We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRSHE:2026:97 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-433/DB/OB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:97
Datum uitspraak: 27-07-2026
Datum publicatie: 27-07-2026
Zaaknummer(s): 25-433/DB/OB
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht over de advocaat van de wederpartij in medische tuchtprocedures. Niet gebleken dat verweerder bewust onjuistheden heeft verkondigd. Het stond verweerder vrij om het standpunt van zijn cliënt(e) naar voren te brengen. Niet gebleken dat verweerder zich onnodig grievend heeft uitgelaten. Klacht ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 27 juli 2026

in de zaak 25-433/DB/OB

naar aanleiding van de klacht van:

klager

en

klaagster

over:

verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 26 december 2024 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 27 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 48|24|174K van de deken ontvangen.

1.3 Bij beslissing van 29 augustus 2025 (ECLI:NL:TADRSHE:2025:124) heeft de voorzitter van de raad de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Klagers hebben op 26 september 2025 verzet ingesteld tegen deze voorzittersbeslissing. Het verzet is behandeld op de zitting van 17 november 2025.

1.4 Bij beslissing van 5 januari 2026 (ECLI:NL:TADRSHE:2026:5) is het verzet gegrond verklaard, de voorzittersbeslissing van 29 augustus 2025 vernietigd en bepaald dat de klacht op een nieuwe zitting zal worden behandeld.

1.5 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 juni 2026. Daarbij waren klagers en verweerder aanwezig.

1.6 De raad heeft kennisgenomen van:

  • het in 1.2 genoemde klachtdossier;
  • de op de inventaris genoemde bijlagen 01 tot en met 08;
  • de aanvullende stukken van klagers van 13 juli 2025;
  • de onder 1.3 en 1.4 genoemde beslissingen;
  • het verzetschrift van klagers;
  • het proces-verbaal van de zitting van 17 november 2025.

2 FEITEN

2.1 Klager is de zoon van klaagster en haar man (hierna: de vader). De vader is op 11 januari 2019 opgenomen in een behandelcentrum. Op 22 maart 2019 is bij de vader een bloedtest afgenomen. De vader is nadien opgenomen in het ziekenhuis. Op 17 april 2019 is de vader uit het ziekenhuis ontslagen en teruggekeerd naar het behandelcentrum. Op 23 juli 2019 is de vader opgenomen in een verpleegtehuis. Op 6 mei 2021 is de vader overleden.

2.2 Klagers hebben nadien tuchtklachten ingediend tegen drie artsen, werkzaam in het behandelcentrum, het ziekenhuis en het verpleegtehuis. Verweerder heeft deze artsen bijgestaan als advocaat in eerste aanleg en in hoger beroep.

2.3 De raad zal hierna, waar nodig, nader ingaan op de relevante feiten per klachtonderdeel.

3 KLACHT 

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende:

  1. Verweerder heeft ten onrechte gesteld dat de verminderde nierfunctie pas in het ziekenhuis is vastgesteld, terwijl dat de reden was om de vader naar het ziekenhuis te sturen;
  2. Verweerder heeft ten onrechte herhaald gesteld dat de waarschijnlijkheidsdiagnose pas bij ontslag uit het ziekenhuis is gegeven, terwijl de diagnose twee weken daarvoor is gegeven;
  3. Verweerder heeft ten onrechte herhaald gesteld dat de vader in maart 2019 niet veel slechter at dan daarvoor;
  4. Verweerder heeft ten onrechte gesteld dat een gesprek tussen klager en arts 1 is gepland voor een week later, terwijl het twee weken later was;
  5. Verweerder heeft ten onrechte gesteld dat de waarnemer geen medische reden zag voor een gesprek, terwijl hij had kunnen weten dat de waarnemer niet goed op de hoogte was;
  6. Verweerder heeft ten onrechte herhaald gesteld dat arts 2 niet bij de maatregel betrokken was, terwijl uit een transcript volgt dat dit niet waar is;
  7. Verweerder heeft ten onrechte gesteld dat arts 3 geen hoofd medische dienst was;
  8. Verweerder heeft ten onrechte gesteld dat klagers er geen belang bij hebben of een andere afdeling binnen de zorgorganisatie niet goed door een apotheekaudit is gekomen, terwijl de vader op die afdeling heeft verbleven;
  9. Verweerder heeft zich onnodig grievend uitgelaten over klager door te stellen dat klager zou hebben ingestemd met de maatregel, terwijl deze maatregel was afgedwongen met het dreigement dat aan klager een toegangsverbod zou worden opgelegd en daardoor zijn vader niet meer zou kunnen bezoeken in diens laatste levensfase;
  10. Verweerder heeft klager herhaald beschuldigd van wangedrag zonder daarvoor bewijs te leveren en zonder dat leden van het zorgpersoneel bij de relevante feiten aanwezig waren.

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hetgeen klagers hebben aangevoerd, is een herhaling van wat in de tuchtprocedures tegen de artsen naar voren is gebracht. Het vormt geen onderbouwing voor de klachtonderdelen. Verweerder heeft zijn argumenten aangevoerd op basis van de inhoud van het medische dossier en de toelichting die hij van de artsen heeft ontvangen. Verweerder ziet niet in dat hij zich onnodig grievend zou hebben uitgelaten over klager of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5 BEOORDELING

Toetsingskader

5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

Klachtonderdeel 1): verminderde nierfunctie

5.2 Op 22 maart 2019 is door arts 1 een bloedtest afgenomen bij de vader. De vader is vervolgens opgenomen in het ziekenhuis.

5.3 In het verweerschrift op de tuchtklacht tegen arts 1 heeft verweerder onder meer opgemerkt dat op 22 maart 2019 bloed is geprikt bij de vader, dat op basis van de uitslagen van dat onderzoek is geconstateerd dat de nierfunctie is verslechterd en dat besloten is om de vader op te laten nemen in het ziekenhuis.

5.4 In het verweerschrift in hoger beroep heeft verweerder, voor zover relevant, opgenomen:

“Beklaagde heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend specialist ouderengeneeskunde in de gegeven omstandigheden kon en mocht worden verwacht. Dat achteraf - na onderzoek in het ziekenhuis - is gebleken dat patiënt kampte met een verminderde nierfunctie en voorts ook leed aan vasculaire dementie, doet daaraan niet af.”

5.5 Volgens klagers heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door in het verweerschrift in hoger beroep te stellen dat de verminderde nierfunctie pas in het ziekenhuis is vastgesteld, terwijl dat de reden was om klagers vader op te laten nemen in het ziekenhuis.

5.6 Het is de raad onvoldoende gebleken dat verweerder (bewust) onjuistheden naar voren heeft gebracht. Vooropgesteld wordt dat de raad geen medisch specialist is. Hij kan dan ook geen medisch oordeel geven. Geconstateerd wordt dat over het bloedonderzoek van 22 maart 2019 wordt gesproken, dat toen sprake was van een verslechterde nierfunctie en dat vervolgens wordt gesteld dat na onderzoek in het ziekenhuis is gebleken dat sprake is van een verminderde nierfunctie. De raad kan op basis van het dossier niet vaststellen dat dit (verslechterd versus verminderd) synoniemen van elkaar zijn. Niet valt uit te sluiten dat deze termen duiden op andere medische aandoeningen of andere gevolgen, in termen van tijdelijkheid of chronisch, hebben. Verweerder heeft die medische expertise evenmin. Hij heeft in dat verband toegelicht af te gaan op de informatie die hij van zijn cliënt(e) krijgt, die wél medische expertise heeft. Dat valt ook onder de ruime vrijheid die verweerder toekomt. Gelet daarop kan de raad niet vaststellen dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Klachtonderdeel 1) is ongegrond.

Klachtonderdeel 2): waarschijnlijkheidsdiagnose

5.7 Op 3 april 2019 heeft een geriater een rapport opgesteld met daarin een waarschijnlijkheidsdiagnose.

5.8 Op 17 april 2019 is klagers vader uit het ziekenhuis ontslagen.

5.9 In het verweerschrift op de tuchtklacht tegen arts 1 heeft verweerder opgenomen:

Pas achteraf - bij ontslag van patiënt uit het ziekenhuis - is namelijk door het ziekenhuis als waarschijnlijkheidsdiagnose gegeven: 'acuut op chronische nierinsufficiëntie: WD prerenaal bij verminderde intake en diuretica.”

Bij het verweerschrift is het rapport van 3 april 2019 als bijlage bijgevoegd.

5.10 Klagers hebben hierover, onder meer in hun hogerberoepschrift, hun bezwaren geuit en gesteld dat het onjuist is dat de waarschijnlijkheidsdiagnose pas na ontslag van de vader uit het ziekenhuis is gegeven.

5.11 In het verweerschrift in hoger beroep heeft verweerder voornoemde passage herhaald. Dit heeft verweerder ook gedaan in zijn pleitnota in hoger beroep.

5.12 Volgens klagers heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de stellen dat de waarschijnlijkheidsdiagnose is gegeven bij het ontslag van de vader uit het ziekenhuis, terwijl de waarschijnlijkheidsdiagnose twee weken daarvoor is gegeven.

5.13 Het is de raad niet gebleken dat verweerder bewust onjuiste feiten naar voren heeft gebracht. De raad stelt vast dat de juistheid van de stelling van verweerder over de datum van de waarschijnlijkheidsdiagnose reeds onderwerp van debat is in de onderliggende tuchtprocedure. Het is dan ook aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: CTG) om daarover een oordeel te geven. Voor zover verweerders stelling onjuist blijkt te zijn, is nog niet gebleken dat verweerder dit bewust heeft gedaan. Klagers wijzen er nog, onder verwijzing naar HvD 3 juli 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:106, op dat verweerder zijn foutieve weergave van de feiten dan had moeten herstellen. De raad volgt klagers er niet in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door dit na te laten. Anders dan in voornoemde beslissing, was de eventuele onjuistheid van verweerders stelling over de feiten al onderdeel van het debat nadat klagers zich daarover hebben beklaagd. Van een disproportionele schending van de belangen van klagers is dan ook geen sprake. Klachtonderdeel 2) is ongegrond.

Klachtonderdeel 3): slechter eten

5.14 Op 17 januari 2019 is in een rapport over klagers vader opgenomen: “eten gaat hier goed”.

5.15 In rapporten van 9 maart 2019 tot en met 19 maart 2019 is onder meer opgenomen dat klagers vader slecht dronk, weinig at en zou zijn afgevallen.

5.16 In het verweerschrift op de tuchtklacht tegen arts 1 heeft verweerder opgenomen:

(…) waarbij beklaagde opmerkt dat patiënt geen verminderde intake had.”

5.17 In zijn pleitnota in hoger beroep heeft verweerder opgenomen:

“(…) waarbij beklaagde opmerkt dat de intake van patiënt niet substantieel anders was dan gedurende de gehele verpleeghuis opname tot opname ziekenhuis.”

5.18 Volgens klagers heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, omdat hij wist of had moeten weten dat de vader substantieel slechter at en dronk in maart 2019 dan in januari 2019.

5.19 De raad verwijst naar zijn oordeel bij klachtonderdeel 2, in overweging 5.13. Ook bij dit klachtonderdeel is niet gebleken dat verweerder bewust onjuistheden heeft verkondigd. De discussie over de feitenvaststelling hoort thuis in de tuchtprocedure bij het CTG. Klachtonderdeel 3) is ongegrond.

Klachtonderdeel 4): gesprek met arts 1

5.20 Op 29 maart 2019 was een gesprek gepland tussen de waarnemende arts en klager.

5.21 In het verweerschrift in hoger beroep heeft verweerder opgenomen:

De vervangster zag geen reden om te voldoen aan het verzoek van de familie voor een familiegesprek. Medisch gezien zag zij geen reden en tevens stond er reeds een gesprek gepland een week later.”

5.22 Volgens klagers heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door te stellen dat het gesprek een week later zou plaatsvinden, terwijl het gesprek twee weken later zou plaatsvinden.

5.23 De raad wijst ook bij dit klachtonderdeel naar het oordeel bij klachtonderdeel 2, onder 5.13. Voor zover verweerder de onjuiste stelling zou hebben ingenomen dat het gesprek twee weken later zou plaatsvinden, terwijl dat één week was, dan is niet gebleken dat verweerder dit bewust heeft gedaan. Evenmin ziet de raad in dat de belangen van klagers daarbij op disproportionele wijze zijn geschaad. Klachtonderdeel 4) is ongegrond.

Klachtonderdeel 5): waarnemend arts

5.24 In het verweerschrift in hoger beroep heeft verweerder opgenomen:

5.25 “De vervangster zag geen reden om te voldoen aan het verzoek van de familie voor een familiegesprek. Medisch gezien zag zij geen reden (…)”

5.26 Volgens klagers heeft verweerder hiermee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, omdat hij wist of moest weten dat de waarnemend arts niet goed op de hoogte was.

5.27 Verweerder heeft namens zijn cliënt(e) naar voren gebracht dat deze geen reden zag om te voldoen aan het verzoek voor een familiegesprek. Dat klagers menen dat de arts niet goed was voorbereid, doet er niet aan af dat de arts geen aanleiding zag voor een gesprek en dat verweerder dat naar voren mocht brengen. Klachtonderdeel 5 is ongegrond.

Klachtonderdeel A.6): betrokkenheid arts 2 bij maatregel

5.28 Aan klager sub 1 is op enig moment een maatregel opgelegd om de ziekenhuiskamer te verlaten op het moment dat zijn vader verzorgd werd, op straffe van een bezoekverbod.

5.29 Na het overlijden van de vader, hebben klagers een eindgesprek gehad met diverse medewerkers van het ziekenhuis. Daarin is door arts 2 verklaard dat de maatregel is afgesproken met het hele zorgteam.

5.30 In het verweerschrift op de tuchtklacht tegen arts 2 heeft verweerder opgenomen:

“Bij het maken van deze afspraken is beklaagde niet betrokken geweest. Ze zijn de uitkomst van het gesprek van klager met het hoofd medische dienst en de teammanager.”

5.31 In zijn pleitnota in hoger beroep in de tuchtklacht 2 heeft verweerder opgenomen:

“Beklaagde was niet betrokken bij de beslissing om [klager] niet toe te laten tijdens de verzorging van de patiënt. Dit besluit werd genomen door het zorgteam om de veiligheid van het team en de patiënt.”

5.32 In het verweerschrift op de tuchtklacht tegen arts 3 heeft verweerder opgenomen:

“De collega behandelaar [arts 2] heeft verklaard dat deze afspraak niet alleen met beklaagde [arts 3] gemaakt was, maar met het hele zorgteam en dat de oorsprong van de maatregel lag in een gesprek met haar.”

5.33 Volgens klagers heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, omdat hij wist of had moeten weten dat arts 2 bij de totstandkoming van de maatregel betrokken was.

5.34 De raad ziet onvoldoende voor de conclusie dat verweerder bewust onjuistheden heeft verkondigd. Zijn cliënt(e) stelde zich op het standpunt dat zij niet betrokken is geweest bij de totstandkoming van de maatregel. Verweerder mocht uitgaan van de juistheid daarvan en dat standpunt vervolgens naar voren brengen in de tuchtzaak. Dat is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klachtonderdeel 6 is ongegrond.

Klachtonderdeel 7): hoofd medische dienst

5.35 In het verweerschrift op de tuchtklacht tegen arts 3 heeft verweerder opgenomen:

“Beklaagde was op het moment van inschakelen niet het hoofd medische dienst.”

5.36 Volgens klagers heeft verweerder hiermee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, omdat hij wist of had moeten weten dat arts 3 wel het hoofd medische dienst was.

5.37 De raad ziet ook hier onvoldoende voor de conclusie dat verweerder bewust onjuistheden heeft verkondigd. Als verweerder van zijn cliënt(e) heeft vernomen dat deze in de bewuste periode geen hoofd medische dienst was, dan mocht hij op de juistheid daarvan vertrouwen. Klachtonderdeel 7 is ongegrond.

Klachtonderdeel 8): belang bij apotheekaudit

5.38 In het verweerschrift op de tuchtklacht tegen arts 2 heeft verweerder opgenomen:

“Het wel of niet door een apotheekaudit komen van een andere afdeling binnen [naam afdeling] valt buiten de scope van een tuchtklacht van de nabestaanden van deze patiënt. Zij hebben daar geen enkel belang bij.”

5.39 Volgens klagers heeft verweerder hiermee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, omdat verweerder er vanuit de tuchtklacht tegen arts 1 mee bekend was dat klagers vader in het behandelcentrum verbleven heeft en dat klagers dus belang hebben bij de medicatieverschaffing aan de vader. Verweerder heeft hiermee een feitelijk onjuiste voorstelling van zaken gegeven.

5.40 Verweerder heeft zich namens zijn cliënt(e) op het standpunt mogen stellen dat de verwijten met betrekking tot de apotheekaudit buiten de reikwijdte van de tuchtklacht vielen. Het staat een advocaat gelet op diens ruime vrijheid de zaak naar eigen inzicht te behandelen vrij om dergelijke juridische argumenten in te nemen. Dat klagers het daar niet mee eens zijn, maakt niet dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Klachtonderdeel 8 is ongegrond.

Klachtonderdeel 9): niet ingestemd met maatregel

5.41 Verweerder heeft zich volgens klager onnodig grievend uitgelaten, meer concreet door te stellen dat klager zou hebben ingestemd met de maatregel, terwijl deze maatregel was afgedwongen met het dreigement dat aan klager een toegangsverbod zou worden opgelegd en daardoor zijn vader niet meer zou kunnen bezoeken in diens laatste levensfase;

5.42 In het verweerschrift op de tuchtklacht tegen arts 3 heeft verweerder opgenomen:

“Bovendien heeft klager met deze afspraak ingestemd. De afspraak was proportioneel. Zou klager niet hebben ingestemd of zich er niet aan hebben gehouden dan zouden vervolgmaatregelen worden getroffen zoals verwoord door de teammanager.”

5.43 Volgens klagers heeft verweerder zich hiermee onnodig grievend uitgelaten, omdat hij wist dat klager niet heeft ingestemd met de maatregel maar dit werd afgedwongen onder de draconische voorwaarde dat aan hem anders een bezoekverbod zou worden opgelegd.

5.44 De raad ziet niet in dat verweerder zich onnodig grievend zou hebben uitgelaten. Het is duidelijk dat klager het niet eens was met de maatregel en daar met (grote) tegenzin gevolg aan heeft gegeven. Verweerder heeft dat als een instemming kunnen verwoorden. Dat heeft hij op zakelijke wijze gedaan. Klachtonderdeel 9 is ongegrond.

Klachtonderdeel 10): beschuldiging van wangedrag

5.45 In het verweerschrift op de tuchtklacht tegen arts 3 heeft verweerder opgenomen:

“Deze afspraak was nodig gezien de dwingende opstelling van klager jegens de leden van het team. Dat vonden niet alleen de leden van het team, maar ook de teamleider, de behandelaar en beklaagde. Bovendien heeft klager met deze afspraak ingestemd. De afspraak was proportioneel. Zou klager niet hebben ingestemd of zich er niet aan hebben gehouden dan zouden vervolgmaatregelen worden getroffen zoals verwoord door de teammanager. Daaruit blijkt dat het gedrag van klager volstrekt onaanvaardbaar was.”

5.46 Volgens klagers heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door klagers gedrag ‘volstrekt onaanvaardbaar’ te achten, terwijl hij daarvoor geen bewijs levert. Ook had verweerder moeten weten dat arts 3 en de teammanager nooit een gesprek met klager hebben gehad voordat de maatregel al vaststond.

5.47 De cliënt(e) van verweerder heeft het handelen van klager kennelijk als volstrekt onaanvaardbaar opgevat. Het stond verweerder vrij om dat standpunt vervolgens in te nemen namens deze cliënt(e). Dat klagers het daar niet mee eens zijn of het nader onderbouwd wensen te zien, doet er niet aan af dat verweerder dit standpunt ter behartiging van de belangen van zijn cliënt(e) mocht innemen. Klachtonderdeel 10 is ongegrond.

Conclusie

5.48 De klacht is in het geheel ongegrond.

BESLISSING

De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. V.E.J. Noelmans, voorzitter en mrs. A.A.T. van Ginderen en S.M.P.T. Ruijs-Kréte, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken op 27 juli 2026.

Griffier                                                                            Voorzitter

Verzonden op: 27 juli 2026