ECLI:NL:TADRSHE:2026:83 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-048/DB/ZWB
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:83 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-07-2026 |
| Datum publicatie: | 13-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-048/DB/ZWB |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. Klacht deels niet-ontvankelijk wegens tijdsverloop. Voor zover de klacht wel ontvankelijk is getuigt de bijstand zoals geschetst, niet van een kwaliteit van dienstverlening die onder de maat blijft van wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mag worden verwacht. De klacht, voor zover ontvankelijk, is dan ook ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 13 juli 2026
in de zaak 26-048/DB/ZWB
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
gemachtigde: mr. M. Boender-Radder, advocaat te 's-Gravenhage
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 12 maart 2025 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: “de deken”).
1.2 Op 21 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-022 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 18 mei 2026. Verschenen zijn klager en verweerster, bijgestaan door mr. B, advocaat.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de e-mail met bijlagen van klager van 1 februari 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager heeft een affectieve relatie gehad met mevrouw O, hierna: “de vrouw”. Deze relatie is in 2021 geëindigd. Klager en de vrouw hadden gezamenlijk (ieder voor 50%) een woning in eigendom. Klager is zelfstandig ondernemer. Klager wilde in de woning blijven wonen en de vrouw uitkopen.
2.3 Klager en de vrouw hebben vergeefs geprobeerd om middels mediation tot afspraken over de verdeling te komen. Nadat de mediation zonder succes was geëindigd heeft de vrouw bij e-mail van 27 januari 2022 rechtsreeks aan klager een voorstel gedaan, inhoudend dat klager haar een bedrag van € 120.000,00 zou betalen en dat zij zou worden ontslagen van de hoofdelijke aansprakelijkheid. Dit voorstel kon tot 1 april 2022 door klager worden aanvaard.
2.4 Op 7 februari 2022 heeft de vrouw jegens klager een gerechtelijke procedure aanhangig gemaakt waarin samengevat de vaststelling van de verdeling werd gevorderd op de wijze zoals door de vrouw in de dagvaarding verwoord.
2.5 Klager werd aanvankelijk bijgestaan door mr. D, advocaat. Klager heeft zich op 14 februari 2022 voor rechtsbijstand gewend tot verweerster. Verweerster heeft de opdracht aanvaard en de opdracht bij brief van 15 februari 2022 aan klager bevestigd. In deze opdrachtbevestiging heeft verweerster aan klager bevestigd dat zij hem had geadviseerd om een (vast) dienstverband te zoeken teneinde zijn mogelijkheden om de vrouw uit te kopen te vergroten en dat zij hem had verzocht om bewijsstukken aan te leveren van de vorderingen die hij met de vrouw wilde verrekenen, waaronder een door klagers vader aan klager en de vrouw verstrekte geldlening. Klager heeft de opdrachtbevestiging voor akkoord ondertekend.
2.6 Op 17 februari 2022 heeft klager aan verweerster een usb-stick met informatie overhandigd. Bij e-mail van 17 februari 2022 heeft verweerster aan klager medegedeeld dat zij niet alle, maar enkel de relevante stukken, zou lezen.
2.7 Op 20 februari 2022 heeft klager rechtstreeks aan de vrouw een tegenvoorstel gedaan, inhoudende een uitkoopsom van € 140.000,00 onder de voorwaarde van gespreide betaling en verrekening van klagers vorderingen.
2.8 Bij e-mail van 8 maart 2022 aan klager heeft verweerster haar advies herhaald dat in haar visie een dienstverband (aangetoond middels een getekende arbeidsovereenkomst) noodzakelijk was om verder te komen in de (onderhandelingen over de) verdeling.
2.9 Bij e-mail van 14 maart 2022 heeft klager een met MC B.V. per 1 maart 2022 gesloten arbeidsovereenkomst aan verweerster gestuurd, met het verzoek de naam van de werkgever niet te noemen in de communicatie met de (advocaat van de) vrouw.
2.10 Bij e-mail van 25 maart 2022 heeft klager aan verweerster bericht dat zijn voorkeur uitging naar een vonnis boven een minnelijke regeling.
2.11 Bij e-mail van 29 maart 2022 heeft verweerster aan klager bericht dat, zolang er geen zicht was op een arbeidsovereenkomst, zij niet in onderhandeling kon treden met de wederpartij.
2.12 Verweerster heeft bij e-mail van 5 april 2022 aan de advocaat van de vrouw gevraagd om het voorstel van 27 januari 2022 gestand te doen tot 1 mei 2022.
2.13 Bij e-mail van 13 april 2022 heeft verweerster de advocaat van de vrouw bericht dat klager in dienst zou treden bij DJI, dat hij nog in afwachting was van zijn contract en heeft zij aan de advocaat van de vrouw voorgesteld om een concept convenant op te stellen op basis van het laatste voorstel van de vrouw.
2.14 Bij e-mail van 21 april 2022 heeft de advocaat van de vrouw afwijzend gereageerd en aangegeven dat de vrouw onvoldoende vertrouwen had in een onderlinge oplossing. De advocaat van de vrouw heeft daarbij aangegeven dat de vrouw het voorbarig vond om een convenant op te stellen nu er nog geen sprake was van een ondertekende arbeidsovereenkomst en onduidelijk was welk bedrag klager kon financieren.
2.15 Bij e-mail van 21 april 2022 heeft verweerster de e-mail van de advocaat van de vrouw doorgestuurd aan klager en aangedrongen op een afschrift van een ondertekende arbeidsovereenkomst, zodat die aan de op 4 mei 2022 in te dienen conclusie van antwoord kon worden gehecht.
2.16 Op 4 mei 2022 heeft verweerster namens klager een conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, ingediend bij de rechtbank. Verweerster heeft namens klager verweer gevoerd en in reconventie vaststelling van de verdeling gevorderd zoals omschreven in de conclusie van antwoord. Verweerster heeft als productie een afschrift van de inmiddels met DJI gesloten arbeidsovereenkomst in het geding gebracht.
2.17 Klager heeft zijn dienstverband bij DJI na drie weken opgezegd. Bij e-mail van 13 juni 2022 heeft verweerster aan klager laten weten dat zij het zeer onverstandig vond dat hij zijn dienstverband had opgezegd.
2.18 Op 20 juni 2022 heeft klager een arbeidsovereenkomst gesloten met MC B.V.
2.19 Bij vonnis van 20 juli 2022 heeft de rechtbank de verdeling vastgesteld. Het vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.20 Op 25 juli 2022 hebben klager en verweerster het vonnis besproken. Verweerster heeft aan klager medegedeeld dat zij vanwege de te geringe kans van slagen geen hoger beroep namens klager zou instellen. Bij e-mail van 26 juli 2022 heeft verweerster de inhoud van het gesprek van 25 juli 2022 aan klager bevestigd, waarbij zij heeft bevestigd dat zij geen hoger beroep zou instellen en heeft aangegeven dat, als klager wel hoger beroep wilde instellen, hij dan een andere advocaat in de arm moest nemen. In de daarop volgende correspondentie heeft verweerster herhaald dat zij klager verder niet zou bijstaan.
2.21 Bij e-mail van 22 juli 2022 heeft de advocaat van de vrouw aan de rechtbank verzocht om het vonnis van 20 juli 2022 aan te vullen met een uitvoerbaar bij voorraadverklaring.
2.22 Verweerster heeft bij brief van 28 juli 2022 aan de rechtbank verzocht om het verzoek tot aanvulling af te wijzen, omdat in het vonnis van 28 juli 2022 geen sprake was van een verzuim, nu de rechtbank had geoordeeld dat het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
2.23 Bij herstelvonnis van 3 augustus 2022 heeft de rechtbank bepaald dat na r.o. 5.10 van het vonnis van 20 juli 2022 dient te worden toegevoegd: “verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad”.
2.24 Op 12 maart 2025 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende:
1. Verweerster heeft zich niet ingelezen in het dossier;
2. Verweerster heeft een door de wederpartij gestelde deadline laten verstrijken;
3. Verweerster heeft zich onvoldoende ingespannen om overeenstemming met de wederpartij te bereiken;
4. Verweerster heeft klagers vader in de procedure niet aangemerkt als schuldeiser;
5. Verweerster heeft geen bezwaar aangetekend tegen het verzoek van de wederpartij om het vonnis alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;
6. Verweerster heeft haar werkzaamheden gestaakt en is haar belofte om beroep in te stellen niet nagekomen.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Ontvankelijkheid
De raad overweegt dat een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht op ziet. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.
5.2 Klager heeft zich op 12 maart 2025 met een klacht over verweerster tot de deken gewend. Dat klager niet in staat was om eerder te klagen dan hij heeft gedaan, is naar het oordeel van de raad niet gebleken. De psychische problemen waarmee klager vanaf januari 2023 naar eigen zeggen kampte, zijn naar het oordeel van de raad onvoldoende om aan te nemen dat klager niet in staat was te klagen. Dit betekent dat de klacht, voor zover deze ziet op het handelen of nalaten van verweerster van vóór 12 maart 2022, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk is.
5.3 Beoordeling
Toetsingskader
Voor zover de klacht ziet op handelen of nalaten van verweerster vanaf 12 maart 2022 kan klager wel in de klacht worden ontvangen. De klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.4 Klachtonderdeel 1 – niet goed ingelezen?
Klager verwijt verweerster dat hij haar een usb-stick met informatie heeft overhandigd en dat zij niet alle stukken heeft gelezen, maar een selectie heeft gemaakt van de relevante stukken. De raad stelt vast dat dit klachtonderdeel betrekking heeft op het optreden van verweerster bij de aanvang van de rechtsbijstandsverlening in februari 2022. Zoals hierboven onder 5.1 en 5.2 overwogen kan klager op grond van het bepaalde in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet worden ontvangen in de klacht voor zover deze ziet op het handelen of nalaten van verweerster van vóór 12 maart 2022. De raad zal klachtonderdeel dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
5.5 Klachtonderdelen 2 en 3 – deadline laten verstrijken en onvoldoende ingespannen om overeenstemming te bereiken?
De klachtonderdelen 2 en 3 hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Verweerster heeft het verweer gevoerd dat haar niet kan worden verweten dat het door de vrouw geformuleerde voorstel niet binnen de door haar gestelde termijn is geaccepteerd en dat er geen regeling is getroffen. Klager was namelijk niet akkoord met het door de vrouw geformuleerde voorstel en klager was niet in staat om een serieus tegenvoorstel te doen aangezien zijn financieringsmogelijkheden niet toereikend waren, de door hem genoemde verrekenposten onvoldoende waren onderbouwd en hij niet beschikte over een (vast) dienstverband. Voor verkrijging van een hypotheekofferte was verder een getekende vaststellingsovereenkomst nodig, maar de vrouw was niet bereid te tekenen omdat klager haar onvoldoende zekerheid bood over het uitkoopbedrag en het ontslag van de vrouw van de hoofdelijke aansprakelijkheid, aldus nog steeds verweerster.
5.6 De raad volgt verweerster in dit verweer. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de door klager bedoelde “deadline” geen fatale termijn betrof, maar een door de wederpartij bepaalde termijn. Naar het oordeel van de raad is genoegzaam gebleken dat acceptatie van het voorstel niet mogelijk was, omdat het rondkrijgen van de financiering voor klager niet haalbaar bleek. Dit kan verweerster niet tuchtrechtelijk worden verweten. De raad is voorts van oordeel dat verweerster klager ter zake kundig heeft geadviseerd. Verweerster heeft er op gewezen dat het, om met de vrouw tot overeenstemming te komen, van belang was dat klager de overname van de woning kon financieren. Daarvoor was naar haar inzicht een vast inkomen vereist. Dat is een begrijpelijk en niet onjuist standpunt. Ook heeft verweerster klager terecht voorgehouden dat hij eventuele tegenvorderingen deugdelijk moest onderbouwen, omdat deze anders zouden worden verworpen. Dat klager verweerster van voldoende informatie heeft voorzien om de onderhandelingen conform klagers wensen te kunnen voeren en de verrekeningsvorderingen te kunnen onderbouwen is de raad uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht niet gebleken. Dat verweerster zich onvoldoende heeft ingespannen om een regeling tot stand te brengen is de raad niet gebleken. De klachtonderdelen 2 en 3 zijn derhalve ongegrond.
5.7 Klachtonderdeel 4 – vader ten onrechte niet aangemerkt als schuldeiser?
Klager verwijt verweerster dat klagers vader in de procedure niet is aangemerkt als schuldeiser. Verweerster heeft ook dit klachtonderdeel gemotiveerd weersproken. Als niet dan wel onvoldoende weersproken staat vast dat de schuld als verrekenpost in de procedure is meegenomen. Klagers vader was geen partij in de procedure tussen klager en de vrouw en klagers vader kon in die procedure dan ook geen vordering instellen. Voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerster bestaat kortom naar het oordeel van de raad geen aanleiding. Ook klachtonderdeel 4 is ongegrond.
5.8 Klachtonderdeel 5 – geen bezwaar tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring?
Klager verwijt verweerster dat zij geen bezwaar heeft aangetekend toen de vrouw verzocht om het vonnis alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dit klachtonderdeel mist feitelijke grondslag. Naar aanleiding van het verzoek van de vrouw om het vonnis alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, heeft verweerster bij brief van 28 juli 2022 aan de rechtbank verzocht om dat verzoek af te wijzen, omdat in het vonnis van 28 juli 2022 geen sprake was van een verzuim, nu de rechtbank had geoordeeld dat het meer of anders gevorderde werd afgewezen. In dit stadium van de zaak was enkel een debat mogelijk over de vraag of er in het vonnis van de rechtbank sprake was van een kennelijk verzuim dat aanvulling van het vonnis rechtvaardigde en niet valt in te zien dat er, naast hetgeen verweerster heeft aangevoerd, andere valide argumenten aan te voeren waren tegen de toewijzing van het verzoek. Klachtonderdeel 5 is derhalve eveneens ongegrond.
5.9 Klachtonderdeel 6 – belofte om appel in te stellen niet nagekomen?
Klager verwijt verweerster dat zij haar werkzaamheden heeft gestaakt en haar belofte om beroep in te stellen niet is nagekomen. Dit klachtonderdeel mist feitelijke grondslag. Bij e-mail van 26 juli 2022 heeft verweerster de inhoud van het gesprek van 25 juli 2022 aan klager bevestigd, waarbij zij heeft bevestigd dat zij geen hoger beroep zou instellen en heeft aangegeven dat, als klager wel hoger beroep wilde instellen, hij dan een andere advocaat in de arm moest nemen. In de daarop volgende correspondentie heeft verweerster herhaald dat zij klager verder niet zou bijstaan. Voor klager moest dan ook duidelijk zijn dat verweerster geen appel zou instellen. Verweerster was ook niet gehouden tot het instellen van appel. Een advocaat is namelijk niet verplicht om een rechtsmiddel aan te wenden als hij geen redelijke kans van slagen aanwezig acht. Dat verweerster haar werkzaamheden op onzorgvuldige wijze heeft neergelegd, is niet gebleken, noch dat zij niet (voldoende) haar medewerking heeft verleend aan de overdracht van het dossier aan de opvolgend advocaat. Klachtonderdeel 6 is daarom ongegrond.
5.10 De raad komt tot de slotsom dat de bijstand zoals geschetst, niet getuigt van een kwaliteit van dienstverlening die onder de maat blijft van wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mag worden verwacht. De klacht, voor zover ontvankelijk, is op grond van het voorgaande ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel 1, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en
sub a Advocatenwet, niet-ontvankelijk;
- verklaart de klachtonderdelen 2, 3, 4, 5 en 6 ontvankelijk en ongegrond.
Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. M.J. Hoekstra, J.A.J.A. Luijten, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 13 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 juli 2026