We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRSHE:2026:96 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-328/DB/ZWB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:96
Datum uitspraak: 27-07-2026
Datum publicatie: 27-07-2026
Zaaknummer(s): 26-328/DB/ZWB
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening door de eigen advocaat. Verweerster heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door te weigeren een procedure te starten. Ook is niet gebleken dat zij onjuist advies heeft gegeven over de geldigheid van het Noord-Macedonische testament. Klager is akkoord gegaan met het versturen van een brief waarin de namen van getuigen werden genoemd, zodat de klacht dat verweerster dit zonder toestemming heeft gedaan niet slaagt. Ook niet gebleken dat het dossier onvolledig is overgedragen. Klacht ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 27 juli 2026

in de zaak 26-328/DB/ZWB

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 29 maart 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2 Op 15 april 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-034 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 juni 2026. Klager was daarbij niet aanwezig, zoals hij vooraf heeft laten weten. Verweerster was aanwezig.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 14.

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2 Klager heeft een erfrechtelijk geschil met de ex-partner van zijn overleden vriendin. Klagers vriendin heeft een Nederlands testament waarin haar ex-partner als erfgenaam is benoemd. Op 31 juli 2023 heeft de vriendin in het bijzijn van vier in Noord-Macedonië woonachtige getuigen een tweede, handgeschreven testament opgesteld. De getuigen hebben alle vier een verklaring opgesteld.

2.3 In maart 2024 heeft klager zich tot verweerster gewend voor rechtsbijstand in de erfrechtelijke kwestie. Op 12 maart 2024 heeft verweerster een opdrachtbevestiging verstuurd.

2.4 Verweerster heeft met klager afgesproken om te pogen een minnelijke oplossing te bereiken, inhoudende dat beide partijen een verklaring van erfrecht zouden laten opstellen waarin zou worden vastgelegd dat klager en de wederpartij gezamenlijk bevoegd zijn om de nalatenschap te beheren. Op 4 april 2024 heeft verweerster een conceptbrief voorgelegd aan klager, met daarin de namen en woonplaatsen van de vier Noord-Macedonische getuigen. Op 6 april 2024 heeft klager ingestemd met de brief, waarna deze is verzonden.

2.5 Op 6 augustus 2024 heeft de notaris een conceptverklaring van erfrecht verzonden.

2.6 Op 19 augustus 2024 heeft klager verweerster laten weten dat hij toch een gerechtelijke procedure wenste te starten. Verweerster heeft in de periode daarna tot en met 10 september 2024 geadviseerd de verklaring voor erfrecht eerst te laten passeren, omdat een procedure veel tijd en geld kost en het onbeheerd laten van de nalatenschap kan leiden tot schade en extra kosten. Daaraan heeft verweerster toegevoegd dat klager er rekening mee moet houden dat hij het huis van zijn vriendin niet toebedeeld zal krijgen, gelet op artikel 1 van het Verdrag inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen (hierna: het Verdrag), en dat de opbrengsten van de erfenis naar verwachting lager zullen zijn dan de kosten van een gerechtelijke procedure. Op 10 september 2024 heeft verweerster klager de optie voorgehouden om een andere advocaat te zoeken gelet op het verschil van inzicht. Op 30 september 2024 heeft verweerder gevraagd om een reactie.

2.7 Op 1 oktober 2024 heeft klager zich gewend tot een nieuwe advocaat. Op 9 oktober 2024 heeft verweerster het dossier overgedragen aan de nieuwe advocaat. Verweerster heeft diverse e-mails nagezonden, omdat de nieuwe advocaat deze niet geopend kreeg.

2.8 In december 2024 heeft een Noord-Macedonisch advocatenkantoor op verzoek van het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: het IJI) een advies uitgebracht over (uitsluitend) het Noord-Macedonisch erfrecht.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.

  1. Verweerster heeft ondanks herhaald verzoek geweigerd een gerechtelijke procedure te starten;
  2. Verweerster heeft een onjuist advies gegeven, dat bovendien was gebaseerd op onvolledige informatie;
  3. Verweerster heeft zonder toestemming van klager vier getuigenverklaringen aan de advocaat van de wederpartij gezonden, waardoor klagers positie is verzwakt;
  4. Verweerster heeft het dossier niet volledig overgedragen.

4 VERWEER

4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

Toetsingskader

5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

Klachtonderdeel a)

5.2 Aan advocaten komt als dominus litis de vrijheid toe om te bepalen of en hoe zij een zaak willen behandelen. Dat houdt onder meer in dat advocaten niet verplicht zijn een gerechtelijke procedure te starten, als zij daarin onvoldoende kans op succes zien of niet in verhouding achten tot het eventuele resultaat. Verweerster heeft aan klager meerdere keren uitgelegd dat zij een procedure afraadde vanwege de lange tijd en hoge kosten die daarmee gepaard gaan. Klager heeft vervolgens alsnog besloten om te procederen, ondanks het nadrukkelijke advies van verweerster om dat niet te doen. Er was volgens haar dan ook een verschil van inzicht ontstaan, waarbij zij klager de optie heeft meegegeven om zich te wenden tot een andere advocaat. Verweerster heeft daarmee gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mocht worden verwacht. De raad wijst daarbij ook op gedragsregel 14 lid 2, waaruit volgt dat van advocaten wordt verwacht dat zij hun werkzaamheden neerleggen als sprake is van een onoverbrugbaar verschil van inzicht. Klachtonderdeel a) is ongegrond.

Klachtonderdeel b)

5.3 Verweerster wordt vervolgens verweten een onjuist advies te hebben gegeven over de geldigheid van het Noord-Macedonische testament. De raad stelt vast dat verweerster zich onder verwijzing naar artikel 1 van het Verdrag op het standpunt heeft gesteld dat de woning in ieder geval niet toebedeeld zou worden aan klager. De raad is van oordeel dat verweerster dat standpunt in redelijkheid kon innemen. Niet is gebleken dat verweerster het advies heeft gegeven op basis van onvolledige informatie. Dat er nog geen advies was ingewonnen bij het IJI doet aan het voorgaande niet af. Voor zover klager in het IJI-advies meent te lezen dat hij wel in aanmerking zou komen om de woning toebedeeld te krijgen, miskent klager immers dat in dat advies geen rekening is gehouden met internationale verdragen maar slechts met het Noord-Macedonische (nationale) recht. Klachtonderdeel b) is ongegrond.

Klachtonderdeel c)

5.4 Onweersproken is dat verweerster het bericht waarin de getuigen werden genoemd in concept heeft voorgelegd aan klager, die akkoord is gegaan met de verzending daarvan. Voor zover de wederpartij deze brief met derden heeft gedeeld, is dat iets waar verweerster niet verantwoordelijk voor kan worden gehouden. Klachtonderdeel c) is ongegrond.

Klachtonderdeel d)

5.5 Niet gebleken is dat verweerster het dossier niet volledig heeft overgedragen. Dat enkele e-mails niet geopend konden worden door de nieuwe advocaat, betekent niet dat verweerster tekort is geschoten in de overdracht. Zij heeft de e-mails daarna opnieuw verstuurd, waarna het probleem kennelijk is opgelost. Klachtonderdeel d) is ongegrond.

Conclusie

5.6 De raad zal de klacht in het geheel ongegrond verklaren.

BESLISSING

De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. V.E.J. Noelmans, voorzitter en mrs. A.A.T. van Ginderen en S.M.P.T. Ruijs-Kréte, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken op 27 juli 2026.

Griffier                                                                            Voorzitter

Verzonden op: 27 juli 2026