ECLI:NL:TADRSHE:2026:78 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-402/DB/OB
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:78 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-06-2026 |
| Datum publicatie: | 23-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-402/DB/OB |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Het stond verweerster vrij op te treden tegen een (voormalige) cliënt van het kantoor. Aan de cumulatieve voorwaarden uit gedragsregel 15 lid 3 is voldaan. Klacht kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch
van 23 juni 2026
in de zaak 26-402/DB/OB
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) van 11 mei 2026 met kenmerk 48|25|051K, door de raad ontvangen op diezelfde datum, en van de op de inventaris genoemde bijlagen 01 tot en met 08. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de nagekomen stukken van klager van 27 mei 2026 en van verweerster van 27 mei 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 In maart 2019 heeft een kantoorgenote van verweerster een echtscheidingsprocedure voor klager gevoerd.
1.2 In april 2024 heeft klager de kantoorgenote opnieuw benaderd voor het behandelen van een gezamenlijk echtscheidingsverzoek. De kantoorgenote heeft de ex-partner op basis van een toevoeging bijgestaan. Zij heeft klager op betalende basis bijgestaan. Klager en zijn ex-partner hebben afgesproken dat zij ieder hun eigen eenmanszaken voortzetten zonder verrekening en dat klager € 18.000,- aan zijn ex-partner zal betalen onder meer vanwege verbeteringen aan de woning van de man en omdat klager een hoger inkomen had. Daarbij is opgenomen dat zij niet verlangen dat inzage wordt verleend in elkaars financiën over de huwelijkse jaren.
1.3 Verweerster is daarna een ex-medewerker van klagers eenmanszaak gaan bijstaan over de afwikkeling van het dienstverband. Op 17 september 2025 om 17:04 uur heeft zij klager daarover aangeschreven.
1.4 Diezelfde dag om 17:19 uur heeft klager zijn bezwaren geuit dat verweerster namens de ex-werknemer tegen hem optreedt, omdat het kantoor vanuit de echtscheidingsprocedure zou beschikken over vertrouwelijke informatie over klager, waaronder financiële gegevens. Ook heeft klager opgemerkt dat er nog een geschil over de factuur met het kantoor loopt.
1.5 Om 17:35 uur heeft verweerster gereageerd:
“Intern was al geanticipeerd op deze reactie van u. Vooraf hebben wij echter vastgesteld dat deze kwestie op geen enkele wijze annex is met de zaak waarvoor u eerder bij ons kantoor bent geweest en dat er vanuit die zaak geen informatie aanwezig is die in deze kwestie tegen u gebruikt zou kunnen worden. Het staat mij derhalve volledig vrij uw medewerkster in deze zaak, die volledig los staat van uw zaak hier op kantoor, bij te staan.
Indien u vasthoudt aan uw standpunt, verzoek ik u mij te laten weten over welke informatie uw bedrijf aangaande mijn kantoorgenoot beschikt, die in deze kwestie dan tegen u gebruikt zou kunnen worden. Ons kantoor is niet bekend met dergelijke gegevens.
Gelet op vorenstaande verzoek u daarom de toegezonden brief serieus in behandeling te nemen.”
1.6 Klager heeft daarop gereageerd dat zijn bezwaren niet zijn weggenomen en dat het er niet om gaat dat hij concreet moet aantonen welke vertrouwelijke gegevens in de zaak gebruikt kunnen worden. Klager heeft aangekondigd daarom een tuchtklacht te gaan indienen.
1.7 Op 19 september 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
1.8 Bij beslissing van 2 oktober 2025 heeft de voorzitter van het hof van discipline de klacht voor onderzoek en verder afhandeling verwezen naar de deken Oost-Brabant.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster in strijd te hebben gehandeld met gedragsregel 15 door (de schijn van) belangenverstrengeling te laten ontstaan.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
4.2 Gedragsregel 15 luidt, voor zover relevant:
1. Gelet op zijn gehoudenheid aan met name de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid is het de advocaat niet toegestaan, behoudens in de gevallen genoemd in het derde en vierde lid:
- (…)
- tegen een cliënt of een voormalige cliënt op te treden.
- (…)
- Van de verplichting uit het eerste lid kan de advocaat alleen afwijken indien is voldaan aan elk van de volgende drie voorwaarden:
- de aan de advocaat toe te vertrouwen belangen betreffen niet dezelfde zaak ten aanzien waarvan de voormalige of bestaande cliënt werd of wordt bijgestaan door de advocaat, houden daar ook geen verband mee en een toekomstig verband is evenmin aannemelijk;
- de advocaat beschikt niet over vertrouwelijke informatie afkomstig van zijn voormalige of bestaande cliënt, dan wel over zaaksgebonden informatie of informatie de voormalige of bestaande cliënt betreffende, die redelijkerwijs van belang kan zijn bij de behandeling van de zaak tegen deze voormalige of bestaande cliënt; en
- niet is gebleken van redelijke bezwaren aan de zijde van de voormalige of bestaande cliënt.
(…)
6. Waar in deze regel ‘advocaat’ staat wordt tevens bedoeld het samenwerkingsverband waarvan hij deel uitmaakt.
Beoordeling
4.3 Niet in geschil is dat verweerster heeft opgetreden tegen een voormalig cliënt van haar kantoor. Slechts beoordeeld dient te worden of verweerster terecht een beroep doet op de cumulatieve uitzonderingsgronden uit het derde lid. De voorzitter is van oordeel dat dit het geval is. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.4 De voorzitter stelt vast dat de echtscheidingsprocedure(s) en de arbeidskwestie niet gaan over dezelfde belangen en dat een verband daarmee ook geenszins aannemelijk is. Aan voorwaarde A is dan ook voldaan.
4.5 Vervolgens is het de vraag of verweerster vanuit de echtscheidingsprocedure(s) beschikte of kon beschikken over vertrouwelijke informatie die relevant was voor de arbeidskwestie. Verweerster heeft dit gemotiveerd bestreden. Het echtscheidingsdossier uit 2019 was reeds vernietigd en in het dossier uit 2024 bevonden zitten geheel geen financiële stukken of anderszins informatie over de eenmanszaak. De voorzitter ziet bevestiging hiervan in de afspraak tussen klager en zijn ex-partner dat zij geen inzicht in elkaars financiën wensen. Het ligt dan ook niet voor de hand dat er wel financiële stukken zijn gewisseld. Voor zover dat laatste onjuist zou zijn, heeft verweerster klager verzocht om aan te geven welke informatie er wel in het dossier zou zitten waardoor het verweerster niet vrij stond om de voormalige werknemer bij te staan. Daarop is klager niet ingegaan. In de tuchtklacht heeft hij slechts gesteld openhartig over zijn financiën te hebben gesproken met de kantoorgenote van verweerster in telefoongesprekken. Dit is door de kantoorgenote echter betwist. De voorzitter kan dan ook niet vaststellen dat verweerster over vertrouwelijke informatie zou beschikken waardoor het haar niet vrij stond om tegen klager op te treden. Verweerster heeft zich ook voldoende ingespannen om zich ervan te verzekeren dat dit het geval was. Aan voorwaarde B is dan ook voldaan.
4.6 Vervolgens moet worden bezien of sprake is van redelijke bezwaren vanuit klager, waardoor verweerster de voormalige werknemer niet kon bijstaan. De voorzitter komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Zoals hiervoor is overwogen, kan niet worden vastgesteld dat verweerster over vertrouwelijke informatie uit de echtscheidingsprocedure(s) beschikte. Dit kan dan ook niet leiden tot redelijke bezwaren. Klager betoogt verder dat hij een declaratiegeschil heeft met het kantoor. De voorzitter ziet daarin geen redelijk bezwaar waarom verweerster niet namens de voormalige werknemer tegen klager kan optreden. Tot slot stelt klager dat zijn ex-schoonvader omstreeks 2015 bij verweersters kantoor werkzaam was, waardoor klager een indruk van persoonlijke verbondenheid heeft tussen zijn ex-partner en het kantoor. Daargelaten dat verweerster heeft betwist de betreffende ex-schoonvader te kennen of dat hij bij het kantoor werkzaam zou zijn geweest, ziet de voorzitter ook niet in waarom klagers ex-schoonvader een rol zou spelen in een arbeidskwestie tussen klagers eenmanszaak en zijn voormalige werknemer. Aan voorwaarde C is dan ook voldaan.
4.7 Omdat voldaan is aan alle cumulatieve voorwaarden uit gedragsregel 15 lid 3, stond het verweerster vrij om op te treden namens de voormalig werknemer tegen klager. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake. De klacht is kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 juni 2026