ECLI:NL:TADRSHE:2026:76 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-085/DB/OB
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:76 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-06-2026 |
| Datum publicatie: | 22-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-085/DB/OB |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening. De klacht dat verweerster professioneel tekort is geschoten, incompetent is en nalatig is geweest, juridisch inzicht mist en hierdoor heeft gehandeld in strijd met de Advocateneed, de kernwaarden voor de advocatuur en de gedragsregels is deels vanwege tijdsverloop niet-ontvankelijk en deels ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 22 juni 2026
in de zaak 26-085/DB/OB
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Bij e-mailberichten van 21 en 27 februari 2025 en 11 maart 2025 en bij webformulier van 18 maart 2025 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: “de deken”).
1.2 Op 30 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 48|25|043K van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 11 mei 2026. Verschenen zijn klager en verweerster.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de e-mail met bijlagen van klager van 17 februari 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Op 6 februari 2013 is de echtscheiding tussen klager en zijn ex-echtgenote uitgesproken. Tussen klager en zijn ex-echtgenote is sprake (geweest) van een langdurig geschil over de (afwikkeling van de) echtscheiding in welk verband diverse gerechtelijke procedures hebben plaatsgevonden. Klager heeft diverse procedures gevoerd om te komen tot nihilstelling van de door hem (op grond van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 21 mei 2013) verschuldigde onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw. Klager is in die procedures bijgestaan door mr. L en (vervolgens) door mr. H.
2.3 Klager heeft zich in december 2017 tot verweerster gewend met het verzoek om hoger beroep in te stellen tegen een beschikking van de rechtbank Limburg van 1 december 2017, waarbij een door klager ingediend verzoek tot vernietiging (althans wijziging) van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 21 mei 2013 (voor wat betreft de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie) was afgewezen. Vanaf eind december 2017 is klager bijgestaan door verweerster. Verweerster was de derde opvolgende advocaat van klager.
2.4 Verweerster heeft namens klager hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Limburg van 1 december 2017. Op 1 maart 2018 heeft verweerster namens klager een verzoekschrift in hoger beroep ingediend. Bij brief van 24 augustus 2018 heeft verweerster namens klager nadere stukken in het geding gebracht.
2.5 Bij beschikking van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 18 april 2019 is onder meer de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw aangepast en heeft het hof verder de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
2.6 Klager (bijgestaan door mr. A) heeft tegen de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 april 2019 cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 26 juni 2020 de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 april 2019 (wegens de aanwezigheid van een kennelijke rekenfout bij de becijfering van de aanvullende behoefte) vernietigd en de zaak voor verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
2.7 Klager heeft na verwijzing door de Hoge Raad niet om voortzetting van de alimentatieprocedure verzocht. In plaats daarvan heeft verweerster namens klager een nieuwe alimentatieprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Op 13 juli 2021 heeft verweerster namens klager bij de rechtbank een “Verzoek strekkende tot het wijzigen/beëindigen van een bijdrage voor de kosten van levensonderhoud” ingediend. Op 21 juni 2022 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Bij beschikking van 11 juli 2022 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het verdere verloop van de procedure bepaald. In dat verband heeft de rechtbank onder meer bepaald dat op 10 november 2022 een mondelinge behandeling zou plaatsvinden, bij gelegenheid waarvan de rechtbank zou bezien of het mogelijk was om tussen partijen een allesomvattende regeling tot stand te brengen.
2.8 Op 14 september 2021 heeft de vrouw het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verzocht om de in 2.6 genoemde alimentatieprocedure voort te zetten. Dat heeft uiteindelijk geleid tot de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 mei 2022, waarbij de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw is gewijzigd. De beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 mei 2022 bevatte een kennelijke rekenfout, die bij beschikking van 21 juni 2022 is hersteld.
2.9 Op 10 november 2022 heeft in de op 13 juli 2021 bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant aanhangig gemaakte verzoekschriftprocedure de (inhoudelijke) mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens deze zitting is tussen partijen een regeling in der minne tot stand gekomen, die is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst die ter zitting is opgemaakt en ondertekend door partijen.
2.10 Enkele dagen na de zitting heeft klager verweerster laten weten dat hij in hoger beroep wilde gaan tegen de vastgelegde regeling. Verweerster heeft aan klager medegedeeld dat dit juridisch niet mogelijk was zodat zij daaraan geen medewerking zou verlenen. Klager heeft verweerster daarop verzocht om het dossier over te dragen aan een andere advocaat, hetgeen verweerster heeft gedaan.
2.11 Bij e-mailberichten van 21 en 27 februari 2025 en 11 maart 2025 en bij webformulier van 18 maart 2025 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:
Verweerster is professioneel tekort geschoten, is incompetent en nalatig geweest, mist juridisch inzicht en heeft hierdoor in strijd gehandeld met de Advocateneed, de kernwaarden voor de advocatuur en de gedragsregels.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Ontvankelijkheid
De raad overweegt dat een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht op ziet. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.
5.2 Klager heeft zich op 21 februari 2025 met een klacht over verweerster tot de deken gewend. Dat klager niet in staat was om eerder te klagen dan hij heeft gedaan, is naar het oordeel van de raad niet gebleken. Dit betekent dat de klacht, voor zover deze ziet op het handelen of nalaten van verweerster van voor 21 februari 2022, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk is.
5.3 Beoordeling
Toetsingskader
Voor zover de klacht ziet op handelen of nalaten van verweerster vanaf 21 februari 2022 kan klager wel in de klacht worden ontvangen. De klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.4 Beoordeling bijstand en optreden van verweerster
Klager verwijt verweerster dat zij professioneel is tekort geschoten, dat zij incompetent is en nalatig is geweest, dat zij juridisch inzicht mist en dat zij hierdoor in strijd heeft gehandeld met de Advocateneed, de kernwaarden voor de advocatuur en de gedragsregels. Verweerster heeft deze verwijten gemotiveerd weersproken. In de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht heeft de raad geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van klagers verwijten.
5.5 De raad stelt op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht vast dat verweerster de strategie en de aanpak van de zaak met klager heeft afgestemd en conform die afgesproken aanpak heeft gehandeld. Uit de grote hoeveelheid door klager overgelegde stukken blijkt van grote onvrede en frustratie aan de zijde van klager over het optreden van diverse betrokkenen bij de gerechtelijke procedures en de onderhavige tuchtrechtelijke procedure (advocaten, rechters, griffiers en de deken) en het verloop van die gerechtelijke procedures en de onderhavige tuchtrechtelijke procedure. Een groot deel van de verwijten van klager ziet niet op verweerster, maar op andere betrokkenen. Voor zover de uit de overgelegde stukken voortvloeiende verwijten wel betrekking hebben op verweerster zijn die verwijten bovendien naar het oordeel van de raad onvoldoende concreet.
5.6 Verweerster heeft genoegzaam gemotiveerd toegelicht dat klager ter zitting uitdrukkelijk heeft ingestemd met de minnelijke regeling zoals die is tot stand gekomen. Het moge zo zijn dat klager achteraf gezien toch niet tevreden is met de getroffen regeling, maar dat betekent niet dat verweerster klager niet op de juiste wijze heeft bijgestaan. Het stond verweerster vrij om te weigeren om gehoor te geven aan klagers wens om terug te komen op de getroffen minnelijke regeling, omdat daarvoor naar het oordeel van verweerster geen juridische basis bestond.
5.7 Naar het oordeel van de raad getuigt de bijstand zoals geschetst, niet van een kwaliteit van dienstverlening die onder de maat blijft van wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mag worden verwacht. Dat verweerster juridisch inzicht mist is de raad op basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht geenszins gebleken. Het stond klager op ieder moment gedurende en na afloop van de procedures vrij om zich tot een andere advocaat te wenden. Dat hij dit niet heeft gedaan kan verweerster niet tuchtrechtelijk worden verweten. De klacht, voor zover ontvankelijk, is op grond van het voorgaande ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht, voor zover deze ziet op het handelen of nalaten van verweerster van voor 21 februari 2022, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk;
- verklaart de klacht, voor zover deze ziet op het handelen of nalaten van verweerster vanaf 21 februari 2022, ontvankelijk en ongegrond.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. M.M.C. van de Ven en M. de Maaré, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 22 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 22 juni 2026