ECLI:NL:TADRSHE:2026:81 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-406/DB/OB
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:81 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-06-2026 |
| Datum publicatie: | 01-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-406/DB/OB |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Klagers verwijten verweerder dat hij een ongefundeerde beschuldiging heeft geuit en stukken in het geding heeft gebracht, terwijl hij wist of behoorde te weten dat deze stukken onjuist waren. Naar het oordeel van de voorzitter is niet gebleken dat verweerder onnodig grievende of kennelijk onjuiste uitlatingen heeft gedaan, noch dat hij reden had om te twijfelen aan de juistheid van de overgelegde stukken. Niet gebleken dat verweerder de grenzen van de aan hem, in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden. Kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch
van 30 juni 2026
in de zaak 26-406/DB/OB
naar aanleiding van de klacht van:
klagers
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna: “de voorzitter”) heeft kennisgenomen
van het e-mailbericht van 11 mei 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) met kenmerk 48|25|096K en van de op
de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 12. Op grond van een behoorlijke
toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor bepaalt de voorzitter voorts dat
de volgende nagekomen stukken worden toegevoegd aan het dossier:
- De e-mail met bijlagen van verweerder van 25 mei 2026;
- De e-mail met bijlagen van klagers van 10 juni 2026;
- De e-mails van verweerder van 11 juni 2026;
- De e-mails van klagers van 11 juni 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager sub 1 is (indirect) bestuurder van klaagster sub 2. Tussen klaagster sub 2 en de C B.V. is sprake van een geschil in het kader waarvan een gerechtelijke procedure aanhangig is bij de rechtbank Limburg. Verweerder en zijn kantoorgenoot mr. M treden op als advocaat van C B.V., hierna: “C”.
1.2 Op 8 oktober 2024 heeft klaagster sub 2, bijgestaan door mr. B, advocaat, jegens C een gerechtelijke procedure aanhangig gemaakt. Op 8 januari 2025 hebben verweerder en mr. M namens C een conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, ingediend. In deze conclusie hebben verweerder en mr. M onder meer namens C gesteld dat C in september 2024 een tweetal C Homes aan derden heeft verkocht. Ter onderbouwing van die stelling zijn als productie 20 en 21 facturen aan de conclusie gehecht.
1.3 Op 21 mei 2025 hebben verweerder en mr. M namens C een conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, tevens houdende antwoordakte eiswijziging, ingediend. In dit processtuk hebben verweerder en mr. M onder meer het volgende namens C gesteld:
“Deze gang van zaken – dagvaarden op basis van selectief gekozen feiten en omstandigheden – behoort tot de modus operandi van [klaagster sub 2]. Het is [C] bekend dat [klaagster sub 2] in zeer veel verschillende juridische procedures verwikkeld is en zelfs een tiental bedrijven failliet heeft laten verklaren. [Klager sub 1], rechtsgeldig vertegenwoordiger van [klaagster sub 2], is allesbehalve een leek, alles behalve een slachtoffer en zeer wel op de hoogte van het reilen en zeilen in juridische aangelegenheden. Het feit dat het “plannetje” van [klaagster sub 2] in deze kwestie niet werkt was door [klaagster sub 2] echter niet voorzien.”
1.4 Bij brief van 3 juni 2025 hebben klagers verweerder en zijn kantoorgenoot mr. M gesommeerd tot rectificatie van de onder 1.3 weergegeven passage en het maken van excuses. Aan de sommatie is geen gevolg gegeven.
1.5 Bij brief van 25 juni 2025 hebben klagers verweerder en zijn kantoorgenoot mr. M gesommeerd om te erkennen dat zij valse facturen in het geding hadden gebracht en de rechtbank hiervan op de hoogte te stellen. Aan de sommatie is geen gevolg gegeven.
1.6 Op 5 juni 2025 hebben klagers bij de deken een klacht tegen verweerder en zijn kantoorgenoot mr. M ingediend. Op 22 september 2025 hebben klagers de klacht aangevuld. Over de klacht tegen mr. M geeft de voorzitter vandaag eveneens een beslissing.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende:
1. Verweerder heeft jegens klagers een ongefundeerde, onterechte en valse beschuldiging geuit in een bij de rechtbank Limburg ingediend processtuk en heeft geweigerd om te voldoen aan de sommatie van klagers om deze beschuldiging te rectificeren;
2. Verweerder heeft valse facturen in het geding gebracht en heeft geweigerd te voldoen aan de sommatie van klagers om dit te erkennen en de rechtbank hiervan op de hoogte te stellen;
3. Verweerder blijft onjuiste standpunten innemen en handelt daarmee in strijd met de kernwaarden integriteit en onafhankelijkheid;
4. Verweerder heeft geweigerd om verantwoording af te leggen en ontwijkt zijn verantwoordelijkheid als advocaat door in het verweer tegen de klacht deze te kwalificeren als civiel geschilpunt.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Toetsingskader
Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Beoordeling
Klagers verwijten verweerder dat hij ongefundeerde, onterechte en valse beschuldiging heeft geuit aan het adres van klaagster sub 2 en dat hij facturen in het geding heeft gebracht, terwijl hij wist of behoorde te weten dat deze vals waren. Verweerder heeft deze verwijten uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken. Verweerder heeft het verweer gevoerd dat hij de gewraakte uitlating heeft gedaan op basis van van C verkregen informatie en dat die informatie op basis van door klager sub 1 zelf aan C gedane mededelingen tot C was gekomen. Verweerder heeft voorts het verweer gevoerd dat de overgelegde facturen afkomstig waren uit de administratie van C, dat die facturen niet waren gemanipuleerd en dat hij op de juistheid van de facturen mocht vertrouwen.
4.3 De voorzitter overweegt als volgt. Het was de taak van verweerder om de belangen van zijn cliënte te behartigen. In dat verband stond het verweerder vrij om op basis van de van zijn cliënte verkregen informatie de standpunten van zijn cliënte naar voren te brengen. Ook stond het verweerder vrij om namens zijn cliënte de processtukken in te richten op een wijze die hem, met het oog op de door hem te behartigen belangen, juist voor kwam en om producties in het geding te brengen, die naar zijn oordeel konden dienen ter onderbouwing van de standpunten van zijn cliënte. Dat klagers zich niet in de door verweerder namens zijn cliënte naar voren gebrachte standpunten en overgelegde producties kunnen vinden, betekent nog niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
4.4 Indien en voor zover klagers het met de door verweerder namens C naar voren gebrachte standpunten en in het geding gebrachte stukken niet eens waren, kon daartegen in de civiele procedure verweer worden gevoerd. De voorzitter overweegt dat het tuchtrecht niet is bedoeld voor het voeren van een discussie over de juistheid van de standpunten van partijen in een civielrechtelijk geschil. Het is aan de civiele rechter, en niet aan de tuchtrechter, om daarover een oordeel te geven.
4.5 Het moge zo zijn dat de onder 1.3 weergegeven passage klagers onwelgevallig was, maar naar het oordeel is die passage niet onnodig grievend. Verweerder heeft genoegzaam gemotiveerd toegelicht waarom hij deze standpunten namens zijn cliënte naar voren heeft gebracht. Uit de gebezigde bewoordingen blijkt in voldoende mate dat verweerder niet zijn eigen standpunt, maar dat van zijn cliënte heeft verwoord. Dat verweerder aanleiding had om te twijfelen aan de door zijn cliënte verstrekte informatie, is de voorzitter op basis van de overgelegde stukken niet gebleken. Van de onder 1.3 weergegeven passage kan verweerder kortom geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. In het verlengde daarvan is de voorzitter dat verweerder evenmin tuchtrechtelijk kan worden verweten dat hij niet heeft voldaan aan de sommatie van klagers om over te gaan tot rectificatie.
4.6 Voor wat betreft de overgelegde facturen is de voorzitter eveneens van oordeel dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van het feit dat hij deze namens zijn cliënte in het geding heeft gebracht. Zoals hierboven overwogen stond het verweerder vrij om namens zijn cliënte de processtukken in te richten op een wijze die hem, met het oog op de door hem te behartigen belangen, juist voor kwam en om producties in het geding te brengen, die naar zijn oordeel konden dienen ter onderbouwing van de standpunten van zijn cliënte. Dat klagers zich niet in de door verweerder namens zijn cliënte naar voren gebrachte standpunten en overgelegde producties kunnen vinden, betekent nog niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder heeft gemotiveerd toegelicht dat de facturen afkomstig waren uit de administratie van zijn cliënte. Dat verweerder aanleiding had om te twijfelen aan de authenticiteit van de facturen is de voorzitter op basis van de overgelegde stukken niet gebleken. Van het in het geding brengen van de producties kan verweerder kortom geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. In het verlengde daarvan is de voorzitter dat verweerder evenmin tuchtrechtelijk kan worden verweten dat hij niet heeft voldaan aan de sommatie van klagers om te erkennen dat sprake was van valse facturen en dit kenbaar te maken aan de rechtbank.
4.7 Het verwijt dat verweerder onjuiste standpunten blijft innemen en daarmee in strijd met de kernwaarden integriteit en onafhankelijkheid handelt is in te algemene en vage bewoordingen gesteld. Zoals hierboven overwogen is het nu eenmaal de taak van verweerder om de standpunten van zijn cliënte naar voren te brengen. Deze zullen per definitie in veel gevallen afwijken van de standpunten van klagers, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
4.8 Klagers verwijten verweerder slot dat hij heeft geweigerd om verantwoording af te leggen en zijn verantwoordelijkheid als advocaat ontwijkt door in het verweer tegen de klacht deze te kwalificeren als civiel geschilpunt. De voorzitter overweegt dat verweerder vrij is in de wijze waarop hij zijn verweer tegen een tuchtklacht vormgeeft. Dat verweerder verweer heeft gevoerd tegen de tuchtklacht betekent niet dat hij geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen en het stond verweerder voorts vrij om in het kader van zijn verweer tegen de tuchtklacht naar voren te brengen dat de klacht van klagers betrekking heeft op geschilpunten die ook (reeds) in de civiele procedure aan de orde zijn (geweest). Van de wijze waarop verweerder op de sommatie- en klachtbrieven van klagers heeft gereageerd, kan hem kortom geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.
4.9 De voorzitter komt tot de slotsom dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat verweerder de grenzen van de aan hem, in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden. De voorzitter zal de klacht op grond van het voorgaande in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 30 juni 2026