We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRSHE:2026:90 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-227/DB/LI

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:90
Datum uitspraak: 27-07-2026
Datum publicatie: 27-07-2026
Zaaknummer(s): 26-227/DB/LI
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Niet gebleken dat verweerster in het verweerschrift van 18 februari 2025 en in het verweerschrift van 1 mei 2025 feiten gesteld waarvan zij de onwaarheid kende of redelijkerwijs kon kennen. Ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 27 juli 2026

in de zaak 26-227/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerster

gemachtigde:

mr. M.J.I. Assink

advocaat te Rijswijk

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 23 mei 2025 heeft klaagster tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: “de deken”).

1.2 Op 19 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-055 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 15 juni 2026. Verschenen zijn klaagster en verweerster, bijgestaan door mr. A, advocaat.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de nagekomen e-mail met bijlagen van klaagster van 28 april 2026.  

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2 Klaagster is gehuwd geweest met de heer O, hierna: “de vader”. Voor het huwelijk zijn – de thans nog minderjarige – kinderen H en J geboren.  Klaagster en de vader hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag.

2.3 Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 april 2022 zijn H en J onder toezicht gesteld van gecertificeerde instelling Bureau Jeugdzorg, hierna: “de GI”. De ondertoezichtstelling is daarna telkens verlengd. Op 28 november 2024 heeft de GI een schriftelijke aanwijzing aangekondigd en klaagster in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Op 20 december 2024 heeft de GI een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van H en J.

2.4 Klaagster, bijgestaan door mr. Av, advocaat, heeft op 31 januari 2025 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant met het verzoek om de schriftelijke aanwijzing van de GI vervallen te verklaren. In het verzoekschrift heeft klaagster onder meer gesteld dat er nooit sprake is geweest van een onbelaste relatie tussen vader en de kinderen.

2.5 Verweerster is werkzaam als advocaat in dienstbetrekking van de GI. Verweerster heeft op 18 februari 2025 namens de GI een verweerschrift ingediend en daarin onder meer het volgende gesteld:

“De Raad voor de Kinderbescherming heeft in haar rapportage van 25 januari 2023 aangegeven dat er geen objectieve feiten naar voren zijn gekomen die een vorm van kindermishandeling door vader bevestigen. Er heeft daarnaast geen strafrechtelijke veroordeling van vader plaatsgevonden. Ook het LECK en de huisarts hebben geen kindermishandeling door vader kunnen vaststellen. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat er sprake is geweest van geweld in de relatie door vader richting [H] en moeder. Voorts kan niet worden vastgesteld dat de relatie tussen vader en de kinderen nooit onbelast is geweest. (…)”

2.6 De rechtbank Oost-Brabant heeft klaagster bij beschikking van 20 maart 2025 niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek en daartoe het volgende overwogen:

“(5.6) De kinderrechter is van oordeel dat vast is komen te staan dat de moeder wist dat de GI op 20 december 2024 de schriftelijke aanwijzing aangetekend heeft verzonden. Dit blijkt immers uit de brief van [mr. A] van 19 februari 2025 waarin onder andere staat vermeld dat er op 20 december 2024 een aangetekende brief is verzonden naar moeder. Uit voornoemde meldingen in de PostNL-app van moeder blijkt voorts dat de moeder er van op de hoogte was, dan wel kon zijn, dat de aangetekende brief niet alleen was verzonden en aangeboden, maar ook dat deze was afgeleverd op een PostNL-punt alwaar moeder deze tot 11 januari 2025 kon ophalen. (..) De rechtbank is dan ook van oordeel dat de keuze om de aangetekende brief niet voor 11 januari 2025 op te halen bij het PostNL-punt voor rekening en risico van moeder dient te komen. (…)”

2.7 Klaagster, nog steeds bijgestaan door mr. Av, heeft appel ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. Tegen de beschikking van de rechtbank stond op grond van de Wet geen appel open, maar klaagster heeft aangevoerd dat sprake was van een doorbrekingsgrond. Klaagster heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat klaagster te laat was met haar verzoek, aangezien zij pas medio januari 2025 had kennis genomen (en redelijkerwijs kennis had kunnen nemen) van de schriftelijke aanwijzing van de GI van 20 december 2024. Klaagster heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat het track and trace bericht afkomstig was uit de PostNL-app van klaagster en dat zij dus op de hoogte kon zijn van de aangetekende brief van de GI. Het track and trace bericht was echter afkomstig van de GI, aldus nog steeds klaagster.

2.8 Verweerster heeft op 1 mei 2025 namens de GI een verweerschrift ingediend bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Verweerster heeft daarin namens de GI betoogd dat geen sprake was van een doorbrekingsgrond en heeft in het verweerschrift onder meer het volgende gesteld:

“(5) De GI is van mening dat er in het onderhavige geval géén sprake is van een doorbrekingsgrond op grond van artikel 6 EVRM die zou maken dat in dit geval van het appèlverbod kan worden afgeweken. Door de rechtbank heeft immers een toets plaatsgevonden van artikel 1:264 lid 4 BW. (…)

(6) De stelling van moeder, dat de rechter er onterecht van uit is gegaan dat het track and trace bericht dat moeder bij schrijven van 19 februari 2025 van haar afkomstig zou zijn, is ook niet correct. De advocaat van moeder heeft bij brief van 19 februari 2025 nog een aantal stukken in het geding gebracht. Eén van deze stukken was een track and trace van de aangetekende schriftelijke aanwijzing. Deze track and trace werd enkel gebruikt als illustratie dat moeder op 14 januari 2024 niet thuis was. Verder is door de advocaat van moeder in voornoemde brief aangegeven dat de GI eerder een track and trace zou hebben verzonden maar er wordt niet gesteld dat deze track and trace van de GI dezelfde track and trace is zoals deze door de moeder is overgelegd. De GI hecht er waarde aan om te benadrukken dat de track and trace die moeder op 19 februari heeft overgelegd niet van de GI afkomstig is omdat de GI op 16 januari 2025 een ietwat andere track and trace aan de advocaat van de moeder heeft doen toekomen (bijlage 2). De rechter heeft dan ook op goede gronden kunnen aannemen dat de door moeder op 19 februari 2025 overgelegde track and trace een track and trace bericht is dat afkomstig is van moeder. Bovenaan de pagina van het bericht wordt immers vermeld bij de onderwerp regel: “re: bezorging 21/12 niet gelukt”.”

2.9 Op 13 mei 2025 heeft bij het Hof de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Klaagster heeft tijdens de zitting een verklaring gegeven voor het feit dat de onderwerpregels afweken.

2.10 Bij beschikking van 26 juni 2025 heeft het Hof het hoger beroep van klaagster verworpen omdat zij zich naar het oordeel van het Hof niet met succes op doorbreking van het appelverbod kon beroepen.

2.11 Op 23 mei 2025 heeft klaagster tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:

Verweerster heeft in het verweerschrift van 18 februari 2025 en in het verweerschrift van 1 mei 2025 feiten gesteld waarvan zij de onwaarheid kende of redelijkerwijs kon kennen. Verweerster heeft namelijk (1) ten onrechte gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat de relatie tussen vader en de kinderen nooit onbelast is geweest en (2) gelogen over de herkomst van een track and trace-bericht.

4 VERWEER

4.1 Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

5.1 Toetsingskader

Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

5.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:

–          het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,

–           het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,

–          het verloop van het geschil tot dan toe en

–           de kans op succes van de procedure.

5.2 Beoordeling

Klaagster verwijt verweerster in de eerste plaats dat zij feiten heeft gesteld waarvan zij de onwaarheid kende of redelijkerwijs kon kennen doordat zij in het verweerschrift van 18 februari 2025 ten onrechte heeft gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat de relatie tussen vader en de kinderen nooit onbelast is geweest. Verweerster heeft uitdrukkelijk weersproken dat zij feiten heeft gesteld waarvan zij de onwaarheid kende of redelijkerwijs kon kennen. Verweerster heeft aangevoerd dat zij namens de GI verweer heeft gevoerd tegen de in klaagsters verzoekschrift geponeerde stelling dat er nooit sprake is geweest van een onbelaste relatie tussen vader en de kinderen. De klacht van klaagster berust volgens verweerster op een verkeerde interpretatie van verweersters bewoordingen. Verweerster heeft in reactie op klaagsters stelling beoogd te stellen dat niet vastgesteld kan worden dat de relatie tussen vader en de kinderen altijd belast is geweest en dat niet uitgesloten kon worden dat er periodes zijn geweest waarin die relatie wel goed was. Anders dan klaagster meent heeft verweerster niet beoogd te stellen dat er nooit problemen zijn geweest in de relatie tussen vader en de kinderen. Verweerster mocht op basis van de beschikbare rapportages en informatie stellen dat niet kon worden vastgesteld dat de relatie tussen vader en de kinderen nooit onbelast is geweest, aldus nog steeds verweerster.

5.3 Klaagster verwijt verweerster in de tweede plaats dat zij feiten heeft gesteld waarvan zij de onwaarheid kende of redelijkerwijs kon kennen doordat zij in het verweerschrift van 1 mei 2025 gelogen over de herkomst van een track and trace-bericht. Verweerster heeft uitdrukkelijk weersproken dat zij feiten heeft gesteld waarvan zij de onwaarheid kende of redelijkerwijs kon kennen. Verweerster heeft aangevoerd dat zij namens de GI heeft gewezen op het feit dat de onderwerpregels van de e-mailberichten met track and trace van elkaar afweken. Eerst ter zitting van 13 mei 2025 heeft klaagster een verklaring gegeven voor het feit dat de onderwerpregels afweken. Op het moment dat verweerster het verweerschrift van 1 mei 2025 namens de GI indiende, was zij dan ook nog niet bekend met die door klaagster gegeven verklaring. De raad overweegt als volgt.

5.4 Het was de taak van verweerster om de belangen van de GI te behartigen en in dat verband in de procedure die standpunten naar voren te brengen waarmee naar haar oordeel de belangen van de GI het beste werden gediend. Daarbij moet rekening worden gehouden met de lastige positie waarin verweerster zich als advocaat van de GI bevond, nu sprake was van een spagaat tussen klaagster en de vader en de GI oog moet hebben voor zowel de belangen van klaagster als de belangen van de vader. Als niet weersproken staat vast dat klaagster in het verzoekschrift heeft gesteld dat er nooit sprake is geweest van een onbelaste relatie tussen vader en de kinderen of, zoals verweerster dat heeft opgevat, dat de relatie tussen vader en de kinderen altijd belast is geweest. Verweerster heeft tegen die stelling namens de GI het verweer gevoerd dat niet kon worden vastgesteld dat de relatie tussen vader en de kinderen nooit onbelast is geweest. Daarmee heeft zij niet gesteld dat er altijd sprake is geweest van een onbelaste relatie, maar enkel de stelling van klaagster betwist. Naar het oordeel van de raad stond het verweerster op basis van de rapportages en informatie die zij op dat moment ter beschikking had vrij om deze stelling namens de GI te poneren. Ook stond het verweerster vrij om namens de GI te wijzen op de afwijkende onderwerpregels van de track and trace berichten, terwijl deze berichten door of namens klaagster in de procedure zijn ingebracht. Met dit laatste is overigens niet gezegd dat deze berichten van klaagster afkomstig waren. Dat verweerster op het moment van het opstellen en indienen van het verweerschrift van 1 mei 2025 wist of behoorde te weten dat het om een en hetzelfde, van de GI afkomstige, track and trace bericht ging, is niet gebleken. Als niet weersproken staat vast dat klaagster pas ter zitting van het Hof op 13 mei 2025 een verklaring gegeven voor het feit dat de onderwerpregels afweken.

5.5 Dat verweerster ter onderbouwing van het standpunt van de GI feiten heeft gesteld waarvan zij de onwaarheid kende of behoorde te kennen is de raad kortom niet gebleken. Verweerster heeft gebruik gemaakt van het feitenmateriaal dat de GI haar had verschaft en niet is gebleken dat verweerster aanleiding had om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Indien en voor zover klaagster het met de door verweerster naar voren gebrachte standpunten niet eens was of deze naar de mening van klaagster feitelijke onjuistheden bevatten, kon zij daarop in de civiele procedure reageren en dat heeft zij, bijgestaan door haar advocaat, ook gedaan. Het was vervolgens aan de civiele rechter, en niet thans aan de tuchtrechter, om te oordelen over de geschilpunten die partijen in het civielrechtelijk geschil verdeeld hielden. De procedure bij de raad van discipline is er niet voor bedoeld om de reeds gevoerde civiele procedure over te doen.

5.6 De raad komt tot de slotsom dat niet is gebleken dat verweerster feiten heeft gesteld waarvan zij de onwaarheid kende of behoorde te kennen. De raad zal de klacht dan ook ongegrond verklaren.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.M.H. Schoenmakers, voorzitter, mrs. J.R.G. Smulders, W.L.H. Aerts, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 27 juli 2026.

Griffier                                                                              Voorzitter

Verzonden op: 27 juli 2026