ECLI:NL:TADRSHE:2026:94 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-325/DB/ZWB
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:94 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-07-2026 |
| Datum publicatie: | 27-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-325/DB/ZWB |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij in echtscheidingszaak. Het was de taak van verweerster om de belangen van de vrouw te behartigen. De vrouw had aan verweerster verteld dat klagers melding bij TAF, dat hij vanaf aanvang verzekering had gerookt, in strijd met de waarheid was. De vrouw wilde bewerkstelligen dat de premieverhoging en vordering tot nabetaling ongedaan werden gemaakt. Om dat doel te bereiken moest verweerster TAF namens de vrouw aanschrijven en het standpunt van de vrouw aan TAF overbrengen. De raad is van oordeel dat verweerster genoegzaam gemotiveerd heeft toegelicht dat en waarom het in het kader van de behartiging van de belangen van haar cliënte van belang was om in de brief aan TAF melding te maken het gedrag van klager. Niet gebleken dat verweerster structureel heeft bijgedragen aan de escalatie van echtscheidingsgeschillen en heeft nodeloos regelingen in de weg gestaan. Ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 27 juli 2026
in de zaak 26-325/DB/ZWB
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
gemachtigde:
mr. S.A.J. van Riel
advocaat te Tilburg
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 22 oktober 2025 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: “de deken”).
1.2 Op 15 april 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-099 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 29 juni 2026. Verschenen zijn klager en verweerster, bijgestaan door haar kantoorgenoot mr. R, advocaat.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de nagekomen e-mail met bijlagen van klager van 15 april 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager is op 23 juli 2022 gehuwd met mevrouw L, hierna: “de vrouw”. In 2025 heeft verweerster namens de vrouw bij de rechtbank een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van voorlopige voorzieningen ingediend. Klager is in de gerechtelijke procedure(s) bijgestaan door mr. F, advocaat.
2.3 In verband met gedragingen van klager jegens de vrouw heeft zij contact gezocht met de politie. Op 17 april 2025 heeft de politie een stopgesprek gevoerd met klager. Een stopgesprek is een officiële waarschuwing van de politie aan een (vermoedelijke) stalker of dader van ongewenst gedrag. Op 1 augustus 2025 heeft de vrouw tegen klager bij de politie aangifte gedaan van stalking. Op 8 september 2025 heeft de officier van justitie aan klager een “Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast” gegeven. Deze gedragsaanwijzing hield een gebiedsverbod en een contactverbod in. De gedragsaanwijzing is gegeven voor de periode van 8 september 2025 tot 6 december 2025. Op 3 december 2025 is het contact- en gebiedsverbod verlengd tot 5 maart 2026. Verweerster heeft in processtukken melding gemaakt van wangedrag van klager jegens de vrouw. Ook heeft verweerster namens de vrouw gesteld dat er sinds maart 2025 sprake is van voortdurende politiebescherming en dat op 8 september 2025 een gedragsaanwijzing aan klager is gegeven.
2.4 Ter onderbouwing van de waarde van de voormalige echtelijke woning heeft verweerster een taxatierapport van 20 juni 2025, opgesteld door de heer P, in het geding gebracht. In het rapport is vermeld dat de heer P de taxatie heeft verricht in zijn hoedanigheid van register-taxateur. Op enig moment heeft klager, die het met de getaxeerde waarde niet eens was, tegen de heer P een klacht ingediend bij Stichting Tuchtrechtspraak NRVT. De secretaris van de Stichting Tuchtrechtspraak NRVT heeft daarop bij klager aangegeven de klacht niet in behandeling te kunnen nemen, omdat de heer P per 1 januari 2025 was uitgeschreven als register-taxateur. Dit betekende, aldus de secretaris, dat de heer P zich in het taxatierapport ten onrechte had uitgegeven voor register-taxateur. Bij brief van 19 september 2025 heeft klagers advocaat verweerster onder meer bericht dat de heer P zich ten onrechte had voorgedaan als register-taxateur.
2.5 In 2020 hebben klager en de vrouw bij TAF een overlijdensrisicoverzekering op klagers leven afgesloten met klager als verzekerde en de vrouw als verzekeringnemer. De premie bedroeg, rekening houdend met het feit dat klager op het moment van afsluiten had aangegeven niet te roken noch te drinken, € 43,28 per maand. Na beëindiging van de relatie is de vrouw de premie blijven betalen. Op 14 augustus 2025 heeft de vrouw van TAF een brief ontvangen met de mededeling dat klager bij TAF er melding van had gemaakt dat hij bij het afsluiten van de polis ten onrechte niet had vermeld dat hij destijds rookte en dat hij ook thans rookt. Naar aanleiding van deze melding heeft TAF aan de vrouw medegedeeld dat met terugwerkende kracht (vanaf de ingangsdatum 1 mei 2020) het rokerstarief in rekening moest worden gebracht, zodat de vrouw over alle voorbije maanden en voor de nog komende maanden een premie van € 84,83 in plaats van € 43,28 per maand diende te betalen. TAF verlangde van de vrouw voor de voorbije maanden een nabetaling ten bedrage van € 2.747,49.
2.6 De vrouw heeft aan verweerster verteld dat de melding van klager aan TAF onwaar was, omdat klager nimmer had gerookt, en dat de melding enkel was gedaan om de vrouw te benadelen. Klager heeft desgevraagd bij monde van zijn advocaat mr. F aangegeven niet bereid te zijn om de melding ongedaan te maken. Verweerster heeft op 23 september 2025 namens de vrouw aan TAF een brief gestuurd, waarin zij - onder meer - het volgende aan TAF heeft medegedeeld:
“(…) Ik sta cliënte bij in verband met het voornemen tot echtscheiding dat zij en haar man (de verzekerde op de polis, zijnde [klager]), beiden hebben uitgesproken. Ter inleiding op die scheiding is van belang dat u kennis neemt van het volgende. De echtscheidingsprocedure is momenteel nog niet gestart, de verwachting is dat cliënte die in oktober 2025 in gang gaat zetten bij de rechtbank Oost-Brabant.
Cliënte heeft de echtelijke woning omwille van haar eigen veiligheid wegens structureel wangedrag van [klager] jegens haar, begin maart 2025 verlaten. [Klager] weet inmiddels waar zij sedertdien woont, wat ook weer tot narigheid heeft geleid. De Politie Oost-Brabant, Teamrecherche Meijerij te 's-Hertogenbosch heeft [klager] op 8 september 2025 een gebieds- en contactverbod opgelegd ter bescherming van cliënte voor de duur van 90 dagen (een zogeheten gedragsaanwijzing).
Cliënte heeft via TAF begrepen dat [klager] in mei of juni 2025 een mededeling heeft gedaan waarin hij aangeeft dat hij bij het sluiten van de polis niet heeft vermeld dat hij destijds rookte en/of dat hij ook thans rookt. Naar aanleiding van deze mededeling heeft TAF aan cliënte medegedeeld dat zij met terugwerkende kracht (vanaf nota bene de ingangsdatum 1 mei 2020) het rokerstarief in rekening gebracht gaat krijgen. In financiële zin betekent dit dat cliënte over al deze maanden én voor de nog lopende maanden op de polis € 84,83 in plaats van € 43,28 per maand dient (bij) te betalen. Zo wordt thans van haar betaling van een bedrag ad € 2.747,49 verlangd.
Cliënte betwist de rechtmatigheid van dat standpunt van TAF.
(…)
Ik merk ook op dat cliënte het (wan)gedrag van [klager] jegens haar met bewijsstukken kan staven, waartoe zij bereid is onder strikt vertrouwelijk toezending van delen van het politiedossier. (…)”
2.7 Bij brief van 21 oktober 2025 heeft klagers advocaat – onder meer - aan verweerster medegedeeld dat zij met haar brief aan TAF in strijd met de gedragsregels had gehandeld.
2.8 Op 22 oktober 2025 heeft TAF het verzoek van de vrouw ingewilligd.
2.9 Op 22 oktober 2025 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:
1. Verweerster heeft in haar brief van 23 september 2025 persoonlijke informatie over klager gedeeld met de verzekeraar, hetgeen onzorgvuldig, onnodig grievend en in strijd met de geheimhoudingsplicht is;
2. Verweerster heeft structureel bijgedragen aan de escalatie van echtscheidingsgeschillen en heeft nodeloos regelingen in de weg gestaan. Dit blijkt uit:
a. het hanteren en blijven gebruiken van een ondeugdelijk, frauduleus tot stand gekomen taxatierapport met een extreem hoge taxatiewaarde van de woning, terwijl zij wist dat het rapport niet aan de professionele normen voldeed;
b. het in de processtukken geven van een onjuiste feitelijke voorstelling van klagers gedrag, door te stellen dat sprake zou zijn van een voortdurende politiebescherming sinds maart 2025.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Toetsingskader
Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:
– het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
– het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
– het verloop van het geschil tot dan toe en
– de kans op succes van de procedure.
5.3 Beoordeling
Klachtonderdeel 1 – brief aan TAF
Klager verwijt verweerster in de eerste plaats dat zij in haar brief van 23 september 2025 persoonlijke informatie over klager heeft gedeeld met de verzekeraar, hetgeen onzorgvuldig, onnodig grievend en in strijd met de geheimhoudingsplicht is. Verweerster heeft de klacht gemotiveerd weersproken. De raad overweegt als volgt.
5.4 Het was de taak van verweerster om de belangen van de vrouw te behartigen. De vrouw had aan verweerster verteld dat klagers melding bij TAF, dat hij vanaf aanvang van de verzekering had gerookt, in strijd met de waarheid was. De vrouw wilde bewerkstelligen dat de premieverhoging en vordering tot nabetaling ongedaan werden gemaakt. Omdat doel te bereiken moest verweerster TAF namens de vrouw aanschrijven en het standpunt van de vrouw aan TAF overbrengen. De raad is van oordeel dat verweerster genoegzaam gemotiveerd heeft toegelicht dat en waarom het in het kader van de behartiging van de belangen van haar cliënte van belang was om in de brief aan TAF melding te maken van het gedrag van klager. Naar het oordeel van de raad stond het verweerster vrij om in het kader van de behartiging van de belangen van haar cliënte de context te schetsen en in dat verband melding te maken van het gedrag van klager. Van onzorgvuldig optreden of van onnodig grievende uitlatingen is kortom geen sprake. In de verhouding tussen klager en verweerster is voorts geen sprake van een op verweerster rustende geheimhoudingsplicht, zodat van een schending van de geheimhoudingsplicht ook geen sprake kan zijn. Klachtonderdeel 1 is derhalve ongegrond.
5.5 Klachtonderdeel 2 – bijgedragen aan escalatie en nodeloos regelingen in de weg gestaan
Klager verwijt verweerster dat zij structureel heeft bijgedragen aan de escalatie van echtscheidingsgeschillen en nodeloos regelingen in de weg heeft gestaan. Bij de beantwoording van de vraag of verweerster voldoende de-escalerend heeft opgetreden moet naar het oordeel van de raad mede in ogenschouw worden genomen dat de sleutel tot het voorkomen van (verdere) escalatie in de eerste plaats bij partijen ligt. Een advocaat kan (verdere) escalatie slechts voorkomen, als er bij beide partijen enige mate van bereidwilligheid aanwezig is om elkaar tegemoet te komen.
5.6 Vast staat dat verweerster met de advocaat van klager heeft gecommuniceerd over de totstandkoming van een regeling. Dat verweerster op andere momenten of op andere wijzen de-escalerend had moeten optreden is de raad uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht niet gebleken. Dat verweerster heeft bijgedragen aan escalatie en nodeloos regelingen in de weg heeft gestaan, is de raad geenszins gebleken.
5.7 Klager verwijt verweerster dat zij een ondeugdelijk taxatierapport, waarvan zij wist dat het niet aan de professionele normen voldeed, heeft gehanteerd en is blijven gebruiken. Klager heeft toegelicht dat dit verwijt erop ziet dat de heer P zich in het taxatierapport van 20 juni 2025 ten onrechte zou hebben uitgegeven voor register-taxateur, nu hij per 1 januari 2025 als register-taxateur is geschrapt. Verweerster heeft dit verwijt gemotiveerd weersproken. Verweerster heeft daartoe gesteld dat zij op het moment dat zij het rapport de eerste keer in het geding bracht, helemaal niet wist dat de heer P per 1 januari 2025 als register-taxateur was geschrapt en dat zij, vanaf het moment dat zij dit wel wist, bij het in het geding brengen van het taxatierapport een aanvullende toelichting over de schrapping bij het rapport heeft gevoegd. Op basis van de overgelegde stukken heeft de raad niet kunnen vaststellen dat verweerster op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Stukken waaruit de feitelijke juistheid van het verwijt van klager blijkt, bevinden zich namelijk niet in het dossier. Het had op de weg van klager gelegen om dit onderdeel van de klacht met concrete feiten en omstandigheden en stukken te onderbouwen. Klager heeft dat niet gedaan. Het verwijt mist feitelijke grondslag.
5.8 Klager verwijt verweerster tot slot dat zij in de processtukken een onjuiste feitelijke voorstelling van klagers gedrag heeft gegeven, door te stellen dat sprake zou zijn van een voortdurende politiebescherming sinds maart 2025. De raad overweegt als volgt. Zoals hierboven overwogen, was het de taak van verweerster om de belangen van de vrouw te behartigen en in dat verband in de procedure die standpunten naar voren te brengen waarmee naar haar oordeel de belangen van de vrouw het beste werden gediend. Naar het oordeel van de raad stond het verweerster op basis van de van haar cliënte verkregen informatie vrij om de gewraakte stelling namens de vrouw te poneren. Op 17 april 2025 heeft de politie een stopgesprek met klager gevoerd. Het is de raad ambtshalve bekend dat tot het voeren van een dergelijk gesprek niet lichtzinnig wordt overgegaan. De raad acht dan ook aannemelijk dat de politie reeds in maart 2025 (op de achtergrond) in beeld was. Dat verweerster feiten heeft gesteld waarvan zij de onjuistheid kende of behoorde te kennen is de raad niet gebleken.
5.9 Indien en voor zover klager het met de door verweerster naar voren gebrachte standpunten niet eens was of deze naar de mening van klager feitelijke onjuistheden bevatten, kon hij daarop in de civiele procedure reageren. Het was vervolgens aan de civiele rechter, en niet thans aan de tuchtrechter, om te oordelen over de geschilpunten die partijen in het civielrechtelijk geschil verdeeld hielden. De procedure bij de raad van discipline is er niet voor bedoeld om de reeds gevoerde civiele procedure over te doen.
5.10 De raad komt tot de slotsom dat niet is gebleken dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De raad zal de klacht dan ook in alle onderdelen ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. H.C. Struijk, S.M. Kurvers, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 27 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 27 juli 2026