ECLI:NL:TADRSHE:2026:75 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-225/DB/LI
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:75 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-06-2026 |
| Datum publicatie: | 22-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-225/DB/LI |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening in alle onderdelen ongegrond omdat niet is gebleken dat verweerster tekort is geschoten. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 22 juni 2026
in de zaak 26-225/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 19 augustus 2025 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: “de deken”).
1.2 Op 19 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-079 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 11 mei 2026. Verschenen zijn klager en verweerster, bijgestaan door haar kantoorgenoot mr. D.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager is op 1 januari 2024 onder bewind gesteld. Klager wenste tot een beëindiging van het bewind te komen. Klager heeft zelfstandig bij de rechtbank een procedure tot beëindiging van het bewind aanhangig gemaakt.
2.3 Klager heeft zich vervolgens voor rechtsbijstand tot verweerster gewend. Op 25 oktober 2024 heeft tussen klager en verweerster een intakegesprek plaatsgevonden. Verweerster heeft de opdracht aan klager bevestigd bij brief van 5 december 2024. Klager en verweerster hebben afgesproken dat het door klager ingediende verzoek tot beëindiging van het bewind zou worden ingetrokken, zodat klager eerst met hulp van de bewindvoerder inzage kon krijgen in zijn financiële situatie, zijn financiële administratie op orde kon brengen en daarna zou kunnen toewerken naar een beëindiging van het bewind.
2.4 Verweerster heeft contact opgenomen met de bewindvoerder, die bij verweerster aangaf open te staan voor een gesprek met klager teneinde de samenwerking met klager weer op te pakken.
2.5 Op 19 december 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klager, bijgestaan door verweerster, en de bewindvoerder. Tijdens dit gesprek is gezamenlijk geconcludeerd dat verdere samenwerking toch niet haalbaar was en is besloten om een gezamenlijk verzoek tot beëindiging van het bewind in te dienen. Bij e-mail van 20 december 2024 heeft verweerster de inhoud van het gesprek aan klager bevestigd, waarna klager bij e-mail van dezelfde dag aan verweerster heeft bevestigd dat hij beëindiging van het bewind wenste. Klager heeft daarbij tevens aan verweerster medegedeeld dat hij de bewindvoerder aansprakelijk wilde stellen.
2.6 Op 15 januari 2026 is een gezamenlijk verzoek tot opheffing bewind ingediend bij de rechtbank Limburg.
2.7 De rechtbank Limburg heeft het bewind bij beschikking van 19 maart 2025 beëindigd per dezelfde datum.
2.8 Bij e-mail van 22 april 2025 heeft klager verweerster verzocht om de bewindvoerder aansprakelijk te stellen.
2.9 Bij e-mail van 22 april 2025 heeft verweerster aan de bewindvoerder verzocht om, conform hetgeen bij beschikking van 19 maart 2025 was bepaald, binnen twee maanden na het einde van het bewind rekening en verantwoording af te leggen.
2.10 Bij e-mail van 23 april 2025 heeft verweerster klager bericht dat zij de bewindvoerder had verzocht om rekening en verantwoording af te leggen en dat zij niet kon overgaan tot aansprakelijkstelling van de bewindvoerder, omdat zij die aansprakelijkstelling niet kon onderbouwen zonder de eindafrekening, die zij nog niet had ontvangen. Bij e-mail van 23 april 2025 heeft klager verweerster bedankt en heeft hij aangegeven dat hij begreep dat het noodzakelijk was om eerst de eindafrekening te ontvangen, alvorens een aansprakelijkstelling van de bewindvoerder kon plaatsvinden.
2.11 Bij e-mail van 24 april 2025 heeft de bewindvoerder de eindrekening en verantwoording aan klager en aan verweerster toegestuurd.
2.12 Bij e-mails van 24 april 2025 heeft klager aan verweerster bericht dat de door de bewindvoerder opgestelde eindrekening en verantwoording naar zijn mening meerdere tekortkomingen bevatte en dat hij door toedoen van de bewindvoerder schade had geleden tot een bedrag van € 143.561,00. Klager heeft een overzicht gegeven van de schulden en schade die volgens hem door toedoen van de bewindvoerder waren ontstaan. Klager heeft verweerster gevraagd:
“Graag hoor ik van u hoe u dit juridisch inschat, en wat de volgende stappen zijn richting bezwaar of dagvaarding. (…)”
2.13 Bij e-mail van 28 april 2025 heeft klager -onder meer- aan verweerster gevraagd of zij de bewindvoerder intussen aansprakelijk had gesteld.
2.14 Bij e-mail van 1 mei 2025 heeft klager verweerster bericht dat hij die dag zelf bij de rechtbank was geweest en daar alle relevante stukken in de zaak tegen de bewindvoerder had ingediend. Daarbij heeft klager benadrukt dat hij de inzet van verweerster waardeerde en dat hij hoopte dat zij het hem niet kwalijk nam dat hij deze stap zelfstandig had gezet.
2.15 Op 21 mei 2025 hebben klager en verweerster een gesprek gevoerd. Verweerster heeft de inhoud van dit gesprek bij e-mail van 21 mei 2025 aan klager bevestigd. In deze e-mail heeft verweerster aan klager bevestigd dat zij van de bewindvoerder slechts een deel van de eindafrekening had ontvangen en dat zij ook nog stukken van klager nodig had om te kunnen beoordelen of en in hoeverre de bewindvoerder aansprakelijk gesteld zou kunnen worden.
2.16 Bij e-mail van 22 mei 2025 heeft klager stukken aan verweerster toegestuurd. In de e-mail heeft klager melding gemaakt van een schadebedrag van € 214.911,49.
2.17 Bij e-mail van 5 juni 2025 heeft klager aan verweerster bericht dat hij binnen een paar dagen duidelijkheid wilde krijgen over de voortgang, bij gebreke waarvan hij een klacht zou indienen bij de deken.
2.18 Bij e-mail van 19 juni 2025 heeft verweerster aan klager voorgesteld om de kwestie rondom de aansprakelijkstelling van de bewindvoerder vooralsnog niet voort te zetten. Dit onder meer vanwege het feit dat de aanvraag “Licht Advies Toevoeging” was afgewezen, klager over beperkte financiële middelen beschikte en dat er tussen klager en verweersters kantoor nog een betalingsregeling liep ter zake de door mr. S, een kantoorgenoot van verweerster, aan klager in een huurkwestie verleende rechtsbijstand.
2.19 Bij e-mail van 25 juli 2025 heeft mr. S klager bericht dat hij de betalingsregeling niet na kwam en heeft hij hem verzocht om de betalingsregeling alsnog na te komen. Bij e-mail van 29 juli 2025 heeft mr. J, kantoordirecteur van verweersters kantoor, klager verzocht om de met mr. S getroffen betalingsregeling na te komen, bij gebreke waarvan rechtsmaatregelen zouden worden getroffen.
2.20 Bij e-mail van 30 juli 2025 heeft klager verweerster verzocht om de zaak alsnog zo spoedig mogelijk voor te leggen aan de rechter.
2.21 Op 19 augustus 2025 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
2.22 In het kader van de interne klachtenregeling heeft op 3 september 2025 een gesprek plaatsgevonden tussen mr. D, de klachtenfunctionaris van verweersters kantoor, en klager. Klager en mr. D hebben besproken dat er geen sprake (meer) was van voldoende wederzijds vertrouwen. Bij e-mail van 4 september 2025 heeft klager mr. D bedankt voor het prettige gesprek en bevestigd dat hij ermee instemt dat de deken zou worden gevraagd om een andere advocaat aan te wijzen.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:
Verweerster heeft klager niet naar behoren bijgestaan doordat:
1. zij heeft toegezegd aan klager om stukken op te vragen bij de bewindvoerder, maar dit heeft nagelaten. Vervolgens is er tijdens een gesprek met verweerster en de bewindvoerder druk uitgeoefend op klager om akkoord te gaan met de beëindiging van het bewind. Hierdoor zijn schulden ontstaan voor klager;
2. zij verschillende documenten van klager heeft ontvangen, maar er niks in de zaak is gebeurd;
3. zij geen heldere antwoorden op klagers vragen heeft gegeven;
4. zij klager heeft voorzien van een verkeerd/slecht advies;
5. de zaak vertraging heeft opgelopen;
6. er druk omtrent de betaling is uitgeoefend;
7. er sprake is geweest van een structureel gebrek aan opvolging en serieuze belangenbehartiging, ten gevolge waarvan klager ernstige psychische klachten heeft gekregen en aanzienlijke schade heeft geleden, namelijk tot een bedrag van € 214.911,49.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1Toetsingskader
De klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.2 Beoordeling bijstand en optreden van verweerster
De klachtonderdelen 1 tot en met 5 en 7 hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Klager verwijt verweerster samengevat dat zij klager niet op de juiste wijze heeft bijgestaan. Verweerster heeft dit verwijt gemotiveerd weersproken. Verweerster heeft naar voren gebracht dat zij van klager enkel de opdracht heeft aanvaard om de beëindiging van het bewind te bewerkstelligen en dat aan die opdracht ook uitvoering is gegeven. Een opdracht om de bewindvoerder aansprakelijk te stellen heeft verweerster nimmer aanvaard. Verweerster heeft klager steeds voorgehouden dat zij, zolang zij niet over alle relevante stukken en een volledige rekening en verantwoording beschikte, niet kon beoordelen of en in hoeverre de bewindvoerder aansprakelijk kon worden gehouden voor de door klager gestelde schade, aldus nog steeds verweerster.
5.3 De raad volgt verweerster in dit verweer. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat klager zich tot verweerster heeft gewend omdat hij beëindiging van het bewind wenste. Conform klagers wens is het bewind ook beëindigd. Dat verweerster klager tijdens het gesprek met de bewindvoerder onder druk heeft gezet om akkoord te gaan met de beëindiging van het bewind is de raad geenszins gebleken. Uit de overgelegde stukken blijkt juist dat klager steeds heeft aangegeven dat hij de beëindiging van het bewind wilde bewerkstelligen. Klager heeft lopende de behandeling van de zaak weliswaar bij verweerster aangegeven dat hij vond dat de bewindvoerder jegens hem schadeplichtig was, maar een onvoorwaardelijke opdracht tot het aansprakelijk stellen van de bewindvoerder heeft verweerster blijkens de overgelegde stukken niet aanvaard. Verweerster heeft steeds aan klager duidelijk gemaakt dat zij eerst moest beoordelen of en in hoeverre de bewindvoerder jegens klager schadeplichtig was en dat zij, om dit te kunnen beoordelen, nog stukken van zowel de bewindvoerder als van klager diende te ontvangen. Klager heeft zijn – vermeende – vordering op de bewindvoerder vervolgens wel nader onderbouwd, maar naar verweersters oordeel was die onderbouwing nog niet afdoende. Verweerster heeft ook stukken bij de bewindvoerder opgevraagd. Het verwijt dat verweerster haar toezegging om stukken op te vragen niet is nagekomen mist dus feitelijke grondslag. Tot een beoordeling van de kans van slagen van een aansprakelijkstelling is het uiteindelijk vanwege de ontstane vertrouwensbreuk en de door klager ingediende klacht niet gekomen. Dit kan verweerster niet tuchtrechtelijk worden verweten.
5.4 De raad is van oordeel dat uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht niet is gebleken van een gebrekkige beantwoording van klagers vragen, noch van een slechte advisering of een structureel gebrek aan opvolging en serieuze belangenbehartiging. Voor de juistheid van de verwijten dat klagers zaak door toedoen van verweerster vertraging heeft opgelopen en dat hij door haar toedoen schade heeft geleden heeft de raad in de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht geen enkel aanknopingspunt gevonden. Naar het oordeel van de raad getuigt de bijstand zoals geschetst, niet van een kwaliteit van dienstverlening die onder de maat blijft van wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mag worden verwacht. De klachtonderdelen 1 tot en met 5 en 7 zijn derhalve ongegrond.
5.5 Klager verwijt verweerster voorts dat er “druk omtrent betaling is uitgeoefend” (klachtonderdeel 6). De raad overweegt dat een advocaat enkel tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn eigen optreden. Uit de overgelegde stukken blijkt dat niet verweerster, maar haar kantoorgenoten klager hebben aangesproken op nakoming van de betalingsregeling. Dit klachtonderdeel mist derhalve feitelijke grondslag en is daarom eveneens ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. M.M.C. van de Ven en M. de Maaré, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 22 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 22 juni 2026