namens klaagster verweer gevoerd.

4.9        Bij arrest van 11 december 2018 heeft het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en klaagster veroordeeld in de proceskosten (€ 318,- aan verschotten en

€ 379,50 aan geliquideerd salaris advocaat). Het hof heeft hiertoe overwogen dat duidelijke aanwijzingen bestaan dat het beeldje geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1.750,- en dat er geen redenen zijn om de vordering tot teruggave van het beeldje (vanwege de emotionele waarde ervan) als van onbepaalde waarde te beschouwen. De vordering waarover de rechter in eerste aanleg moest beslissen overschrijdt de appelgrens van € 1.750,- daarom niet, zodat het hoger beroep van klaagster afstuit op artikel 332 lid 1 Rv.

4.10        Op 13 december 2018 heeft verweerder het arrest van het hof aan klaagster toegestuurd.

4.11        Op 15 februari 2019 heeft een andere advocaat op verzoek van klaagster een (negatief) cassatieadvies gegeven.

5        BEOORDELING

Ontvankelijkheid

5.1        Klaagster heeft aan de raad een brief toegezonden gedateerd op 18 juni 2020, die door de raad op 23 juni 2020 is ontvangen. De raad heeft deze brief doorgezonden naar de griffie van het hof. Deze brief is door de griffie van het hof ontvangen op 30 juni 2020. In deze brief geeft  klaagster aan waarom zij het niet eens is met de uitspraak van de raad. Aan het einde van de brief schrijft klaagster echter dat zij heeft besloten niet in hoger beroep te gaan. Aangezien deze zin moeilijk te rijmen is met hetgeen klaagster in de rest van haar brief heeft geschreven, heeft de griffie van het hof klaagster bij brief van 7 juli 2020 bericht dat op basis van haar brief van 18 juni 2020 het hof ervan uitgaat dat klaagster geen hoger beroep aantekent en indien zij toch hoger beroep wenst aan te tekenen, zij dat zo spoedig mogelijk kenbaar dient te maken. Bij brief van 10 juli 2020, door de griffie van het hof ontvangen op 13 juli 2020, schrijft klaagster dat ze hoger beroep wil aantekenen. Aangezien de brief van 18 juni 2020 van klaagster de griffie van het hof binnen de beroepstermijn heeft bereikt en klaagster daarmee bedoeld heeft hoger beroep aan te tekenen, heeft de voorzitter in dit geval besloten haar hoger beroep in behandeling te nemen.

Inhoudelijk

5.2        Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de raad. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over. Hetgeen in hoger beroep nog (aanvullend) naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Het hof verwerpt de beroepsgronden van klaagster en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.

5.3        Het vorenstaande voert het hof tot de slotsom dat de beslissing van de raad moet worden bekrachtigd.

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-        bekrachtigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 8 juni 2020, gewezen onder nummer 20-208/A/A.

Deze beslissing is gewezen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. E.L. Pasma en mr. A.D.R.M. Boumans in tegenwoordigheid van mr. A.M. van der Hoorn, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2021.

griffier        voorzitter     

De beslissing is verzonden op 22 januari 2021.