We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRSHE:2026:86 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-487/DB/OB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:86
Datum uitspraak: 21-07-2026
Datum publicatie: 21-07-2026
Zaaknummer(s): 26-487/DB/OB
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Klager verwijt verweerder dat hij op basis van een geantedateerde en niet door klager ondertekende overeenkomst van geldlening conservatoir beslag heeft doen leggen en een schikkingsvoorstel aan klager heeft gedaan (klachtonderdeel 1), waarbij verweerder klager spreekwoordelijk “tegen de muur gezet” heeft en hem heeft afgeperst (klachtonderdeel 2). Dat verweerder aanleiding had om te twijfelen aan de door zijn cliënte verstrekte informatie, waaronder de overeenkomst van geldlening, is de voorzitter op basis van de overgelegde stukken niet gebleken. De voorzitter overweegt dat het tuchtrecht niet is bedoeld voor het voeren van een discussie over de juistheid van de standpunten van partijen in een civielrechtelijk geschil. De feitelijke grondslag van het verwijt, dat verweerder klager een schikkingsvoorstel heeft gedaan en hem (daarbij) “tegen de muur heeft gezet” en heeft afgeperst, ontbreekt. Kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch 
van 21 juli 2026

in de zaak 26-487/DB/OB


naar aanleiding van de klacht van:



klager


over:


verweerder

De voorzitter van de raad van discipline (hierna: “de voorzitter”) heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 11 juni 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) met kenmerk 48|25|128K en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 8. 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager heeft een geschil (gehad) met mevrouw E, hierna: “E”. E heeft zich voor rechtsbijstand gewend tot verweerder.

1.2    Bij brief van 30 april 2025 heeft verweerder klager namens E gesommeerd om een bedrag van € 1.416.762,00 te voldoen. 

1.3    Omdat betaling was uitgebleven heeft verweerder op 15 mei 2025 namens E ten laste van klager conservatoir beslag doen leggen. In het beslagrekest heeft verweerder namens E verwezen naar een aan het rekest als productie gehechte tussen klager en E gesloten overeenkomst van geldlening.

1.4    Op 28 mei 2025 heeft verweerder klager namens E doen dagvaarden.

1.5    Op 12 juni 2025 heeft een bespreking plaatsgevonden, waarbij onder meer klager en verweerder aanwezig waren.

1.6    Na deze bespreking hebben klager en verweerder gecorrespondeerd over hetgeen volgens tijdens die bespreking aan de orde was geweest. Klager en verweerder verschilden hierover van mening.

1.7    Op 6 augustus 2025 heeft klager bij de deken een klacht tegen verweerder ingediend. 


2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: 

1.    Verweerder heeft op basis van een geantedateerde en niet door klager ondertekende overeenkomst van geldlening conservatoir beslag doen leggen en een schikkingsvoorstel aan klager gedaan;

2.    Verweerder heeft klager spreekwoordelijk “tegen de muur gezet” en hem afgeperst.


3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.


4    BEOORDELING

4.1    Toetsingskader

Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

4.2    Beoordeling     

Klager verwijt verweerder dat hij op basis van een geantedateerde en niet door klager ondertekende overeenkomst van geldlening conservatoir beslag heeft doen leggen en een schikkingsvoorstel aan klager heeft gedaan (klachtonderdeel 1), waarbij verweerder klager spreekwoordelijk “tegen de muur gezet” heeft en hem heeft afgeperst (klachtonderdeel 2). Verweerder heeft deze verwijten uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken. Verweerder heeft het verweer gevoerd dat hij enkel in het kader van de behartiging van de belangen van zijn cliënte en op basis van de van haar verkregen informatie de standpunten van zijn cliënte heeft verwoord en dat het niet mogelijk is om de civielrechtelijke geschilpunten in een tuchtrechtelijke procedure aan de orde te stellen. Verweerder heeft voorts de door klager geschetste gang van zaken tijdens de bespreking van 12 juni 2025 betwist en heeft gesteld dat hij helemaal geen schikkingsvoorstel aan klager heeft gedaan en dat hij hem evenmin onheus heeft bejegend.

4.3    De voorzitter overweegt als volgt. Het was de taak van verweerder om de belangen van zijn cliënte te behartigen. In dat verband stond het verweerder vrij om op basis van de van zijn cliënte verkregen informatie, waaronder de overeenkomst van geldlening, de standpunten van zijn cliënte naar voren te brengen. Ook stond het verweerder vrij om namens zijn cliënte de processtukken, waaronder het beslagrekest en de dagvaarding, in te richten op een wijze die hem, met het oog op de door hem te behartigen belangen, juist voor kwam en om producties in het geding te brengen, die naar zijn oordeel konden dienen ter onderbouwing van de standpunten van zijn cliënte. Dat verweerder aanleiding had om te twijfelen aan de juistheid van de door zijn cliënte verstrekte informatie, waaronder de overeenkomst van geldlening, is de voorzitter op basis van de overgelegde stukken niet gebleken. Dat klager zich niet in de door verweerder namens zijn cliënte naar voren gebrachte standpunten en overgelegde producties kan vinden, betekent nog niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.4    Indien en voor zover klager het met de door verweerder namens zijn cliënte naar voren gebrachte standpunten en in het geding gebrachte stukken niet eens was, kon daartegen door hem in de civiele procedure verweer worden gevoerd. De voorzitter overweegt dat het tuchtrecht niet is bedoeld voor het voeren van een discussie over de juistheid van de standpunten van partijen in een civielrechtelijk geschil. Het is aan de civiele rechter, en niet aan de tuchtrechter, om daarover een oordeel te geven. Of en in hoeverre de door verweerder in de gerechtelijke procedure overgelegde overeenkomst van geldlening terecht aan het door hem namens E gelegde beslag en de ingestelde vordering ten grondslag is gelegd, is ter beoordeling van de civiele rechter en niet van de tuchtrechter.

4.5    Klager verwijt verweerder dat hij klager een schikkingsvoorstel heeft gedaan en hem (daarbij) “tegen de muur heeft gezet” en heeft afgeperst. Verweerder heeft dit uitdrukkelijk weersproken, terwijl de voorzitter in de overgelegde stukken ook geen aanknopingspunten heeft gevonden voor de juistheid van deze ernstige verwijten. Dat verweerder zich op onnodig grievende wijze jegens klager heeft uitgelaten is niet gebleken, noch dat hij ongeoorloofde druk op klager heeft uitgeoefend. De feitelijke grondslag van deze verwijten ontbreekt kortom.

4.6    De voorzitter komt tot de slotsom dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat verweerder de grenzen van de aan hem, in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden. De voorzitter zal de klacht op grond van het voorgaande in beide onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

-    de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, in beide onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.


Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 21 juli 2026