ECLI:NL:TADRSHE:2026:84 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-684/DB/LI 26-031/DB/LI 26-230/DB/LI
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:84 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-07-2026 |
| Datum publicatie: | 13-07-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Gevoegde behandeling van klachten. De raad heeft in de klachtzaken 26-031/DB/LI en 26-230/DB/LI meerdere wezenlijke tekortkomingen in de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder vastgesteld. In de zaak 25-684/DB/LI heeft verweerder in zijn brief van 28 maart 2025 onjuiste stellingen geponeerd. Met het handelen van verweerder is het vertrouwen in de advocatuur geschaad. De onderhavige klachtzaak staat bovendien niet op zichzelf. Verweerder is reeds meerdere malen tuchtrechtelijk veroordeeld. Verweerder heeft zijn kerntaak als rechtsbijstandsverlener ernstig veronachtzaamd. Zowel bij gelegenheid van het onderzoek naar de klacht door de deken als in de procedure bij de raad heeft verweerder er echter onvoldoende blijk van gegeven inzicht te hebben in het kwalijke van zijn handelen. In de zaak 26-031/DB/LI heeft verweerder klager, de deken en de raad in strijd met de waarheid bericht dat hij reeds een dagvaarding aan klagers wederpartij had doen uitbrengen. In de zaak 26-230/DB/LI heeft verweerder de herhaalde verzoeken van de deken om te dupliceren onbeantwoord gelaten. Verweerder heeft meerdere malen om aanhouding van de door de raad bepaalde mondelinge behandeling gevraagd en gekregen, maar is uiteindelijk zonder opgaaf van redenen niet ter zitting van de raad verschenen. Blijkbaar ziet verweerder de ernst van de situatie niet in. De raad heeft ook, gezien de opstelling van verweerder, grote zorgen over een goede belangenbehartiging van toekomstige cliënten van verweerder. De raad is van oordeel dat het niet verantwoord is dat verweerder de praktijk als advocaat nog langer uitoefent. Gelet op alle feiten en omstandigheden is de raad van oordeel dat de maatregel van schrapping van het tableau de enige passende maatregel voor verweerder is. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 13 juli 2026
in de zaken 25-684/DB/LI, 26-031/DB/LI en 26-230/DB/LI
naar aanleiding van de klachten van:
25-684/DB/LI:
klaagster
gemachtigde : [naam gemachtigde]
26-031/DB/LI:
klager
26-230/DB/LI
klager
gemachtigde: mr. G.A.M.F. Spera, advocaat te Maastricht-Airport
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 1 april 2025 heeft klaagster in de zaak 25-684/DB/LI tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: “de deken”). Op 17 april 2025 heeft klager in de zaak 26-031/DB/LI tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken. Op 3 oktober 2025 heeft klager in de zaak 26-230/DB/LI tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
1.2 In de zaak 25-684/DB/LI heeft de raad op 8 oktober 2025 het klachtdossier met kenmerk K25-037 van de deken ontvangen. De griffier van de raad heeft partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 12 januari 2026. Bij e-mail van 12 januari 2026 heeft verweerder aan de raad medegedeeld niet ter zitting te kunnen verschijnen vanwege griepverschijnselen. De raad heeft de mondelinge behandeling aangehouden en partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 16 maart 2026 (om 14.00 uur). In de zaak 26-031/DB/LI heeft de raad op 14 januari 2026 het klachtdossier met kenmerk K25-064 van de deken ontvangen. Ook in die zaak zijn partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 16 maart 2026 (om 14.45 uur). Bij e-mail van 16 maart 2026 13:35 uur heeft verweerder de raad bericht dat hij autopech had en vanwege een gebarsten koelslang langs de autoweg was gestrand. De raad heeft aan klaagster in de zaak 25-684/DB/LI en aan klager in de zaak 26-031/DB/LI (die wel waren verschenen) medegedeeld dat de mondelinge behandeling wederom werd aangehouden. Partijen in de zaken 25-684/DB/LI en 26-031/DB/LI zijn vervolgens opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 18 mei 2026.
1.3 In de zaak 26-230/DB/LI heeft de raad op 19 maart 2026 het klachtdossier met kenmerk K25-091 van de deken ontvangen. De griffier van de raad heeft partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 18 mei 2026.
1.4 De klachten zijn behandeld op de zitting van de raad van 18 mei 2026. Verweerder heeft bij e-mail van 18 mei 2026 aan de raad medegedeeld dat hij de mondelinge behandeling niet zou bijwonen en is niet verschenen. Verschenen zijn klaagster in de zaak 25-684/DB/LI, klager in de zaak 26-031/DB/LI en klager, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. S, in de zaak 26-230/DB/LI. De raad heeft aan partijen medegedeeld dat de raad in één beslissing een oordeel zal geven over alle drie de klachtzaken. Dit vanwege het feit dat sprake is van (ten dele) soortgelijke tuchtrechtelijke verwijten die zijn gebaseerd op gedragingen van verweerder die in dezelfde periode hebben plaatsgevonden.
1.5 De raad heeft kennisgenomen van de in 1.2 genoemde klachtdossiers en van de
volgende nagekomen stukken:
25-684/DB/LI:
- de e-mail met bijlagen van klaagster van 13 oktober 2025;
- de e-mail met bijlagen van klaagster van 22 januari 2026.
26-031/DB/LI:
- de e-mails van klager van 26 februari 2025;
- de brief met bijlagen van klager van 26 februari 2026;
- de e-mail met bijlage van klager van 14 april 2026.
26-230/DB/LI:
de e-mail met bijlagen van de gemachtigde van klager van 2 april 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 26-031/DB/LI
Klager heeft een geschil (gehad) met garagebedrijf M over de aankoop van een auto
op 20 juli 2023. Klager heeft zich medio juni 2024 voor rechtsbijstand gewend tot
verweerder. Verweerder heeft aan klager toegezegd dat hij een conceptbrief en conceptdagvaarding
zou opstellen.
2.3 Klager heeft vanaf 25 september 2024 diverse malen aan verweerder verzocht om de conceptbrief en de conceptdagvaarding op te stellen en om hem te informeren over de stand van zaken. Op 11 maart 2025 heeft verweerder aan klager medegedeeld dat hij bezig was met het opstellen van de dagvaarding. Op 21 maart 2025 heeft verweerder aan klager medegedeeld dat de dagvaarding gereed was.
2.4 Omdat klager ondanks herhaalde verzoeken nog altijd geen conceptbrief en conceptdagvaarding van verweerder had ontvangen, heeft klager op 17 april 2025 tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken, die klager erop heeft gewezen dat eerst de interne klachtenregeling van verweerders kantoor moest worden doorlopen. Bij e-mail van 4 mei 2025 heeft klager op grond van de interne klachtenregeling van verweerders kantoor een klacht ingediend over de bijstand van verweerder.
2.5 Bij e-mail van 11 augustus 2025 heeft verweerder de deken als volgt bericht:
“Geachte deken,
Inzake het klachtdossier van [klager] kan ik u het navolgende berichten. Ik heb
nog steeds de opdracht van [klager], ik heb de dagvaarding aan de wederpartij uitgebracht
en ik ben voornemens om deze zaak voor [klager] tot een goed eind te brengen. Of we
de zaak bij de kantonrechter winnen kan ik uiteraard niet beloven, echter [klager]
heeft een sterke zaak.”
2.6 In september en oktober 2025 heeft verweerder aan klager toegezegd dat hij de zaak alsnog succesvol voor klager zou afronden. Op 27 oktober 2025 heeft klager de deken verzocht om de klachtprocedure op te schorten. Bij bericht van 29 oktober 2025 heeft de deken klager bericht dat dit niet mogelijk is en dat hij ofwel de klacht moet intrekken ofwel de klachtprocedure voortzet. Op 7 november 2025 hebben klager en verweerder een gesprek gevoerd, bij gelegenheid waarvan verweerder aan klager heeft toegezegd dat hij de gerechtelijke procedure nog diezelfde maand aanhangig zou maken. Bij bericht van 25 november 2025 heeft klager aan de deken medegedeeld dat hij de klachtprocedure wenst voort te zetten omdat verweerder zijn toezeggingen niet was nagekomen. Op 3 december 2025 heeft de deken een dekenstandpunt geformuleerd, inhoudende de verwachting dat de raad de klacht gegrond zou verklaren. De deken heeft het klachtdossier vervolgens doorgezonden aan de raad.
2.7 In februari 2026 heeft klager bij verweerder geïnformeerd naar de stand van zaken Verweerder heeft klager op 2 februari 2026 bericht: “Goedemorgen, ik ben uw zaak gewoon aan het behandelen.”
2.8 De griffier van de raad heeft partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 16 maart 2026 (om 14.45 uur). Bij e-mail van 16 maart 2026 13:35 uur heeft verweerder de raad bericht dat hij autopech had en wegens een gebarsten koelslang langs de autoweg was gestrand. De raad heeft de mondelinge behandeling aangehouden. In de e-mail van 16 maart 2026 heeft verweerder aan de raad medegedeeld:
“(…) Ik ben nog steeds zijn advocaat, ik heb de zaak in behandeling. Ik heb een dagvaarding geredigeerd, deze ligt bij autohandelaar. (…)”
2.9 Klager heeft verweerder bij brieven van 24 maart en 14 april 2026 in gebreke gesteld en aansprakelijk gesteld.
2.10 26-230/DB/LI
Klager heeft een geschil gehad met zijn zuster C over de verdeling van de nalatenschap van hun overleden moeder. Op 28 oktober 2024 is klager gedagvaard om op 13 november 2024 te verschijnen bij de rechtbank Limburg. C heeft de rechtbank – samengevat – verzocht om de omvang van de nalatenschap vast te stellen en de (wijze van) verdeling van de nalatenschap te gelasten overeenkomstig de door C in het geding gebrachte verdelingsstaat.
2.11 Bij e-mail van 19 februari 2025 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van klager aan verweerder de opdracht verstrekt om klager bij te staan.
2.12 Bij e-mail van 20 maart 2025 heeft mr. H, de advocaat van C, een concept vaststellingsovereenkomst aan verweerder toegestuurd. Bij e-mail van 28 maart 2025 heeft klager aan verweerder gevraagd of hij de concept vaststellingsovereenkomst al had bekeken. Bij e-mail van 31 maart 2025 heeft klager aan verweerder gevraagd of hij telefonisch contact kon opnemen. Bij e-mails van 16 april, 8 en 10 mei 2025 heeft klager aan verweerder rapellen gestuurd en gevraagd om telefonisch contact op te nemen. Bij e-mail van 14 mei 2025 heeft klager aan de rechtsbijstandsverzekeraar om advies gevraagd, omdat hij geen contact kon krijgen met verweerder en hij het vertrouwen in verweerder dreigde te verliezen. Bij e-mail van 19 mei 2025 heeft klager verweerder gevraagd om hem een update te geven over de vaststellingsovereenkomst, om contact met hem op te nemen en hem te laten weten of hij klagers belangen nog wilde behartigen. Bij e-mail van 20 mei 2025 heeft verweerder klager bericht dat hij hem nog steeds bijstond en dat hij de heer K, klagers boekhouder, diezelfde dag zou spreken en klager meteen daarna zou bellen. Bij e-mail van 20 mei 2025 heeft klager verweerder bericht dat hij nog niets van hem had gehoord en dat hij op 21 mei 2025 wel een telefoontje van hem verwachtte. Bij e-mail van 21 mei 2025 heeft klager aan verweerder bevestigd dat hij nog niets van hem had gehoord en aan hem medegedeeld dat hij zich genoodzaakt zag om contact op te nemen met zijn rechtsbijstandsverzekeraar.
2.13 Op 21 mei 2025 heeft de rechtbank vonnis gewezen. Het vonnis heeft onder meer het volgende overwogen:
“(2.2) Namens [klager] heeft zich [verweerder] gesteld, maar deze heeft niet binnen
de aan hem gegeven termijn (door middel van het indienen van een conclusie van antwoord)
verweerder gevoerd namens [klager]. [Mr. H] heeft vervolgens op 23 april 2025 namens
[C] aan de rechtbank gevraagd om vonnis te wijzen, terwijl [verweerder] bij bericht
van dezelfde datum om ‘uitstel voortzetting procedure tevens mogelijkheid tot nemen
van conclusie van antwoord’ heeft verzocht. Dit uitstel is, rekening houdend met de
eerder op 19 maart 2025 verleende ‘akte niet dienen’, niet door de rolrechter gehonoreerd,
omdat er geen grond is voor uitstel vanwege klemmende redenen.
(2.3) Bij gebrek aan enig verweer van de zijde van [klager] zal de rechtbank de
vorderingen van [C] toewijzen op de wijze zoals in het dictum bepaald, omdat deze
vorderingen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, en de stellingen
van [C] de vorderingen kunnen dragen, met uitzondering van hetgeen hierna wordt overwogen.”
2.14 Op 27 mei 2025 hebben klager en verweerder een gesprek gevoerd. Het vonnis is hierbij niet aan de orde geweest.
2.15 Bij e-mail van 3 juni 2025 heeft klager aan verweerder bericht:
“Kunt u spoedig contact met mij opnemen?
Ik heb vernomen dat er een rechterlijke uitspraak is geweest wat betreft mijn
zaak. Waarom ben ik hiervan niet in kennis gesteld? Ik verwacht spoedig een reactie
van u.”
2.16 Bij e-mail van 4 juni 2025 heeft klager aan verweerder gevraagd om het vonnis aan hem toe te sturen. Bij e-mail van 12 juni 2025 heeft klager aan verweerder gevraagd om telefonisch contact op te nemen. Bij e-mail van 17 juni 2024 heeft klager verweerder nogmaals verzocht om het vonnis toe te sturen. Bij e-mail van 20 juni 2025 heeft verweerder het vonnis aan klager toegestuurd met de volgende begeleidende tekst:
“Hierbij het vonnis.”
2.17 Bij e-mails van 30 juni, 1, 2, 3, 5, 9 en 10 juli 2025 heeft klager diverse
vragen aan verweerder gesteld over de reden van de verleende akte van niet dienen,
over de inhoud van het vonnis, over de inhoud en totstandkoming van de vaststellingovereenkomst
en over het instellen van hoger beroep.
2.18 Bij e-mail van 25 juli 2025 heeft klager verweerder bericht dat hij zich had gewend tot een andere advocaat, mr. S, omdat hij ontevreden was over het optreden van verweerder. Mr. S heeft verweerder aansprakelijk gesteld. Mr. S heeft appel ingesteld tegen het vonnis van 21 mei 2025.
2.19 25-684/DB/LI:
Klaagster is op 23 november 2024 benoemd tot voorzitter van de vereniging O.
Verweerder is lid van de vereniging O.
2.20 Op 24 november 2024 heeft verweerder een Whatsapp-bericht gestuurd aan klaagster met de volgende tekst:
“Beste [klaagster],
Ik wil je bedanken voor de inspirerende woorden van je speech tijdens het diner,
in het bijzonder je persoonlijke motivatie. Veel succes de komende tijd, zie in mij
een medestander. Mvg [verweerder]”
2.21 In december 2024 en januari 2025 hebben klaagster en verweerster via Whatsapp berichten uitgewisseld, (onder meer) in een poging om een afspraak voor een (telefonische) bespreking in te plannen.
2.22 Op 23 februari 2025 heeft een vergadering van leden van de vereniging O in een door leden opgeroepen vergadering besloten om klaagster te ontslaan, de heer S te herbenoemen tot voorzitter en andere nieuwe bestuurders te benoemen. Klaagster heeft op 17 februari 2025 een nieuwe vereniging opgericht met overeenkomende doelstelling als vereniging O.
2.23 Tussen klaagster en vereniging O is een geschil ontstaan over de vraag welke partij (de vereniging O of de door klaagster opgerichte vereniging) door de internationale organisatie (O Internationaal) wordt erkend en over de vraag of de vergadering van 23 februari 2025 geldig was bijeengeroepen en geldig besluiten kon nemen.
2.24 De heer S heeft zich voor rechtsbijstand gewend tot verweerder. Bij brief van 28 maart 2025 heeft verweerder namens de heer S het volgende aan O Internationaal medegedeeld:
“As an officer of court, I affirm that all due legal process had been followed.
It is therefore incomprehensible to us that [klaagster] continues to be recognized
within [vereniging O) circles, and to represent herself – without mandate or legitimacy
– under the insignia of our Grand Priory. Despite multiple formal notices, she has
appeared at events hosted by other Grand Priories and now, it appears, leads a breakaway
association using our name and symbols, allegedly with the support of the Grand Prior
of Ireland.
This situation has caused significant confusion, reputational harm, and internal
division. It flagrantly violates the core principle of our structure: One Nation,
One Grand Priory, One Grand Prior.
To be absolutely explicit: [klaagster] does not represent the Grand Priory of
the Netherlands. She has no authority to speak for its members, nor to act in any
capacity under our banner. She has been formally notified of her status and the legal
consequences of continued misrepresentation. As an officer of the court, I affirm
that all due legal process has been followed.”
2.25 Op 29 en 30 maart 2025 hebben klaagster en verweerder via Whatsapp de volgende
berichten uitgewisseld:
29 maart 2025, 18:27:23, bericht van klaagster:
“Beste [verweerder],
Ik betreur jouw opstelling in het debacle rondom [vereniging O] ten zeerste.
Ik heb me ook diverse malen verraden gevoeld door jou. Eerst spreek je mij in vertrouwen
aan en vervolgens stuur je mij en anderen brieven waarin je optreedt als advocaat
voor dhr. [S]. Dat is op zijn minst niet netjes te noemen en al helemaal niet ridderlijk
of broederlijk. Ik heb hier juridisch advies in gevraagd en mij is stellig geadviseerd
om hierover een klacht in te dienen bij de deken van advocaten. Weer een dieptepunt
in mijn leven, maar wel rechtvaardig. Daar ik het liever niet zou doen wil ik je tot
morgenavond 21 uur de kans geven om je uitspraken in je brieven ten aanzien van de
rechtsgeldigheid van de vergadering en de stemming te rectificeren en aan iedereen
aan te geven dat je je terugtrekt uit deze zaak. Ik ontvang graag een afschrift als
bewijs, dat je dit gestuurd hebt naar iedereen die je eerder hebt gemaild, waaronder
[…], […], […], […] en […]. Mocht je besluiten om dat niet te doen, dan zal de bijgevoegde
klacht morgenavond om 21.00u worden verzonden aan de deken. Ik wens je alsnog veel
wijsheid toe. Veritas stella ducit. [klaagster]”
30 maart 2025, 18:36:27, bericht van verweerder:
“Ik laat mij door niemand chanteren”
30 maart 2025, 18:41:04, bericht van klaagster:
“Jammer dat je dat zo ziet [verweerder]. Dat is absoluut niet mijn bedoeling. Ik wil
dit niet doen zonder jou in de gelegenheid te stellen om een andere keuze te maken.”
30 maart 2025, 18:43:56, bericht van verweerder:
“Dit is textboek 318sr. Dwingen tot een doen of nalaten.”
30 maart 2025, 19:01:21, bericht van klaagster:
“Dat jij je nu beroept op artikel 318 Sr (afpersing) omdat ik je een nette kans geef
om een onjuiste verklaring te corrigeren richting een internationaal orgaan, is absurd,
juridisch onhoudbaar en buitenproportioneel. Ik zal jouw reactie vermelden in de klacht.
Jammer dit.”
30 maart 2025, 19:08:19, bericht van verweerder:
“Ik ben ingehuurd door het bestuur. Ik vertolk het standpunt van het bestuur en van
de vereniging. Kennelijk heb je een ander standpunt, leg het dan voor aan de rechter.”
30 maart 2025, 19:08:26, bericht van verweerder:
“Dat is de juiste weg.”
30 maart 2025, 19:08:36, bericht van verweerder:
“Alleen de rechter beslist wie er gelijk heeft.”
30 maart 2025, 19:14:14 bericht van klaagster:
“Dat klopt niet, [verweerder]. Jij hebt in je brief gezegd dat je PERSOONLIJK kunt
bevestigen dal de stemming legaal was. Je kunt je niet verschuilen achter het bestuur.”
30 maart 2025, 19:16:12, bericht van verweerder:
“Dan leg het voor aan de rechter.”
2.26 Verweerder heeft namens de vereniging O jegens klaagster een kort geding procedure aanhangig gemaakt. In deze procedure heeft de vereniging O - onder meer - gevorderd om klaagster te gebieden om ieder optreden namens de vereniging O te staken en om klaagster te verbieden om zich als Groot Prior van de vereniging O uit te geven. Bij vonnis van 18 mei 2025 zijn de door vereniging O ingestelde vorderingen integraal afgewezen met veroordeling van vereniging O in de proceskosten.
3 KLACHTEN
3.1 26-031/DB/LI:
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder
het volgende.
Verweerder heeft klagers belangen niet naar behoren behartigd, nu hij onverantwoord heeft gehandeld, heeft gelogen, wanprestatie heeft geleverd en de procedure heeft vertraagd. Verweerder is toezeggingen (zoals het toesturen van de dagvaarding) namelijk niet nagekomen en na acht maanden is er nog steeds niets gedaan.
3.2 26-230/DB/LI:
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder
het volgende.
Verweerder heeft klagers belangen niet naar behoren behartigd.
3.3 25-684/DB/LI:
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder
het volgende.
1.Verweerder heeft in zijn hoedanigheid van “officer of court” valse informatie verstrekt aan de internationale organisatie van vereniging O;
2.Verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling doordat hij, nadat hij zich aan klaagster had gepresenteerd als bondgenoot en zij vertrouwelijke gesprekken hadden gevoerd, zich ineens heeft gepositioneerd als advocaat van de wederpartij;
3.Verweerder heeft klaagster onheus bejegend door haar te beschuldigen van chantage.
4 VERWEER
4.4 Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 26-031/DB/LI
Toetsingskader
Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is
pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder
de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid
die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter
rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen
te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde
eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele
standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en
redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.2 Beoordeling
Klager verwijt verweerder dat hij klagers belangen niet naar behoren heeft behartigd,
nu hij onverantwoord heeft gehandeld, heeft gelogen, wanprestatie heeft geleverd,
de procedure heeft vertraagd en toezeggingen (zoals het toesturen van de dagvaarding)
niet is nagekomen. De raad overweegt als volgt. Verweerder heeft geen wezenlijk verweer
tegen de klacht gevoerd, maar is wel tegenover klager, de deken en de raad blijven
volhouden dat hij klagers wederpartij heeft gedagvaard, Hiervan blijkt echter niet
uit de aan de raad overgelegde stukken. Het heeft er alle schijn van dat verweerder
helemaal niets in klagers zaak heeft gedaan en dat hij daarover ook nog eens onwaarheid
heeft gesproken tegen klager, de deken en de tuchtrechter. Vragen van klager over
de stand van zaken en de voortgang heeft verweerder vaak langdurig of helemaal onbeantwoord
gelaten. De raad overweegt in dit verband dat een advocaat gehouden is de hem opgedragen
werkzaamheden met de nodige voortvarendheid voor zijn cliënt te verrichten. Van een
behoorlijk handelend advocaat mag voorts worden verwacht dat deze de cliënt naar behoren
op de hoogte houdt van de voortgang van de zaak of van zaken die de voortgang belemmeren.
Naar het oordeel van de raad heeft verweerder dit verzaakt. Van feiten en omstandigheden
die een rechtvaardiging vormen voor het uitblijven van enige actie is naar het oordeel
van de raad niet gebleken. Verweerder is kortom op grove wijze tekort geschoten in
de belangenbehartiging van en de communicatie met klager. Aldus heeft verweerder niet
gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende
advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. De klacht is dan ook gegrond.
5.3 26-230/DB/LI
Ook deze klacht heeft betrekking op de kwaliteit van verweerders dienstverlening.
De raad verwijst naar het hierboven onder 5.1 vermelde toetsingskader. Klager verwijt
verweerder dat hij is tekort geschoten in de belangenbehartiging en de communicatie.
Verweerder heeft de verwijten weersproken, maar heeft noch de deken, noch de raad
inzicht gegeven in de wijze waarop hij klager heeft geadviseerd en bijgestaan.
5.4 Verweerder heeft gesteld dat er in de periode van september 2024 tot en met juli 2025 veelvuldig contact is geweest tussen klager en verweerder. Klager heeft dit echter weersproken, terwijl uit de overgelegde stukken blijkt dat klager vele malen per e-mail vragen heeft gesteld aan verweerder en heeft aangedrongen op contact, zonder dat daarop van de zijde van verweerder een reactie is gevolgd. Vast staat dat de rechtbank op 21 mei 2025 vonnis heeft gewezen, dat verweerder klager daarvan niet op de hoogte heeft gesteld en dat hij zelfs tijdens een bespreking met klager op 27 mei 2025 met geen woord over het vonnis heeft gerept. Klager is er door zijn wederpartij op gewezen dat er vonnis was gewezen. Pas na herhaaldelijk aandringen van klager heeft verweerder het vonnis op 20 juni 2025 aan klager toegestuurd. In de begeleidende e-mail heeft verweerder volstaan met de woorden “hierbij het vonnis” en heeft hij dus aan klager geen enkele toelichting of uitleg over het vonnis gegeven, terwijl de inhoud van het vonnis daartoe alle aanleiding gaf. De vorderingen van klagers wederpartij waren immers (grotendeels) toegewezen, omdat verweerder namens klager geen enkel verweer had gevoerd. Klager heeft meermaals per e-mail om uitleg en advies gevraagd, maar verweerder gaf wederom niet thuis.
5.5 Verweerder heeft gesteld dat hij geen verweer heeft gevoerd omdat hij met klager had afgesproken dat hij geen verweer zou voeren. Klager heeft dit echter uitdrukkelijk betwist, terwijl uit de aan de raad overgelegde stukken ook geenszins blijkt van een dergelijke afspraak. Verweerder heeft de door hem gestelde afspraak niet schriftelijk vastgelegd. Waarom de door verweerder gestelde afspraak zou zijn gemaakt is bovendien onduidelijk gebleven. Het had op de weg gelegen van verweerder om hierover duidelijkheid te verschaffen. Gedragsregel 16 bepaalt dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Indien de advocaat dit verzuimt, komt het bewijsrisico daaromtrent op de advocaat te rusten. De raad heeft niet kunnen vaststellen dat verweerder de opdracht op deugdelijke wijze schriftelijk heeft vastgelegd, noch dat verweerder zijn inschatting van de goede en kwade kansen en een (eerste) advies of plan van aanpak met klager heeft besproken en vervolgens schriftelijk heeft vastgelegd. Verweerder heeft gesteld dat er met instemming van klager overeenstemming is bereikt over een vaststellingsovereenkomst. Klager heeft dit echter uitdrukkelijk betwist. Uit de aan de raad overgelegde stukken blijkt dit ook niet. Uit de overgelegde stukken blijkt wel dat klager herhaaldelijk aan verweerder vragen heeft gesteld over de status en inhoud van de vaststellingsovereenkomst. De raad constateert dat verweerder vragen van klager onbeantwoord heeft gelaten en dat hij klager niet van advies heeft voorzien over de inhoud en strekking van de vaststellingsovereenkomst. Dat verweerder klager op de hoogte heeft gehouden van de voortgang en het verloop van de procedure is evenmin gebleken.
5.6 De raad concludeert op grond van het voorgaande dat verweerder ernstig is tekort geschoten in communicatie met en de bijstand en advisering van klager. Aldus heeft verweerder niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. De klacht is gegrond.
5.7 25-684/DB/LI
Toetsingskader
Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten
geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt
hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun
cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van
de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich
bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
5.8 Klachtonderdeel 1
Klaagster verwijt verweerder in de eerste plaats dat hij in zijn hoedanigheid van
“officer of court” valse informatie heeft verstrekt aan de internationale organisatie
van vereniging O. Verweerder heeft het verweer gevoerd dat hij in zijn brief geen
onjuistheden heeft vermeld. De raad stelt vast dat partijen – onder meer - twisten
over de vraag of de vergadering van 23 februari 2025 geldig was bijeengeroepen en
geldig besluiten kon nemen. Uit de in het bericht gebezigde bewoordingen blijkt dat
verweerder de brief enerzijds heeft geschreven in zijn hoedanigheid van advocaat en
anderzijds niet enkel als advocaat de standpunten van de verenging O (waarvan verweerder
in zijn privé hoedanigheid lid is) namens die vereniging heeft verwoord, maar ook
op persoonlijke titel stelling heeft genomen. Met het kennelijke doel om aan de in
de brief geponeerde stellingen meer gewicht toe te kennen, heeft verweerder benadrukt
dat hij (de juistheid van) die stellingen “as an officer of court” onderschrijft en
dat hij “as an officer of court” bevestigt dat de vereniging O de procedures op juridisch
correcte wijze heeft gevolgd. De raad constateert dat verweerder met de door hem gebezigde
bewoordingen de indruk heeft gewekt in te staan voor de (feitelijke en juridische)
juistheid van de in de brief geponeerde stellingen. Bij die stand van zaken rustte
op verweerder een verdergaande plicht om de juistheid van de door hem gepresenteerde
informatie te controleren dan wanneer het zou gaan om door de cliënt aan de advocaat
verstrekte informatie zoals bedoeld in de hierboven onder 5.1 weergegeven toetsingsmaatstaf.
Klaagster heeft uitvoerig gemotiveerd toegelicht dat en waarom de door verweerder
geponeerde stellingen onjuist zijn. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder,
die niet ter zitting van de raad is verschenen, daar onvoldoende tegenover gesteld,
zodat de raad niet kan vaststellen dat verweerder aan de hiervoor genoemde verdergaande
plicht heeft voldaan. Dat betekent dat klachtonderdeel 1 naar het oordeel van de raad
gegrond moet worden verklaard.
5.9 Klachtonderdeel 2
Klaagster verwijt verweerder verder dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling
doordat hij, nadat hij zich aan klaagster had gepresenteerd als bondgenoot en zij
vertrouwelijke gesprekken hadden gevoerd, zich ineens heeft gepositioneerd als advocaat
van de wederpartij. Ook dit klachtonderdeel heeft verweerder weersproken. Verweerder
heeft gesteld dat hij niet als advocaat voor klaagster heeft opgetreden en ook niet
de indruk heeft gewekt dat hij haar advocaat was. De raad overweegt als volgt.
5.10 Als uitgangspunt geldt dat een advocaat in het algemeen niet mag optreden tegen een voormalig cliënt van hem of van een kantoorgenoot. Deze norm is verwoord in gedragsregel 15. De advocaat mag zich immers niet in de situatie begeven waarin hij de kans loopt ten koste van zijn cliënt in een belangenconflict te geraken. Daarnaast moet de cliënt ten volle erop kunnen vertrouwen dat gegevens over zijn zaak, zijn persoon of zijn onderneming die de cliënt aan de advocaat of zijn kantoorgenoot ter beschikking heeft gesteld, niet op enig moment tegen hem worden gebruikt. Dat vloeit reeds voort uit de geheimhoudingsplicht van de advocaat. Wanneer aan de in gedragsregel 15 lid 3 cumulatief opgesomde voorwaarden a, b en c is voldaan (niet dezelfde zaak, geen vertrouwelijke informatie, geen redelijke bezwaren) behoeft een advocaat aan zijn vroegere cliënt geen voorafgaande instemming als bedoeld in lid 4 te vragen.
5.11 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.12 Vast staat dat klaagster geen cliënte van verweerder is geweest. Echter, ook wanneer formeel geen advocaat-cliënt relatie is tot stand gekomen, kan de norm van gedragsregel 15 eraan in de weg staan dat tegen de persoon met wie de (kantoorgenoot van de) advocaat contact heeft gehad wordt opgetreden, indien in de contacten tussen die persoon en de (kantoorgenoot van de) advocaat vertrouwelijke informatie is gedeeld, waarvan de advocaat bij de behandeling van de zaak tegen die persoon voordeel heeft of kan hebben. Dat tijdens de door klaagster en verweerder gevoerde gesprekken vertrouwelijke informatie over de zaak van klager is gedeeld, waarvan verweerder hierna in zijn bijstand aan de vereniging O voordeel heeft gehad en die verweerder moest beletten om tegen klaagster op te treden, is naar het oordeel van de raad uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht echter niet gebleken. Klachtonderdeel 2 is op grond van het voorgaande ongegrond.
5.13 Klachtonderdeel 3
Klaagster verwijt verweerder dat hij klaagster onheus heeft bejegend door haar te
beschuldigen van chantage. Verweerder heeft het verweer gevoerd dat hij zich inderdaad
door klaagster gechanteerd voelde en dat hij haar niet onheus heeft bejegend. De raad
overweegt als volgt.
5.14 Vast staat dat verweerder in het bericht van klaagster van 29 maart 2025, waarin zij hem heeft verzocht om zijn uitspraken te rectificeren bij gebreke waarvan zij een klacht zou indienen, aanleiding heeft gezien om haar op 30 maart 2025 te berichten “Ik laat mij door niemand chanteren” en “Dit is textboek 318sr. Dwingen tot een doen of nalaten.” De raad is van oordeel dat deze wijze van communiceren van verweerder niet de schoonheidsprijs verdient, maar voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerder ziet de raad in de inhoud en toonzetting van verweerders berichten onvoldoende aanleiding. De raad zal dit klachtonderdeel dan ook ongegrond verklaren.
6 MAATREGEL
6.1 De raad heeft in de klachtzaken 26-031/DB/LI en 26-230/DB/LI meerdere wezenlijke tekortkomingen in de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder vastgesteld. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarde deskundigheid. In de zaak 25-684/DB/LI heeft verweerder in zijn brief van 28 maart 2025 onjuiste stellingen geponeerd. Met het handelen van verweerder is het vertrouwen in de advocatuur geschaad. De aard en ernst hiervan rechtvaardigen daarom de oplegging van een zware maatregel.
6.2 De onderhavige klachtzaak staat bovendien niet op zichzelf. Verweerder is reeds meerdere malen tuchtrechtelijk veroordeeld. Bij beslissing van 13 juni 2022 (ECLI:NL:TADRSHE:2022:95) heeft de raad een klacht over de overdracht van een dossier aan de opvolgend advocaat gegrond verklaard en aan verweerder een waarschuwing opgelegd. Bij beslissing van 6 maart 2023 (ECLI:NL:TADRSHE:2023:28) heeft de raad een bezwaar van de deken gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel opgelegd van schorsing voor de duur van zes weken, waarvan vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
6.3 Verweerder heeft zijn kerntaak als rechtsbijstandsverlener ernstig veronachtzaamd. Zowel bij gelegenheid van het onderzoek naar de klacht door de deken als in de procedure bij de raad heeft verweerder er echter onvoldoende blijk van gegeven inzicht te hebben in het kwalijke van zijn handelen. In de zaak 26-031/DB/LI heeft verweerder klager, de deken en de raad in strijd met de waarheid bericht dat hij reeds een dagvaarding aan klagers wederpartij had doen uitbrengen. In de zaak 26-230/DB/LI heeft verweerder de herhaalde verzoeken van de deken van 23 december 2025, 21 januari en 11 februari 2026 om te dupliceren onbeantwoord gelaten. Verweerder heeft meerdere malen om aanhouding van de door de raad bepaalde mondelinge behandeling gevraagd en gekregen, maar is uiteindelijk zonder opgaaf van redenen niet ter zitting van de raad verschenen. Blijkbaar ziet verweerder de ernst van de situatie niet in. De raad heeft ook, gezien de opstelling van verweerder, grote zorgen over een goede belangenbehartiging van toekomstige cliënten van verweerder.
6.4 De raad is van oordeel dat het niet verantwoord is dat verweerder de praktijk als advocaat nog langer uitoefent. Gelet op alle feiten en omstandigheden is de raad van oordeel dat de maatregel van schrapping van het tableau de enige passende maatregel voor verweerder is.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klachten (deels) gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet de door de klagers betaalde griffierechten van € 50,- aan hen vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet in alle drie de zaken veroordelen in de volgende
proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klagers;
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klagers. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet in iedere klachtzaak het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
26-031/DB/LI
- verklaart de klacht gegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op
de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse
Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
26-230/DB/LI
- verklaart de klacht gegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
-veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op
de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse
Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
25-684/DB/LI
- verklaart klachtonderdeel 1 gegrond en de klachtonderdelen 2 en 3 ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse
Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
in de zaken 25-684/DB/LI, 26-031/DB/LI en 26-230/DB/LI:
- legt aan verweerder de maatregel van schrapping op, die ingaat op de tweede werkdag na het onherroepelijk worden van deze beslissing.
Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. M.J. Hoekstra, J.A.J.A. Luijten, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 13 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 juli 2026