We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRSHE:2026:93 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-379/DB/LI/D

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:93
Datum uitspraak: 27-07-2026
Datum publicatie: 27-07-2026
Zaaknummer(s): 26-379/DB/LI/D
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Dekenbezwaar. Verweerster heeft in de zaken M en A niet gehandeld zoals het een behoorlijk advocaat betaamt omdat de kwaliteit van verweersters dienstverlening in deze zaken ondermaats was. Verweerster is namelijk niet ter zitting verschenen en de door verweerster ingediende processtukken bevatten onjuistheden en onvolledigheden, onder meer als gevolg van ontoereikende kennis van en ervaring met het huurrecht en het gebruik van een AI-tool. Dit alles levert een schending op van de in artikel 10a Advocatenweten genoemde kernwaarden integriteit en deskundigheid. Berisping.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 27 juli 2026

in de zaak 26-379/DB/LI/D

naar aanleiding van het bezwaar van:

de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg

deken

over:

verweerster

gemachtigde:

mr. A.F.Th.M. Heutink

advocaat te Venray

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij brief aan de raad van 30 april 2026 met kenmerk DK26-001 heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg, hierna: “de deken”, tegen verweerster een dekenbezwaar bij de raad ingediend.

1.2 Partijen zijn opgeroepen voor de behandeling van het dekenbezwaar ter zitting van 29 juni 2026. Ter zitting van de raad zijn de deken, vergezeld van mr. IH, en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde mr. AH, verschenen. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.3 De raad heeft kennisgenomen van:

  • de onder 1.1 genoemde brief van de deken van 30 april 2026 met bijlagen;
  • het door verweersters gemachtigde ingediende verweerschrift met bijlagen van 14 juni 2026 .  

2 FEITEN

Voor de beoordeling van het bezwaar van de deken wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan:

2.1 Verweerster voert een zelfstandige praktijk als advocaat in de vorm van een eenmanszaak.  Verweerster is beëdigd in 2008 en staat bij de NOvA geregistreerd op het gebied “algemene praktijk (burgerlijk recht)”. Op de website van verweersters kantoor is vermeld dat zij zaken op het gebied van het arbeids- en ontslagrecht, contracten- en ondernemingsrecht, aansprakelijkheidsrecht, het beslag- en executierecht alsmede incassozaken behandelt.

2.2 Eind 2025 heeft de deken van de rechtbank Oost-Brabant een signaal ontvangen over het optreden van verweerster in een huurzaak. Het signaal hield in dat verweerster op onzorgvuldige wijze gebruik had gemaakt van artificiële intelligentie (hierna: “AI”). Bij e-mail van 11 december 2025 heeft de deken de processtukken en correspondentie uit het betreffende dossier, hierna: “dossier M”, bij verweerster opgevraagd. Verweerster heeft de gevraagde stukken aan de deken verstrekt.

2.3 Dossier M

In dossier M heeft klaagster de heer M bijgestaan in een geschil met zijn verhuurder. De heer M is op 23 mei 2025 gedagvaard om te verschijnen voor de kantonrechter. De verhuurder heeft samengevat primair gevorderd om de huurovereenkomst te ontbinden en subsidiair om de einddatum van de huurovereenkomst vast te stellen op 19 oktober 2025. De grondslag voor de primaire vordering was volgens de verhuurder samengevat gelegen in ernstige tekortkomingen in de nakoming van de huurovereenkomst, doordat de heer M (a) niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde zou hebben (gehad), (b) het gehuurde onbeheerd zou hebben achtergelaten en (c) zonder toestemming het gehuurde zou hebben onderverhuurd. Aan de subsidiaire vordering tot vaststelling van de einddatum van de huurovereenkomst lag volgens de verhuurder samengevat ten grondslag dat er zijdens de verhuurder sprake was van dringend eigen gebruik.

2.4 Op 10 juli 2025 heeft verweerster namens de heer M een conclusie van antwoord ingediend. In deze conclusie heeft verweerster verweer gevoerd tegen de primaire vordering (ontbinding wegens ernstige tekortkomingen in de nakoming van de huurovereenkomst). Verweerster heeft in de conclusie geen verweer gevoerd tegen de subsidiaire vordering (tot vaststelling van de einddatum wegens dringend eigen gebruik). In de conclusie heeft verweerster onder meer het volgende namens de heer M naar voren gebracht:

“Toepasselijkheid nieuwe procesregels en omvang van het stuk

(1.) Per 1 juli 2025 treden de nieuwe Landelijke Procesrichtlijnen Civiel in werking, die onder meer beperkingen stellen aan de omvang van conclusies in kantonzaken met een uitgangspunt van maximaal 15 pagina's. Deze richtlijn biedt echter ruimte om van dat maximum af te wijken indien de aard en complexiteit van de zaak dit rechtvaardigen en partijen dat gemotiveerd aangeven.

(…)

Juridisch kader en beoordeling

Woonverblijf

(22.) De vordering van [de verhuurder] steunt op artikel 7:274 lid 1 onder c BW, dat bepaalt dat de rechter de huurovereenkomst kan beëindigen indien de huurder zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft opgegeven. Dit is een limitatieve beëindigingsgrond binnen het dwingendrechtelijke huurrecht en moet volgens vaste rechtspraak restrictief worden uitgelegd, omdat beëindiging van huurbescherming een ingrijpende maatregel is.

(23.) Voor beëindiging op deze grond moet vaststaan dat [M] zijn hoofdverblijf duurzaam en daadwerkelijk heeft opgegeven. Tijdelijk verblijf elders, zakelijke verhuur of het gebruik van een ander pand als kantoorruimte is daarvoor onvoldoende. De Hoge Raad heeft bepaald dat het gaat om de duurzame persoonlijke binding met het gehuurde en het zwaartepunt van het persoonlijk leven (HR 6 december 2013, ECLl:NL:HR:2013:1385).

(24.) De bewijslast voor het ontbreken van hoofdverblijf rust volledig op [de verhuurder]. Volgens HR 14 januari 2000 (NJ 2000/112) moet de verhuurder voldoende concreet stellen en bij betwisting bewijzen dat de huurder het hoofdverblijf daadwerkelijk heeft beëindigd. Die maatstaf vereist beoordeling van alle relevante omstandigheden en feiten, niet louter vermoedens of meldingen.

(25.) Rechtbanken hanteren daarbij een strenge maatstaf. Zo overwoog de Rechtbank Oost-Brabant op 20 juli 2022 (ECLl:NL:RBOBR:2022:3899) dat het enkele feit dat een huurder over een tweede woning beschikt of elders verblijft niet betekent dat hij zijn hoofdverblijf heeft opgegeven. Er moet blijken van een duurzame en daadwerkelijke beëindiging van de woonfunctie.

(26.) Ook Rechtbank Noord-Holland 24 april 2019 (ECLl:NL:RBNHO:2019:3293) benadrukte dat het huren of gebruiken van een tweede ruimte op zichzelf geen bewijs is voor het opgeven van hoofdverblijf. De verhuurder moet aantonen dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven daadwerkelijk is verplaatst.

(27.) In Rechtbank Amsterdam 8 mei 2019 (ECLl:NL:RBAMS:2019:3528) werd uitdrukkelijk geoordeeld dat zakelijke verhuur of beheer van andere panden geen bewijs oplevert voor het prijsgeven van het hoofdverblijf in de eigen woning. Dat past bij [M]s situatie, die aantoont dat hij andere panden zakelijk financiert en beheert, met een vastgoedhypotheek op zijn naam en duidelijke scheiding tussen zijn hoofdverblijf en zijn professionele activiteiten. De hypotheekdocumenten van NIBC (productie 2) bevestigen dit zakelijke karakter en ondersteunen dat [M] zijn hoofdverblijf juist op de [adres] behield.

(…)

(29.) Getuigenverklaringen van (…..) bevestigen bovendien dat [M] op de [adres] woont en hen daar heeft ontvangen (productie 10). Dit geheel aan bewijsstukken onderbouwt zijn persoonlijke binding met het gehuurde adres.

(30.) Ook Rechtbank Rotterdam 29 maart 2021 (ECLl:NL:RBROT:2021:2648) bevestigde dat hoofdverblijf vraagt om duurzame persoonlijke binding met het gehuurde, die concreet moet worden bewezen door de verhuurder. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18 februari 2020 (ECLl:NL:RBZWB:2020:1021) en Rechtbank Den Haag 19 november 2015 (ECLl:NL:RBDHA:2015:13540) onderstreepten dat het enkel beschikken over een andere woning of elders verblijven niet volstaat. Er moet blijken van een daadwerkelijk verbroken binding met het gehuurde adres.

(…)

(32.)  Voor zover [de verhuurder] of de rechtbank acht zou willen slaan op de recente uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2025 (ECLl:NL:RBAMS:2025:2080), geldt dat deze niet op de situatie van gedaagde van toepassing is. In die zaak was sprake van constructies waarbij panden feitelijk door de eigenaar zelf werden bewoond ondanks zakelijke financiering. In het onderhavige geval gelden uitdrukkelijk hypothecaire voorwaarden waarin zelfbewoning niet is toegestaan en worden de panden aantoonbaar verhuurd met officiële contracten en inschrijvingen. De situatie van gedaagde is juist dat hij zijn hoofdverblijf op de [adres] heeft behouden en elders uitsluitend zakelijk verhuurt, volledig in lijn met de financieringsvoorwaarden.

(…)

(37.)  De rechtbank Amsterdam oordeelde op 26 oktober 2018 (ECLl:NL:RBAMS:2018:7732) dat een verhuurder bij vermoedens van onderhuur niet mag volstaan met een enkele melding, maar zorgvuldig moet onderzoeken of die melding betrouwbaar is. [De verhuurder] heeft echter in deze zaak nagelaten om [M] inhoudelijk te horen of zijn bewijsstukken te beoordelen. Zij heeft een melding uit een persoonlijk conflict overgenomen zonder hoor en wederhoor toe te passen, terwijl [M] juist bereid was om zijn situatie uitgebreid toe te lichten en alle relevante documenten te overleggen (productie 12).

(…)

(41.) De Rechtbank Amsterdam oordeelde op 26 oktober 2018 (ECLl:NL:RBAMS:2018:7732) dat de verhuurder bij een melding over onderhuur of schending van hoofdverblijfverplichting de huurder moet horen en diens uitleg serieus moet onderzoeken, juist vanwege het ingrijpende karakter van een ontruimingsvordering. Ook in HR 19 december 2008 (ECLl:NL:HR:2008:BD2646} overwoog de Hoge Raad dat een professionele verhuurder gehouden is zorgvuldig onderzoek te doen bij betwiste verwijten en niet lichtvaardig tot beëindiging van de huurovereenkomst mag overgaan.(…)”

2.5  Op 3 december 2025 heeft verweerster namens de heer M een “akte rectificatie” ingediend, waarin zij het volgende heeft gesteld:

“In de namens gedaagde opgestelde conclusie van antwoord is verwezen naar diverse rechterlijke uitspraken (ECLI-verwijzingen) die na controle niet traceerbaar bleken. Deze onjuiste verwijzingen staan in de alinea's 23- 27, 29, 30, 32, 37 en 41. Hierbij trekt gedaagde deze verwijzingen in.

De overige inhoudelijke standpunten in de conclusie van antwoord blijven ongewijzigd, behoudens de hierboven gerectificeerde verwijzingen.”

2.6 Op 9 december 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De heer M is zonder verweerster ter zitting verschenen.

2.7 Bij tussenvonnis van 12 februari 2026 heeft de kantonrechter de zaak verwezen naar de rol van 26 maart 2026 voor het indienen van een akte uitlaten door verweerster, met het verzoek om te reageren op r.o. 4.4 en om enkele vragen van de kantonrechter in relatie tot het door de verhuurder gestelde dringend eigen gebruik te beantwoorden. De kantonrechter heeft onder meer het volgende overwogen:

“Schending van artikel 21 Rv

(4.1) In de akte rectificatie conclusie van antwoord staat: “In de namens gedaagde opgestelde conclusie van antwoord is verwezen naar diverse rechterlijke uitspraken (ECLI-verwijzingen) die na controle niet traceerbaar bleken. Deze onjuiste verwijzingen staan in de alinea's 23-27, 29, 30, 32, 31, 32, 37 en 41. Hierbij trekt gedaagde deze verwijzingen in.”                 

In de conclusie van antwoord zijn acht uitspraken aangehaald. Eén ECLI-nummer bestaat niet en van de zeven andere uitspraken behoort het ECLI-nummer bij heel andere uitspraken dan omschreven in de conclusie van antwoord (bijvoorbeeld een echtscheidingsbeschikking en een strafzaak). De verwijzingen zijn ingetrokken. De ECLI-nummers zijn niet verbeterd en er is ook niet verwezen naar andere uitspraken ter onderbouwing van de verweren van [M].

(4.4)  De kantonrechter had deze onjuiste verwijzingen graag op de mondelinge behandeling met de gemachtigde willen bespreken (zeker nu er in een andere zaak ook een soortgelijke akte rectificatie is ingediend door dezelfde gemachtigde) maar de gemachtigde was (net als in de andere zaak) niet op de mondelinge behandeling aanwezig. [M] heeft desgevraagd aangegeven dat zijn gemachtigde hem op de hoogte had gesteld van deze akte rectificatie. De gemachtigde had hem verteld dat zij een bepaald systeem had gebruikt en dat daardoor de verwijzingen niet klopten. De kantonrechter heeft vervolgens gevraagd of zij ook had verteld wat voor systeem dit was en of dit ChatGPT of een ander Al-systeem was. maar dat was [M] niet bekend.

(4.5)  De kantonrechter heeft de sterke indruk dat de gemachtigde van [M] (delen van) de conclusie van antwoord heeft laten opstellen door een Al-tool zonder in ieder geval de uitspraken waar door de Al-tool naar wordt verwezen te controleren om na te gaan of er niet sprake is van een verkeerde of (zoals in dit geval) verzonnen bron. Als dit inderdaad het geval is dan is dit naar het oordeel van de kantonrechter kwalijk. Dit schaadt namelijk de belangen van de cliënt en de andere procespartij kan daardoor op het verkeerde been worden gezet. Zoals hierna wordt besproken zal de zaak worden verwezen voor akte. De gemachtigde van [M] dient in deze akte nadere uitleg te geven over het bovenstaande.

(4.6) [De verhuurder] heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de ingetrokken verwijzingen geen acht moet worden geslagen op de conclusie van antwoord en voorbij moet worden gegaan aan de daarin opgeworpen verweren. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat met de onjuiste verwijzingen weliswaar artikel 21 Rv is geschonden, maar dat het passeren van alle verweren uit de conclusie van antwoord een te zware sanctie voor [M] zou zijn.”

2.8 Op 25 maart 2026 heeft verweerster namens de heer M een “akte n.a.v. tussenvonnis 12 februari 2026” ingediend, waarin zij onder meer het volgende heeft gesteld:

“Naar aanleiding van het tussenvonnis d.d. 12 februari jl. laat gedaagde zich hierbij als volgt uit.

t.a.v. rechtsoverweging 4.4

Het is juist dat gebruik is gemaakt van een Al-tool voor de ECLI-nummers. Welke tool dat exact is geweest, kan ondergetekende niet meer achterhalen. Ze zijn gecontroleerd, vandaar de akte rectificatie. Het spijt ondergetekende enorm dat dit is gebeurd en daar is uiteraard lering uit getrokken.”

2.9 Dossier A

Naar aanleiding van het tussenvonnis van 12 februari 2026 heeft de deken bij e-mail van 24 februari 2026 het volgende aan verweerster medegedeeld:

“(…) In het tussenvonnis van de kantonrechter verwijst hij in r.o. 4.4 naar een andere zaak van uw hand waarin ook met AI zou zijn gewerkt. Graag ontvang ik van die zaak ook alle processtukken. Wilt u zo vriendelijk zijn mij die binnen één week na heden toe te zenden?”

Bij e-mail van dezelfde dag heeft verweerster de gevraagde stukken uit het dossier A aan de deken toegezonden.

2.10 In dossier A heeft verweerster de heer A bijgestaan in een geschil met de huurder. Op 3 april 2025 is de heer A door de huurder gedagvaard om te verschijnen voor de kantonrechter. De huurder heeft samengevat primair gevorderd de heer A te veroordelen tot terugbetaling van de waarborgsom, onverschuldigd doorbelaste kosten en tot restitutie van teveel betaalde huur.

2.11 Verweerster heeft namens de heer A een conclusie van antwoord ingediend. In deze conclusie van antwoord zijn onjuiste verwijzingen naar (deels niet bestaande) rechtspraak opgenomen.

2.12 Op enig moment heeft verweerster namens de heer A een soortgelijke akte rectificatie als in de zaak M ingediend.

2.13 Op enig moment heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De heer A is zonder verweerster ter zitting verschenen.

2.14 Contact deken - verweerster

Op 3 maart 2026 hebben de deken en verweerster een gesprek gevoerd. Bij e-mail van 5 maart 2026 heeft de deken naar aanleiding van dit gesprek het volgende aan verweerster bericht:

“Naar aanleiding van ons overleg van 3 maart jl. in aanwezigheid van mr. [H] van mijn bureau, vraag ik graag uw aandacht voor het volgende.

U heeft erkend dat u voor het concipiëren van de conclusies van antwoord in de zaken [M] en [A] een AI-tool heeft gebruikt. Beide zaken hadden het huurrecht als onderwerp. U bent daarin niet geoefend en bezit daarin geen deskundigheid, nu u nagenoeg uitsluitend arbeidsrechtzaken behandelt. U hebt aangegeven niet te hebben gecontroleerd of de uitspraken die u heeft vermeld in deze conclusies van antwoord en die door AI zijn gegenereerd, correct waren. Ook heeft u verklaard dat u alleen in voornoemde zaken een AI-tool zonder verdere controle heeft gebruikt.

Tijdens ons gesprek bleven een aantal vragen van mijn zijde onbeantwoord. Ik som die hieronder op:

1.         Welke AI-tool heeft u gebruikt in de hiervoor genoemde zaken?

2.         Was de gebruikte AI-tool gratis verkrijgbaar?

3.         Zo neen, wilt u dan de overeenkomst waarbij u het gebruik van de betreffende AI-tool heeft overeengekomen toezenden en tevens de betaalbewijzen die op de periode van het concipiëren betrekking hebben?

4.         Hoe heeft u de vertrouwelijkheid van de (cliënt)gegevens gewaarborgd in de door u gebruikte AI-tool?

5.         Graag ontvang ik een afschrift van de akte die u zult nemen in de zaak [M].

6.         Graag ontvang ik een afschrift van het vonnis in de zaak [M].

Naast het gebruiken van AI in de hiervoor genoemde zaken, is door mij eveneens opgemerkt dat het opvallend is dat u in beide zaken wel de schriftelijke stukken heeft voorbereid en bij de rechtbank heeft ingediend maar niet met uw cliënten naar de mondelinge behandeling bent gegaan. Uw cliënten lopen met deze handelwijze serieus te nemen procesrisico's, aangezien u tijdens de mondelinge behandeling niet aanwezig bent om eventuele juridische vragen van de rechter te beantwoorden. Ik heb u erop gewezen dat ik van mening ben dat een deskundig advocaat (één van de kernwaarden van art. 10a van de Advocatenwet) zijn cliënten ook begeleidt ter mondelinge behandeling. U heeft toegezegd dat u dat in het vervolg ook zult doen.

Graag zie ik de antwoorden op de vragen 1 t/m 4 binnen 14 dagen na heden tegemoet. De akte ontvangen wij graag nadat u deze bij de rechtbank heeft ingediend. Het vonnis ontvangen wij graag nadat u daarover de beschikking heeft gekregen.”

2.15 Bij e-mail van 23 maart 2026 heeft verweerster als volgt geantwoord:

“Dank voor uw bericht. Ik heb inderdaad aangegeven dal ik een algemene praktijk heb, zo sta ik ook ingeschreven, met de nadruk op arbeidsrecht. Geen strafzaken en echtscheidingszaken zoals gezegd. Ik heb u aangegeven dat het een vaste cliënt betrof en de andere zaak een relatie van hem. Ik bevestig dat ik met u heb afgesproken dat ik geen zaken meer aanneem zonder zitting; de betreffende cliënt moet het dan maar zelf doen of elders naar toe. Hieronder volgen mijn antwoorden.

1.         Welke AI-tool heeft u gebruikt in de hiervoor genoemde zaken? Ik heb niet kunnen achterhalen welke Al-tool ik heb gebruikt.

2.         Was de gebruikte AI-tool gratis verkrijgbaar? De laatste tool die ik heb gebruikt was LegalPA. Die heb ik zoals gezegd vorige maand opgezegd. De eerste maand was die volgens mij gratis, dat was medio november vorig jaar, daarna moest ik daarvoor betalen.

3.         Zo neen, wilt u dan de overeenkomst waarbij u het gebruik van de betreffende AI-tool heeft overeengekomen toezenden en tevens de betaalbewijzen die op de periode van het concipiëren betrekking hebben? Die kan ik niet overleggen, op de bankafschriften kan ik het niet terughalen.

4.         Hoe heeft u de vertrouwelijkheid van de (client)gegevens gewaarborgd in de door u gebruikte AI-tool? Door geen vertrouwelijke gegevens in te voeren.

5.         Graag ontvang ik een afschrift van de akte die u zult nemen in de zaak [M]. Dat zal ik doen.

6.         Graag ontvang ik een afschrift van het vonnis in de zaak [M]. Dat zal ik doen.

2.16 Bij e-mail van 7 april 2026 heeft de deken het concept dekenbezwaar aan verweerster toegezonden. Bij e-mail van 20 april 2026 heeft verweerster daarop gereageerd.

2.17 Op 30 april 2026 heeft de deken een dekenbezwaar tegen verweerster ingediend.

3 BEZWAAR

3.1 Het bezwaar van de deken houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerster het volgende:

Verweerster heeft in de zaken M en A niet gehandeld zoals het een behoorlijk advocaat betaamt omdat de kwaliteit van verweersters dienstverlening in deze zaken ondermaats was. Verweerster is namelijk niet ter zitting verschenen en de door verweerster ingediende processtukken bevatten onjuistheden en onvolledigheden, onder meer als gevolg van ontoereikende kennis van en ervaring met het huurrecht en het gebruik van een AI-tool. Dit alles levert een schending op van de in artikel 10a Advocatenwet  genoemde kernwaarden deskundigheid, integriteit en vertrouwelijkheid en gedragsregel 8.

4  VERWEER

4.1 Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5  BEOORDELING

5.1  Toetsingskader

De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.

5.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

5.3  Kwaliteit van de door verweerster verleende rechtsbijstand en wijze van procederen

Als uitdrukkelijk door verweerster erkend staat vast dat zij in de conclusie van antwoord die zij namens M heeft ingediend alsook in de conclusie van antwoord die zij namens A heeft ingediend verwijzingen naar rechtelijke uitspraken heeft opgenomen. Voor een deel van genoemde verwijzingen gold dat het ECLI-nummer helemaal niet bestond. Voor een ander deel gold dat het ECLI-nummer verwees naar andere uitspraken dan die werden omschreven in de conclusie van antwoord. Verweerster heeft toegelicht dat de oorzaak van de fouten in de conclusie was gelegen in het gebruik van AI-tool. Verweerster heeft naar eigen zeggen rechtspraak gezocht in een of meerdere AI-tools en de rechtspraak die werd gegenereerd in haar processtukken overgenomen.

5.4 Verweerster heeft aangevoerd dat zij AI-tools destijds beschouwde als een soort zoekmachines en dat zij niet bedacht was op het risico dat AI-tools zelf niet bestaande rechtspraak of anderszins onjuiste informatie genereren. Toen verweerster de gemaakte fouten ontdekte, heeft zij deze direct hersteld door in beide zaken een “akte rectificatie” in te dienen, waarmee de foutieve verwijzingen werd ingetrokken en geen deel meer uit maakten van de rechtsstrijd, aldus nog steeds verweerster.

5.5 Hetgeen verweerster heeft aangevoerd neemt niet weg dat uit de overgelegde stukken en hetgeen verweerster zelf heeft verklaard over de wijze waarop zij haar rechtsbijstand heeft vorm gegeven, naar het oordeel van de raad genoegzaam blijkt dat verweerster haar werkzaamheden in de beide dossiers niet met inachtneming van de op haar rustende zorgplicht heeft verricht. Verweerster heeft gelijk waar zij stelt dat niet iedere fout, zoals een enkele onjuiste verwijzing naar rechtspraak, een schending van de kernwaarde deskundigheid oplevert. De raad is echter van oordeel dat verweerster met haar wijze van procesvoering de kernwaarde deskundigheid wel heeft geschonden.

5.6     In de eerste plaats heeft verweerster de door de door haar gebruikte AI-tool gegenereerde rechtspraak klakkeloos overgenomen in de conclusie van antwoord in zaak M, zonder de verwijzingen op juistheid te controleren of de uitspraken ook maar te lezen. Door op deze wijze gebruik te maken van een hulpmiddel, in dit geval een AI-tool, heeft verweerster de op haar rustende verantwoordelijkheid miskend. Dit handelen is uiterst onzorgvuldig en tuchtrechtelijk verwijtbaar, omdat dit niet alleen de belangen van de cliënt schaadt, maar ook die van de overige bij de gerechtelijke procedure betrokkenen. De kantonrechter heeft aan de onjuiste verwijzingen de conclusie verbonden dat artikel 21 Rv was geschonden. De raad overweegt dat alle bij de gerechtelijke procedure betrokken partijen erop moeten kunnen vertrouwen dat door een advocaat in een processtuk genoemde rechtspraak daadwerkelijk bestaat en dat verwijzingen kloppen. Verweerster heeft dit vertrouwen met haar wijze van procederen geschaad en heeft daarmee niet alleen de kernwaarde deskundigheid, maar ook de kernwaarde integriteit en gedragsregel 8 (verstrekken van informatie waarvan de advocaat weet of behoort te weten dat deze onjuist is) geschonden.

5.7 Verder staat als niet weersproken vast staat dat verweerster in randnummer 1 van de conclusie van antwoord in zaak M een onjuiste stelling heeft geponeerd over de inhoud van het van toepassing zijnde Landelijk Procesreglement, door ten onrechte te stellen dat daarin is bepaald dat processtukken maximaal vijftien pagina’s mogen beslaan.

5.8 Voorts heeft verweerster in randnummer 22 van de conclusie van antwoord in de zaak M  ten onrechte gesteld dat in artikel 7:274 lid 1 onder c BW is bepaald dat de rechter de huurovereenkomst kan beëindigen indien de huurder zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft opgegeven. Artikel 7:274 lid 1 sub c BW luidt echter: “De rechter kan de vordering slechts toewijzen (…) (c)  indien de verhuurder aannemelijk maakt dat hij het verhuurde zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik, vervreemding van de gehuurde woonruimte niet daaronder begrepen, dat van hem, de belangen van beide partijen en van onderhuurders naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd, en tevens blijkt dat de huurder, met uitzondering van de huurder, bedoeld in lid 4, andere passende woonruimte kan verkrijgen”. Verweerster heeft in de randnummers 22 en verder namens M verweer gevoerd tegen de grondslag van de primaire vordering, die volgens de verhuurder samengevat was gelegen in ernstige tekortkomingen in de nakoming van de huurovereenkomst, doordat de heer M (a) niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde zou hebben (gehad), (b) het gehuurde onbeheerd zou hebben achtergelaten en (c) zonder toestemming het gehuurde zou hebben onderverhuurd. In het debat over de grondslag van die primaire vordering is het bepaalde van artikel 7:274 lid 1 sub c BW geenszins van toepassing, zodat niet valt in te zien waarom verweerster deze wettelijke bepaling in het verweer tegen de primaire vordering heeft betrokken.

5.9 Overigens heeft verweerster in de door haar namens M ingediende conclusie van antwoord met geen woord gerept over de subsidiaire vordering op grond van dringend eigen gebruik en dus tegen die subsidiaire vordering geen enkel verweer gevoerd. Ook op dat punt heeft verweerster steken laten vallen. Over de reden waarom verweerster tegen de subsidiaire vordering geen verweer heeft gevoerd heeft zijn geen duidelijkheid geschept. Dat M zijn standpunten ten aanzien van de subsidiaire vordering uiteindelijk wel in de procedure kenbaar heeft kunnen maken is louter het gevolg van het feit dat de kantonrechter hem daartoe uitdrukkelijk in het tussenvonnis van 12 februari 2026 heeft uitgenodigd.

5.10 De raad stelt constateert voorts dat verweerster, nadat zij in de akte rectificatie de verwijzingen naar ter onderbouwing van het verweer genoemde rechtspraak integraal had ingetrokken, geen andere rechtspraak ter onderbouwing van het verweer heeft genoemd. Verweerster is zowel in de zaak M als in de zaak A niet ter zitting verschenen. Verweerster heeft gesteld dat zij bij aanvang van haar bijstand aan M en A met hen beiden had afgesproken dat zij wegens kostenoverwegingen de zitting niet zou bijwonen. Wat daar ook van zij, toen verweerster de door haar gemaakte fouten ontdekte was er naar het oordeel van de raad alle aanleiding om (kosteloos) haar cliënten alsnog ter zitting bij te staan, het verweer ter zitting handen en voeten te geven en vragen van de kantonrechter te beantwoorden. Verweerster heeft dit nagelaten en ook daarmee heeft zij niet de zorg betracht die van haar had kunnen worden verwacht.

5.11 De raad komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat verweerster met de wijze waarop zij haar bijstand in de zaken M en A heeft vormgegeven, heeft  gehandeld in strijd met de in artikel 10a van de Advocatenwet genoemde kernwaarden integriteit en deskundigheid en gedragsregel 8. In zoverre is het dekenbezwaar dan ook gegrond.

5.12 De deken verwijt verweerster tot slot schending van de kernwaarde vertrouwelijkheid. Verweerster heeft desgevraagd, op de vraag welke AI-tools zij bij het vervaardigen van de processtukken in de zaken M en A heeft gebruikt, geen antwoord gegeven, ook niet ter zitting van de raad. Verweerster heeft wel uitdrukkelijk verklaard dat zij bij het gebruik van de AI-tools geen vertrouwelijke gegevens betreffende de zaken M en A heeft ingevoerd. Dat dit anders zou zijn heeft de raad op grond van de overgelegde stukken niet kunnen vaststellen. Het enkele door de deken geuite vermoeden dat verweerster bij de gebruikmaking van de AI-tools in strijd met haar geheimhoudingsplicht heeft gehandeld, is onvoldoende om schending van de kernwaarde vertrouwelijkheid aan te nemen. In zoverre is het dekenbezwaar dan ook ongegrond.

6 MAATREGEL

6.1 Vast staat dat verweerster in een tweetal zaken is tekortgeschoten in haar bijstand en dat zij in strijd heeft gehandeld met de kernwaarden deskundigheid en integriteit. Verweerster heeft ten opzichte van haar cliënten en de overige bij de gerechtelijke procedure betrokkenen niet die zorg in acht genomen, die van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht. Het handelen van verweerster is in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden deskundigheid en integriteit en met gedragsregel 8. De raad is daarom van oordeel dat niet kan worden volstaan met oplegging van een waarschuwing, zoals betoogd door verweersters gemachtigde.

6.2 Voor wat betreft de aard van de op te leggen maatregel weegt de raad in het voordeel van verweerster mee dat zij niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld. Ten tijde van het opstellen van de gewraakte processtukken (juli 2025) was AI-geletterdheid nog geen gemeengoed en de aanbevelingen van de Orde ten aanzien van AI-gebruik zijn eveneens van latere datum. Ook die omstandigheden laat de raad in verweersters voordeel meewegen. Alles afwegend is de raad van oordeel dat een berisping passend en geboden is.

7 KOSTENVEROORDELING

7.1 Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

b) € 500,- kosten van de Staat.

7.2 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-      verklaart het dekenbezwaar ongegrond, voor zover het ziet op schending van de kernwaarde vertrouwelijkheid, en voor het overige gegrond;                                                          

-      legt aan verweerster de maatregel van berisping;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2.

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. H.C. Struijk, S.M. Kurvers, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 27 juli 2026.

Griffier                                                                            Voorzitter

Verzonden op: 27 juli 2026