ECLI:NL:TADRSHE:2026:88 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 240355W3
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:88 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-07-2026 |
| Datum publicatie: | 21-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 240355W3 |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Wraking |
| Beslissingen: | Wraking |
| Inhoudsindicatie: | Verzoek tot wraking kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de door verzoeker gestelde voorwaarde niet is vervuld. |
Beslissing van 21 juli 2026
in de zaak 240355W3
naar aanleiding van het voorwaardelijk wrakingsverzoek van:
verzoeker
tegen:
mr. J.D. Streefkerk
lid van het hof van discipline
de rechter van wie de wraking is verzocht (hierna: betrokkene)
1 DE PROCEDURE BIJ DE RAAD EN HET HOF
1.1 Het hof verwijst naar de beslissing van de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 18 november 2024 (zaaknummer: 24-264/AL/GLD). In deze beslissing is de klacht van verzoeker over mr. B (verwerend advocaat in de hoofdzaak) op alle onderdelen ongegrond verklaard.
1.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:276 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
1.3 Het beroepschrift met bijlagen van verzoeker tegen de beslissing van 22 december 2024 is door het hof in behandeling genomen onder zaaknummer 240355.
1.4 Het beroep is mondeling behandeld op 8 juni 2026. Aan het eind van de zitting is door betrokkene, als voorzitter van de behandelend kamer, aan partijen medegedeeld dat de beslissing op 3 augustus 2026 wordt gegeven.
1.5 Verzoeker heeft zijn voorwaardelijk wrakingsverzoek (hierna: het wrakingsverzoek) op 15 juni 2026 ingediend tegen betrokkene.
1.6 Betrokkene heeft niet berust in het wrakingsverzoek.
1.7 Het wrakingsdossier bevat de volgende stukken:
- het wrakingsverzoek van verzoeker, gedateerd 14 juni 2026 en ingediend op 15 juni
2026;
- de schriftelijke reactie van betrokkene van 30 juni 2026.
1.8 Het hof heeft op grond van artikel 7.2 wrakingsprotocol van het hof het wrakingsverzoek in raadkamer behandeld op basis van de onder randnummer 1.7 genoemde stukken.
2 BEOORDELING
Wrakingsgronden
2.1 Samengevat heeft verzoeker de volgende wrakingsgronden aangevoerd voor het
geval betrokkene mocht beslissen op het eveneens op 15 juni 2026 door verzoeker ingediende
wrakingsverzoek tegen de voorzitter van de behandelend kamer op 8 juni 2026 (mr. J.
Blokland):
- er is sprake van processuele onzorgvuldigheid omdat betrokkene in de buiten behandeling
stelling van zijn wrakingsverzoek van 31 mei 2026 heeft verwezen naar de zitting op
8 juni 2026 terwijl verzoeker die zitting niet heeft genoemd;
- het wrakingsverzoek van verzoeker van 31 mei 2026 had voorgelegd moeten worden
aan een externe wrakingskamer omdat er volgens verzoeker geen sprake is van evident
misbruik van recht. Doordat dit niet is gebeurd is ook het fundamentele beginsel van
effectieve toegang tot de rechtspraak geschonden;
- de op 31 mei 2026 door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden wijzen op schending
van het gelijkheidsbeginsel omdat er sprake is van willekeur;
- betrokkene is in zijn beslissing van 4 juni 2026 niet ingegaan op alle door verzoeker
aangedragen wrakingsgronden;
- betrokkene is onvoldoende deskundig om op wrakingsverzoeken te beslissen.
Schriftelijke reactie betrokkene
2.2 Betrokkene heeft aangevoerd dat de door verzoeker gestelde voorwaarde niet
is vervuld omdat betrokkene niet beslist op het wrakingsverzoek dat verzoeker op 15
juni 2026 tegen mr. J. Blokland heeft ingediend. Om die reden behoeft het wrakingsverzoek
geen behandeling.
Toetsingskader
2.3 Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek stelt het hof voorop dat een lid
van het hof kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de
rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit volgt uit het bepaalde
in artikel 56 lid 6 Advocatenwet in verbinding met de artikelen 512 tot en met 519
Wetboek van Strafvordering (Sv), die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.
Het hof moet dus onderzoeken of dergelijke feiten of omstandigheden door verzoeker
zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden. Uitgangspunt daarbij is dat een lid van
het hof moet worden vermoed uit hoofde van zijn benoeming/verkiezing onpartijdig te
zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing
opleveren voor het oordeel dat het lid ten opzichte van verzoeker vooringenomenheid
koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd
is. (HvD 23 september 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:164).
2.4 Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van een lid van het hof bestaat, is het standpunt van verzoeker belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van verzoeker aan de onpartijdigheid van het lid van het hof, door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.
2.5 Daarnaast geldt dat het niet aan de wrakingskamer is een door een lid van het hof gegeven (processuele) beslissing inhoudelijk te toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen.
Beoordeling
2.6 Nu de door verzoeker gestelde voorwaarde niet is vervuld, zal het door verzoeker
ingediende wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
3 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
3.1 verklaart het voorwaardelijk wrakingsverzoek van 15 juni 2026 van verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk; en
3.2 bepaalt dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten
tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter,
mrs. B.J.R. van Tongeren en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van
Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 21 juli 2026.