ECLI:NL:TADRSHE:2026:89 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-305/DB/OB
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:89 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-07-2026 |
| Datum publicatie: | 27-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-305/DB/OB |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat zij een origineel document, waarin de afspraken zijn vastgelegd, eenzijdig heeft gewijzigd en de door haar gewijzigde versie vervolgens als het originele document heeft gepresenteerd. Gegrond, schorsing van vier weken waarvan twee weken voorwaardelijk. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 27 juli 2026
in de zaak 26-305/DB/OB
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde:
over:
verweerster
gemachtigde:
mr. M. Boender-Radder
advocaat te ‘s-Gravenhage
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 12 mei 2025 heeft klaagster tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: “de deken”).
1.2 Op 10 april 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 48|25|079K van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 15 juni 2026. Verschenen zijn klaagster, vergezeld van haar gemachtigde en verweerster, bijgestaan door mr. B, advocaat.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster heeft een geschil (gehad) met haar werkgever H over – onder meer – door klaagster gestelde achterstallige betalingen. In dit geschil werd klaagster bijgestaan door mr. S , advocaat, en werd H bijgestaan door verweerster.
2.3 Bij brief van 28 augustus 2024 heeft mr. S namens klaagster aanspraak gemaakt op betaling van achterstallig loon (toeslagen).
2.4 Bij brief van 9 september 2024 heeft verweerster namens H verweer gevoerd tegen de vordering. In deze brief heeft verweerster ter onderbouwing van het standpunt van H verwezen naar een aan de brief gehechte e-mail van 29 januari 2022 van de heer RG (werkzaam bij H) aan mevrouw JG (werkzaam bij H). De tekst van de aan verweersters brief gehechte versie van de e-mail van 29 januari 2022 luidde als volgt:
“Hallo [JG],
Hieronder uiteenzetting wat we gisteren telefonisch hebben besproken over m.b.t. [klaagster].
Salaris nu: € 2.183,00 en een ORT van € 150,00. Samen € 2.333,00.
Per 1 februari 2022 een loonsverhoging van:
€ 200,00 stations toeslag Shell [locatie X]
€ 50,00 stations toeslag Esso [locatie Y] (OB station)
Maakt een totaal van € 2.583,00.
Komt er per 1 februari 2022 nog een CAO loonsverhoging van € 90,00.
Deze loonsverhoging is prestatie gericht; [klaagster] dient de beheer taken op station manager niveau uit te voeren.
Plan is gemaakt en doorgesproken, getekend gespreksverslag zal spoedig worden gemaild naar HR, om opgeslagen te worden in personal file.
Graag je akkoord voor loonsverhogingen zoals hierboven beschreven.
Indien er wat aangepast moet worden, of indien er wat ontbreekt, ik hoor het graag.
Gr [RG]”
2.5 Klaagster beschikte over een versie van de e-mail van 29 januari 2022 met de volgende tekst:
“Hallo [JG],
Hieronder uiteenzetting wat we gisteren telefonisch hebben besproken over m.b.t. [klaagster].
Salaris nu: € 2.183,00 en een ORT van € 150,00. Samen € 2.333,00.
Per 1 februari 2022 een loonsverhoging van:
€ 200,00 stations toeslag Shell [locatie X] (B station)
€ 50,00 stations toeslag Esso [locatie Y] (OB station)
Maakt een totaal van € 2.583,00.
Komt er per 1 februari 2022 nog een CAO loonsverhoging van € 90,00.
Per 1 april 2022 een loonsverhoging van:
€ 200,00 stations toeslag Shell [locatie X] (A station) (*kwalificatie station kalibratie)
€ 50,00 stations toeslag Esso [locatie Y] (OB station) (*kwalificatie station kalibratie – (wasboxen toegevoegd)
Deze loonsverhoging is prestatie gericht; [klaagster] dient de beheer taken op station manager niveau uit te voeren.
Plan is gemaakt en doorgesproken, getekend gespreksverslag zal spoedig worden gemaild naar HR, om opgeslagen te worden in personal file.
Graag je akkoord voor loonsverhogingen zoals hierboven beschreven.
Indien er wat aangepast moet worden, of indien er wat ontbreekt, ik hoor het graag.
Gr [RG]”
2.6 Bij brief van 29 oktober 2024 heeft klaagsters gemachtigde op de brief van verweerster van 9 september 2024 gereageerd. Klaagsters gemachtigde heeft opgemerkt dat de door verweerster aan haar brief gehechte versie van de e-mail van 29 januari 2022 niet volledig was.
2.7 Bij brief van 27 november 2024 heeft verweerster onder meer het volgende aan klaagsters gemachtigde medegedeeld:
“(…) Overigens is deze bijlage door mij iets aangepast (situatie van april weggelaten) om verwarring te voorkomen, hetgeen echter aan de inhoud niet afdoet. (…)”
2.8 Op 12 mei 2025 heeft klaagsters gemachtigde tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:
Verweerster heeft een origineel document, waarin de afspraken zijn vastgelegd, eenzijdig gewijzigd en de door haar gewijzigde versie vervolgens als het originele document gepresenteerd.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Toetsingskader
Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.2 Beoordeling
Klaagster verwijt verweerster dat zij een origineel document, waarin de afspraken zijn vastgelegd, eenzijdig heeft gewijzigd en de door haar gewijzigde versie vervolgens als het originele document heeft gepresenteerd. Klaagster doelt op het e-mailbericht van 29 januari 2022. Als uitdrukkelijk door verweerster erkend staat vast dat zij de tekst van het e-mailbericht van 29 januari 2022 heeft gewijzigd door (1) de alinea, die betrekking heeft op een loonsverhoging per 1 april 2022, in zijn geheel te verwijderen en de lay out van de e-mail aan te passen op een zodanige wijze, dat in de gewijzigde e-mail niet zichtbaar is dat de genoemde alinea is verwijderd en (2) de kwalificatie “B-station” achter “Shell [locatie X]” te verwijderen. Verder staat vast dat verweerster vervolgens in haar brief van 9 september 2024 aan klaagsters advocaat ter onderbouwing van het standpunt van H heeft verwezen naar de door haar gewijzigde versie van de e-mail en deze gewijzigde versie van die e-mail als bijlage aan haar brief van 9 september 2024 heeft gehecht.
5.3 Verweerster heeft enerzijds toegegeven dat zij de tekst en lay out van de gewraakte e-mail beter niet had kunnen aanpassen en heeft daarvoor haar verontschuldigingen aangeboden, anderzijds heeft verweerster gesteld dat haar van haar handelen geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Verweerster heeft de e-mail enkel aangepast om verwarring te voorkomen en de verwijderde passage was voor de rechtspositie van klaagster ook niet relevant, aldus verweerster.
5.4 De raad passeert dit verweer. In het midden kan blijven of klaagster al dan niet terecht aanspraak maakte op enige achterstallige betaling. Vast staat dat verweerster in haar brief van 9 september 2024 op geen enkele manier melding heeft gemaakt van het feit dat zij de tekst en lay out van de e-mail van 29 januari 2022 had aangepast. Dat verweerster op het moment dat zij de tekst en lay out van de e-mail van 29 januari 2022 wijzigde en doorzond aan klaagsters advocaat, wist dat klaagster reeds de originele versie van die e-mail in haar bezit had en zodoende kon vaststellen dat de door verweerster doorgezonden versie niet authentiek was, is gesteld noch gebleken; het was een interne e-mail van haar cliënte. Het stond verweerster niet vrij om de tekst en lay out van de e-mail aan te passen en zonder enige toelichting door te sturen aan de advocaat van klaagster, daarmee de aangepaste e-mail te laten doorgaan voor de authentieke versie van die e-mail.
5.5 Verweerster heeft gesteld dat zij het e-mailbericht heeft gewijzigd omdat zij verwarring bij klaagster wilde voorkomen. Dat doel had verweerster echter ook op een andere wijze kunnen bereiken, bijvoorbeeld door het e-mailbericht (ongewijzigd) door te sturen met een begeleidende toelichting op welke wijze het e-mailbericht volgens haar cliënte moest worden geïnterpreteerd. In het midden kan blijven of, zoals verweerster stelt, de verwijderde passage voor de rechtspositie van klaagster niet relevant was en of er voor verweerster eigenlijk weinig reden was om de e-mail aan klaagsters advocaat toe te zenden. Verweerster heeft kennelijk besloten om de e-mail als bewijsstuk ter onderbouwing van het standpunt van haar cliënte te overleggen en dat besluit brengt nu eenmaal met zich mee dat verweerster ofwel de e-mail in ongewijzigde vorm had moeten overleggen ofwel de e-mail met zwart gelakte passages en voorzien van een toelichting had moeten overleggen. Verweerster heeft de door haar aangepaste versie van de e-mail gepresenteerd als de authentieke versie van die e-mail. Daarmee heeft verweerster in ernstige mate tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De klacht is kortom gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerster heeft een door haar gewijzigde versie van een e-mailbericht gepresenteerd als de authentieke versie van dat e-mailbericht en die gewijzigde versie ingezet als bewijsstuk. Verweerster heeft daarmee gehandeld in strijd met de kernwaarde integriteit zoals vastgelegd in artikel 10a Advocatenwet. Verweerster heeft weliswaar toegegeven dat zij het beter anders had kunnen doen en heeft ter zitting haar excuses aangeboden, maar tegelijkertijd heeft verweerster gesteld niet tuchtrechtelijk verwijtbaar te hebben gehandeld. Van het op overtuigende wijze tonen van reflectie ten aanzien van de ernst van haar handelen is naar het oordeel van de raad noch uit de wijze waarop verweerster verweer heeft gevoerd tijdens de instructiefase bij de deken, noch uit haar mondelinge toelichting volgens de pleitnota en haar houding ter zitting, gebleken. De raad is daarom van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere maatregel dan een schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken, waarvan twee voorwaardelijk.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart,moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klaagster;
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van schorsing voor de duur van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk, op;
- bepaalt dat het voorwaardelijk gedeelte van deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerster een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verweerster zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;
- stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt;
- bepaalt dat het onvoorwaardelijk gedeelte van de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat:
- de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen,
- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat
- de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerster niet op het tableau staat ingeschreven;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. J.M.H. Schoenmakers, voorzitter, mrs. J.R.G. Smulders, W.L.H. Aerts, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 27 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 27 juli 2026