ECLI:NL:TADRSHE:2026:92 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-298/DB/ZWB
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:92 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-07-2026 |
| Datum publicatie: | 27-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-298/DB/ZWB |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening deels gegrond en deels ongegrond. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat zij geen gevolg heeft gegeven aan het in klaagsters e-mail van 22 juli 2024 geformuleerde verzoek om een procedure ex artikel 12 Sv aanhangig te maken. Verweerster heeft de e-mail van klaagster van 22 juli 2024 naar eigen zeggen door de vakantie over het hoofd gezien. Ofschoon dit naar het oordeel van de raad onzorgvuldig is, ziet de raad geen aanleiding om aan verweerster een maatregel op te leggen. Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk dat klaagster gedurende de behandeling van de zaak een zeer groot aantal zeer uitvoerige, vaak moeilijk te doorgronden, e-mails heeft gestuurd. De raad acht daarom voorstelbaar, dat verweerster het verzoek van klaagster over het hoofd heeft kunnen zien. Om die reden ziet de raad af van het opleggen van een maatregel. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 27 juli 2026
in de zaak 26-298/DB/ZWB
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 27 augustus 2024 heeft klaagster tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: “de deken”).
1.2 Op 8 april 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K24-080 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 29 juni 2026. Verschenen is verweerster. Klaagster is niet verschenen.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de nagekomen e-mails met bijlagen van klaagster van 19 en 26 mei 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 In 2022 zijn de huisdieren van klaagster in beslag genomen door de politie. Hieraan was een melding wegens stank- en geluidsoverlast uit de garage van klaagsters woning voorafgegaan. De politie heeft geoordeeld dat de zeven honden en twee katten in een zeer slechte conditie verkeerden, omdat zij in hun eigen ontlasting waren aangetroffen. Een aantal van de in beslag genomen dieren moest men laten inslapen.
2.3 Klaagster heeft zich tot een advocaat gewend, mr. X, die namens klaagster een klaagschrift tegen de inbeslagname van de dieren heeft ingediend.
2.4 Het Openbaar Ministerie heeft klaagster vervolgd wegens het onthouden van de benodigde zorg aan de dieren. Klaagster heeft zich voor rechtsbijstand tot verweerster gewend. Verweerster heeft klaagster bijgestaan in de strafrechtelijke procedure bij de politierechter.
2.5 Klaagster was van mening dat de verwaarlozing van de dieren de schuld was van de heer W. Klaagster wilde daarom aangifte doen tegen de heer W. Klaagster heeft verweerster verzocht om de aangifte naar de politie te sturen. Klaagster heeft een aangifte geformuleerd en hierover e-mails gestuurd aan verweerster. Verweerster heeft de aangifte (zonder bijlagen) aan de politie gestuurd.
2.6 Op 25 april 2024 heeft de politierechter klaagster voorwaardelijk veroordeeld tot 30 uur taakstraf (subsidiair 15 dagen hechtenis) met een proeftijd van twee jaar. Op 8 mei 2024 heeft verweerster appel ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.
2.7 Bij brief van 3 mei 2024 heeft het OM aan klaagster bericht dat de aangifte tegen de heer W niet in behandeling werd genomen.
2.8 Bij e-mail van 22 juli 2024 heeft klaagster verweerster verzocht om een beklagprocedure ex artikel 12 Sv aanhangig te maken.
2.9 Op 27 augustus 2024 heeft klaagster kenbaar gemaakt dat zij niet langer door verweerster bijgestaan wilde worden en heeft zij tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
2.10 Verweerster heeft klaagster verder niet in de appelprocedure bijgestaan, omdat de behandeling van het dossier op klaagsters verzoek is overgenomen door een andere advocaat. Op 3 oktober 2025 heeft het Gerechtshof Amsterdam het beroep van klaagster verworpen en het vonnis van de politierechter bekrachtigd.
2.11 Bij brief van 29 december 2025 heeft klaagster verweerster aansprakelijk gesteld. Op 31 december 2025 heeft verweerster de claim gemeld bij haar assurantietussenpersoon.
2.12 Bij arrest van 19 mei 2026 heeft de Hoge Raad het door klaagster ingestelde cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:
Verweerster heeft klaagster niet naar behoren bijgestaan doordat zij:
1. pas een week voor de zitting een aangifte tegen klaagsters ex-partner aan het OM heeft toegestuurd;
2. heeft verzuimd om bewijsstukken mee te sturen met de aangifte;
3. niet heeft gereageerd op klaagsters verzoek om een artikel 12 Sv-procedure te starten;
4. het politiedossier onvoldoende kritisch heeft beoordeeld;
5. klaagster niet heeft bericht dat zij haar werkzaamheden heeft verricht vanuit een eenmanszaak;
6. haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar te laat heeft ingelicht.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Toetsingskader
Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.2 Beoordeling
Klachtonderdelen 1 en 2 - toezending van aangifte een week voor de zitting en geen bijlagen bij aangifte
Klager verwijt verweerster dat zij pas een week voor de zitting een aangifte tegen klaagsters ex-partner aan het OM heeft toegestuurd en dat zij bij de aangifte geen bewijsstukken had gevoegd. Verweerster heeft dit verwijt gemotiveerd weersproken. Verweerster heeft daartoe gesteld dat klaagster haar helemaal geen bijlagen ter beschikking had gesteld, zodat zij die ook niet heeft kunnen versturen. De raad overweegt als volgt. Klaagster heeft per e-mail een negentien pagina’s tellende aangifte aan verweerster toegestuurd met het verzoek die aangifte aan de politie door te sturen. Verweerster heeft aan dat verzoek gevolg gegeven. Bij klaagsters e-mail waren geen bijlagen gevoegd, zodat er geen reden is om verweerster tuchtrechtelijk te verwijten dat zij geen bijlagen aan de aangifte heeft gehecht. Dat verweerster de aangifte eerder had kunnen versturen dan zij heeft gedaan is evenmin gebleken. De klachtonderdelen 1 en 2 zijn daarom ongegrond.
5.3 Klachtonderdeel 3 – artikel 12 Sv-procedure
Klaagster verwijt verweerster dat zij niet heeft gereageerd op klaagsters verzoek om een artikel 12 Sv-procedure te starten. Verweerster heeft erkend dat zij de e-mail van 22 juli 2024, waarin klaagster verweerster verzocht om een procedure ex artikel 12 Sv aanhangig te maken, over het hoofd heeft gezien. Verweerster heeft de e-mail naar eigen zeggen door haar vakantie over het hoofd gezien en pas op 27 augustus 2024 opgemerkt. Er stonden toen nog mogelijkheden open, maar klaagster wilde toen niet meer door verweerster bijgestaan worden, aldus nog steeds verweerster. De raad overweegt als volgt.
5.4 Vast staat dat klaagster verweerster bij e-mail van 22 juli 2024 heeft verzocht om een procedure ex artikel 12 Sv aanhangig te maken en dat verweerster aan dat verzoek geen gevolg heeft gegeven. Tevens staat vast dat het OM bij brief van 3 mei 2024 aan klaagster heeft medegedeeld dat er geen strafrechtelijk onderzoek zou worden ingesteld. In artikel 12 Sv is bepaald dat binnen drie maanden beklag kan worden gedaan. Verweerster heeft de e-mail van klaagster naar eigen zeggen pas opgemerkt op 27 augustus 2024. De termijn van drie maanden was toen al verstreken. Verweerster heeft gesteld dat er ondanks het verstrijken van de wettelijke termijn nog mogelijkheden waren om een procedure ex artikel 12 Sv aanhangig te maken. Wat daar ook van zij, de raad acht het onzorgvuldig dat verweerster klaagsters verzoek van 22 juli 2024 over het hoofd heeft gezien en aan dat verzoek geen gevolg heeft gegeven. De in artikel 12l lid 2 Sv bepaalde termijn van drie maanden is daardoor ongebruikt verstreken. Dit verzuim kan verweerster tuchtrechtelijk worden verweten. Klachtonderdeel 3 is dan ook gegrond.
5.5 Klachtonderdeel 4 – politiedossier onvoldoende kritisch beoordeeld
Klaagster verwijt verweerster verder dat zij het politiedossier onvoldoende kritisch heeft beoordeeld. Verweerster heeft ook dit klachtonderdeel gemotiveerd weersproken. Verweerster heeft naar voren gebracht dat zij wel degelijk heeft geageerd tegen de betrouwbaarheid van de medische verklaringen en dat zij aandacht heeft gevraagd voor klaagsters persoonlijke omstandigheden. De raad overweegt als volgt. Niet aannemelijk is geworden dat met een andere strategie een beter resultaat voor klaagster had kunnen worden bereikt. Daarbij neemt de raad in aanmerking dat het Gerechtshof Amsterdam bij arrest van 3 oktober 2025 heeft geoordeeld dat enkel de onhygiënische staat van de woning waarin de dieren verbleven al reden was om aan te nemen dat het onthouden van de nodige verzorging gedurende langere periode heeft plaatsgevonden. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is de raad niet gebleken dat verweerster in haar bijstand aan klaagster in de procedure bij de politierechter steken heeft laten vallen. Klachtonderdeel 4 is derhalve ongegrond.
5.6 Klachtonderdeel 5 - eenmanszaak
Klaagster verwijt verweerster dat zij klaagster niet heeft bericht dat zij haar werkzaamheden heeft verricht vanuit een eenmanszaak. De raad is van oordeel dat hier van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is. Niet gebleken is dat klaagster door het gestelde nalaten van verweerster in haar belangen is geschaad. Voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerster bestaat geen aanleiding. Klachtonderdeel 5 is kortom ongegrond.
5.7 Klachtonderdeel 6 – beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar te laat ingelicht
Klaagster verwijt verweerster tot slot dat zij haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar te laat heeft ingelicht. De raad overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat klaagster verweerster bij brief van 29 december 2025 aansprakelijk heeft gesteld en dat verweerster de claim op 31 december 2025 heeft gemeld bij haar assurantietussenpersoon. Verweerster heeft de aansprakelijkstelling dus met bekwame spoed doorgeleid. Dit klachtonderdeel mist dan ook feitelijke grondslag. De raad zal dit klachtonderdeel daarom ongegrond verklaren.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat zij geen gevolg heeft gegeven aan het in klaagsters e-mail van 22 juli 2024 geformuleerde verzoek om een procedure ex artikel 12 Sv aanhangig te maken. Verweerster heeft de e-mail van klaagster van 22 juli 2024 naar eigen zeggen door de vakantie over het hoofd gezien. Ofschoon dit naar het oordeel van de raad onzorgvuldig is, ziet de raad geen aanleiding om aan verweerster een maatregel op te leggen. Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk dat klaagster gedurende de behandeling van de zaak een zeer groot aantal zeer uitvoerige, vaak moeilijk te doorgronden, e-mails heeft gestuurd. De raad acht daarom voorstelbaar, dat verweerster het verzoek van klaagster over het hoofd heeft kunnen zien. Om die reden ziet de raad op grond van artikel 48 lid 3 Advocatenwet af van het opleggen van een maatregel.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht deels gegrond verklaart,moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klachtonderdelen 1, 2, 4, 5 en 6 ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel 3 gegrond en ziet ter zake af van het opleggen van een maatregel;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. H.C. Struijk, S.M. Kurvers, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 27 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 27 juli 2026