ECLI:NL:TADRSHE:2026:74 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-228/DB/LI
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:74 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-06-2026 |
| Datum publicatie: | 22-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-228/DB/LI |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over advocaat die in opdracht van een cliënt geen feitenonderzoek heeft verricht. De klacht dat verweerster geen duidelijkheid heeft geschept over in welke hoedanigheid zij heeft opgetreden in het onderzoek is gegrond. Naar het oordeel van de raad heeft verweerster niet voldaan aan de hoge mate van duidelijkheid die de tuchtrechter op grond van genoemde vaste tuchtrechtspraak verlangt. In het boven ieder gespreksverslag opgenomen tekstblok is vermeld dat verweerster “het onderzoek uitvoert in de hoedanigheid van advocaat van [P B.V.] in het kader van een advies dat dient ter bepaling van diens juridische positie” . Daar staat echter tegenover dat (1) verweerster in datzelfde tekstblok wordt aangeduid als “onderzoeker”, dat (2) in het tekstblok wordt benadrukt dat verweerster “in de eventuele advies- en/of besluitvormingsfase niet tevens [zal] optreden als gemachtigde van de opdrachtgever” en dat (3) in de uitnodiging die verweerster voorafgaand aan het gesprek aan klager heeft gestuurd is vermeld dat het onderzoek wordt uitgevoerd conform het “Protocol feitenonderzoek”, waarmee de suggestie is gewekt dat men beoogde het onderzoek op onafhankelijke en objectieve wijze vorm te geven. De klachten dat verweerster het beginsel van hoor en wederhoor niet deugdelijk heeft toegepast en haar eigen onderzoeksprotocol niet heeft nageleefd zijn gegrond omdat klager pas na de totstandkoming van het onderzoeksrapport zijn visie heeft kunnen geven. Dit alles levert een schending van de kernwaarde integriteit op. De klachten dat het door verweerster verrichte onderzoek niet onafhankelijk, niet verkennend en geen feitenonderzoek bleek te zijn en dat zij ten onrechte verklaringen aan klager heeft toegeschreven die hij niet heeft afgelegd, zijn ongegrond. Berisping. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 22 juni 2026
in de zaak 26-228/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 12 september 2025 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: “de deken”).
1.2 Op 19 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-090 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 11 mei 2026. Verschenen zijn klager en verweerster, bijgestaan door haar kantoorgenoot mr. C.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de volgende nagekomen stukken:
- de e-mail met bijlagen van klager van 1 april 2026;
- de e-mail met bijlagen van verweerster van 28 april 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 P B.V. exploiteert locatie G. De gemeente V is enig aandeelhouder van P B.V. Bij locatie G zijn circa dertien werknemers werkzaam, waaronder klager.
2.3 Naar aanleiding van in 2024 ontvangen signalen over grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer van locatie G heeft P B.V. in februari 2025 aan verweersters kantoor, hierna: “C Advocaten”, de opdracht verstrekt om een feitenonderzoek te verrichten. Verweerster heeft de opdracht aanvaard tot het afnemen van interviews, de verslaglegging van de interviews en het opstellen van de rapportage van bevindingen.
2.4 Bij e-mail van 13 februari 2025 heeft mevrouw M, interim-directeur van P B.V., aan de werknemers van P B.V. het volgende bericht:
“(…) Zoals aangegeven gaat er vanaf volgende week een onafhankelijk onderzoek starten naar de bedrijfscultuur binnen [G] Vanaf morgen kunnen jullie door [C Advocaten] telefonisch of per e-mail benaderd worden om een afspraak in te plannen (…).”
2.5 Bij e-mail van 14 februari 2025 heeft mevrouw L, werkzaam als secretaresse bij verweersters kantoor, aan klager het volgende bericht:
“(…) Namens [verweerster] stuur ik hierbij de uitnodiging voor het feitenonderzoek. (…)”
In de bij die e-mail gevoegde bijlage heeft verweerster klager als volgt bericht:
“(…) [P B.V.] heeft mij verzocht om namens haar een feitenonderzoek uit te voeren. Dat feitenonderzoek richt zich op (mogelijk) grensoverschrijdend gedrag binnen de organisatie van de [G] Het gaat hierbij onder meer maar niet uitsluitend om vormen van pesten, (seksuele) intimidatie en discriminatie.
Aan mij is verzocht om hiernaar onderzoek te doen en daarover een rapportage op te stellen. In dat verband nodig ik u hierbij uit voor een gesprek op (….)
Deelname aan het gesprek is vrijwillig. Van het gesprek zal een geluidsopname worden gemaakt, zodat aan de hand daarvan een verslag kan worden opgesteld. Dit verslag zal u in concept worden toegezonden ter eventuele correctie van onjuistheden en ondertekening. Het gespreksverslag is vertrouwelijk, maar niet geheim.
Het onderzoek wordt uitgevoerd conform het Protocol feitenonderzoek van [C Advocaten], dat u kunt raadplegen via onze website; (…).”
2.6 In het van toepassing verklaarde Protocol feitenonderzoek, hierna: “het Protocol”, is vastgelegd dat hoor en wederhoor een leidend beginsel is. In het slot van het Protocol is vastgelegd dat in bijzondere gevallen van het Protocol kan worden afgeweken en dat de reden van die afwijking in de onderzoeksrapportage wordt verantwoord.
2.7 In de periode van 18 februari 2025 tot en met 6 maart 2025 heeft verweerster, in het kader van het onderzoek, gesprekken gevoerd met dertien personen, waaronder klager.
2.8 Elk gesprek is schriftelijk vastgelegd in een verslag. Boven elk verslag staat in vet gedrukte letters het volgende tekstblok:
“In opdracht van [P B.V.] verricht [verweerster], werkzaam als advocaat bij [C Advocaten], een (verkennend) feitenonderzoek. Het feitenonderzoek richt zich op (mogelijk) grensoverschrijdend gedrag binnen de organisatie van de [G]. Het gaat hierbij onder meer maar niet uitsluitend om vormen van pesten, (seksuele) intimidatie en discriminatie.
Voorafgaand aan het gesprek wordt medegedeeld dat [verweerster] het onderzoek uitvoert in de hoedanigheid van advocaat van [P B.V.], in het kader van een advies dat dient ter bepaling van diens juridische positie. De informatie die in het vraaggesprek wordt uitgewisseld is vertrouwelijk maar niet geheim. De rapportage die mede op basis van informatie uit het vraaggesprek wordt opgesteld wordt gedeeld met de opdrachtgever. De onderzoeker zal in de eventuele advies- en/of besluitvormingsfase niet tevens optreden als gemachtigde van de opdrachtgever.
De onderzoeker hebben [bedoeld zal zijn: “heeft”, griffier] voorts de gang van zaken ten aanzien van het interview en de verslaglegging toegelicht. Van het gesprek wordt een verslag gemaakt, na toestemming van de geïnterviewde mede op basis van een opname. Dit verslag is geen letterlijke weergave van hetgeen gezegd is. De geïnterviewde krijgt het conceptverslag te zien, waarna hij of zij wijzigingen en/of aanvullingen kan aanbrengen, mits dit de strekking van de vraag en het antwoord niet wijzigt. Na ondertekening van het verslag voor akkoord zal de opname worden gewist. Het verslag maakt onderdeel uit van de rapportage en kan in wederhoor ter inzage worden gegeven een degene(n) op wie het onderzoek is gericht.”
2.9 Bij e-mail van 25 februari 2025 heeft verweerster het conceptverslag van het met klager gevoerde gesprek aan klager gestuurd. Bij e-mail van 4 maart 2025 heeft klager het door hem gecorrigeerde verslag aan verweerster gestuurd.
2.10 Op 11 april 2025 heeft verweerster de “Rapportage van bevindingen” vastgesteld. In deze rapportage zijn uitlatingen van de ondervraagden geciteerd, waarna verweerster ter zake iedere werknemer op basis van de bevindingen een conclusie heeft geformuleerd. Verweerster heeft in de rapportage haar conclusie over klager als volgt geformuleerd:
“Conclusie:
T.a.v. [klager] wordt opgemerkt door meerdere geïnterviewden dat ze hem als sluw ervaren en dat hij op een subtiele manier probeert invloed uit te oefenen. Ook bestempelen sommigen hem als uitdager/stoker.”
2.11 Aan het slot van de rapportage heeft verweerster aan het onderzoek de volgende “eindconclusie” geformuleerd:
“Eindconclusie
Uit het onderzoek komt naar voren dat de problematiek binnen de [G] enerzijds wordt veroorzaakt door werknemers die – verwijtbaar en niet-verwijtbaar – tekort schieten in hun functioneren en anderzijds doordat het de afgelopen vier jaren heeft ontbroken aan leiding op de werkvloer. Hierdoor ontbraken regels en structuren, werden werknemers die onvoldoende functioneerden of onaangepast gedrag vertoonden daarop niet aangesproken en is in een ernstige mate verdeeldheid binnen de groep ontstaan.”
2.12 In verband met de door P B.V. gewenste beëindiging van de arbeidsrelatie met klager heeft zij op 27 mei 2025 een vaststellingsovereenkomst aan klager overhandigd onder vrijstelling van werkzaamheden. Klager is niet met de voorgestelde beëindiging akkoord gegaan.
2.13 Op 12 september 2025 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:
1. Verweerster heeft geen duidelijkheid geschept over in welke hoedanigheid zij heeft opgetreden in het onderzoek;
2. Het onderzoek bleek geen onafhankelijk onderzoek te zijn;
3. Het onderzoek bleek niet verkennend te zijn;
4. Het onderzoek bleek geen feitenonderzoek te zijn. Hierbij komt dat de vereiste context ondeugdelijk in kaart is gebracht en dat belangrijke personen bewust niet zijn gehoord. Het wekt sterk de indruk van vooringenomenheid zijdens verweerster;
5. Het beginsel van hoor en wederhoor is niet deugdelijk toegepast;
6. Verweerster heeft in strijd gehandeld met de kernwaarde ‘integriteit’;
7. Verweerster heeft haar eigen onderzoeksprotocol niet nageleefd;
8. Verweerster heeft ten onrechte verklaringen aan klager toegeschreven die hij niet heeft afgelegd.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan
5 BEOORDELING
5.1 Toetsingskader
De klacht heeft betrekking op het door verweerster verrichte feitenonderzoek. Volgens vaste tuchtrechtspraak heeft als uitgangspunt te gelden dat een advocaat feitenonderzoek kan verrichten. Als een advocaat onderzoek doet en zijn bevindingen in een verslag vastlegt, dient hij er rekening mee te houden dat het verslag ook aan anderen dan zijn opdrachtgever ter beschikking zal kunnen komen. Voor de norm waarnaar de advocaat als onderzoeker zich jegens anderen dan de cliënt dient te gedragen, is niet bepalend of het onderzoeksverslag voor extern of intern gebruik is bestemd, maar of de advocaat zich jegens die anderen als onafhankelijk onderzoeker presenteert. Aan een dergelijke presentatie als onafhankelijk onderzoeker zal in het maatschappelijk verkeer en door derden immers het vertrouwen worden ontleend dat er objectief en onpartijdig onderzoek wordt/is verricht en niet een partijdig onderzoek waarbij de onderzoeker zich laat leiden of heeft laten leiden door de belangen van zijn cliënt.
5.2 Van een advocaat mag worden verwacht dat hij duidelijk is over de hoedanigheid waarin hij optreedt en daarover geen enkel misverstand laat bestaan. Die duidelijkheid heeft de advocaat jegens de cliënt en jegens derden te betrachten en dient ook - en juist - te worden gegeven als de advocaat feitenonderzoek verricht. Deze duidelijkheid houdt in dat er óf sprake is van feitenonderzoek dat uitgevoerd wordt ten einde de eigen cliënt te kunnen adviseren over diens rechtspositie, óf sprake is van een onafhankelijk onderzoek dat als zodanig naar derden wordt gepresenteerd. In het laatste geval is er geen sprake meer van handelen als partijdig advocaat (als raadsman), maar van handelen in een andere hoedanigheid, te weten de hoedanigheid van advocaat-onderzoeker, en zijn andere normen van toepassing (Hof van Discipline 2 juni 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:59 en Hof van Discipline 16 december 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:294).
5.3 Klachtonderdeel 1 – onduidelijkheid over hoedanigheid?
Klager verwijt verweerster dat zij geen duidelijkheid heeft geschept over in welke hoedanigheid zij is opgetreden in het onderzoek. Uit de hierboven geschetste tuchtrechtelijke norm volgt dat óf sprake is van feitenonderzoek dat uitgevoerd wordt teneinde de eigen cliënt te kunnen adviseren over diens rechtspositie, óf sprake is van een onafhankelijk onderzoek dat als zodanig naar derden wordt gepresenteerd. De raad stelt vast dat verweerster in de onderhavige zaak niet is opgetreden als onafhankelijke advocaat-onderzoeker. Dat de interim-directeur van P B.V. in haar berichtgeving aan klager het woord “onafhankelijk” heeft gebezigd maakt dit niet anders. Het door P B.V. ten onrechte bezigen van de term “onafhankelijk” is weliswaar ongelukkig en het was beter geweest als verweerster erop had toegezien dat P B.V. de betrokkenen correct informeerde, maar dat maakt het onderzoek nog geen “onafhankelijk” onderzoek. De raad licht dit als volgt toe. Vast staat dat verweersters kantoor is benaderd voor het verrichten van een feitenonderzoek naar problemen op de werkvloer van haar cliënte P B.V., zodat P B.V. vervolgens over haar juridische positie kon worden geadviseerd. In lijn daarmee is in het boven ieder gespreksverslag opgenomen tekstblok ook vermeld dat verweerster “het onderzoek uitvoert in de hoedanigheid van advocaat van [P B.V.]in het kader van een advies dat dient ter bepaling van diens juridische positie”. Als de advocaat, in dit geval verweerster, in het kader van advies aan zijn cliënt onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden doet, dan is sprake van partijdig optreden. Deze rol moet duidelijk worden onderscheiden van een rol als advocaat-onderzoeker. In het eerste geval zal een advies veelal een duiding van de onderzochte feiten bevatten op grond waarvan de cliënt zijn rechtspositie kan bepalen. Er is in die situatie geen sprake van een onafhankelijk onderzoek. De advocaat mag daar op geen enkele wijze misverstand over laten bestaan (gedragsregel 9) en mag zich in deze situatie ook niet als onderzoeker presenteren (Hof van Discipline 2 juni 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:59 en Hof van Discipline 16 december 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:294).
5.4 Naar het oordeel van de raad heeft verweerster niet voldaan aan de hoge mate van duidelijkheid die de tuchtrechter op grond van genoemde vaste tuchtrechtspraak verlangt. Zoals gezegd is in het boven ieder gespreksverslag opgenomen tekstblok vermeld dat verweerster “het onderzoek uitvoert in de hoedanigheid van advocaat van [P B.V.]in het kader van een advies dat dient ter bepaling van diens juridische positie” . Daar staat echter tegenover dat (1) verweerster in datzelfde tekstblok wordt aangeduid als “onderzoeker”, dat (2) in het tekstblok wordt benadrukt dat verweerster “in de eventuele advies- en/of besluitvormingsfase niet tevens [zal] optreden als gemachtigde van de opdrachtgever” en dat (3) in deuitnodiging die verweerster voorafgaand aan het gesprek aan klager heeft gestuurd is vermeld dat het onderzoek wordt uitgevoerd conform het “Protocol feitenonderzoek”, waarmee de suggestie is gewekt dat beoogd werd het onderzoek op onafhankelijke en objectieve wijze vorm te geven.
5.5 Naar het oordeel van de raad heeft verweerster kortom misverstand laten bestaan over haar rol, hetgeen haar tuchtrechtelijk kan worden verweten. Klachtonderdeel 1 is derhalve gegrond.
5.6 Klachtonderdelen 2, 3 en 4 – onafhankelijk verkennend feitenonderzoek?
Klager verwijt verweerster dat het door haar verrichte onderzoek niet onafhankelijk, niet verkennend en geen feitenonderzoek bleek te zijn. Verweerster heeft deze klachtonderdelen gemotiveerd weersproken. De raad overweegt als volgt. De raad heeft reeds vastgesteld dat verweerster niet is opgetreden als onafhankelijk onderzoeker. Dat het onderzoek niet onafhankelijk is geweest kan verweerster dan ook niet tuchtrechtelijk worden verweten. Dat in het boven ieder gespreksverslag vermelde tekstblok wordt gesproken van een “(verkennend) feitenonderzoek” is naar het oordeel van de raad evenmin aanleiding om verweerster een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Op basis van de aan klager verstrekte informatie moest het hem duidelijk zijn dat een feitenonderzoek zou worden verricht naar (mogelijk) grensoverschrijdend gedrag binnen de organisatie van de [G] en dat feitenonderzoek heeft ook plaatsgevonden. De raad heeft in de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van het verwijt, dat verweerster bij het verrichten van het onderzoek vooringenomen is geweest omdat zij de context niet goed in kaart zou hebben gebracht en bewust belangrijke personen niet zou hebben gehoord. De onderzoeksrapportage houdt immers feitelijk niet meer in dan een bundeling van de door de bij de organisatie werkzame personen afgelegde verklaringen. Op grond van het voorgaande zal de raad de klachtonderdelen 2, 3 en 4 ongegrond verklaren.
5.7Klachtonderdelen 5 en 7 – hoor en wederhoor en Protocol niet toegepast?
Klager verwijt verweerster dat zij het beginsel van hoor en wederhoor niet deugdelijk heeft toegepast en dat zij haar eigen onderzoeksprotocol niet heeft nageleefd. Verweerster heeft enerzijds erkend dat zij er beter aan had gedaan om klager gelegenheid tot wederhoor te (laten) bieden en heeft anderzijds gesteld dat zij het beginsel van hoor en wederhoor niet kon toepassen omdat geen sprake was van een persoonsgericht onderzoek als bedoeld in het Protocol Feitenonderzoek (pagina 5 van het verweer bij de deken d.d. 29 oktober 2025). Verweerster heeft verder gesteld dat zij er vanuit was gegaan dat haar cliënte klager de gelegenheid tot wederhoor zou bieden en dat haar kantoorgenoot mr. L het rapport op 15 september 2025 in elk geval aan klager heeft toegestuurd. Dit laatste heeft klager weersproken, maar wat daar ook van zij, de raad is van oordeel dat het door verweerster gevoerde verweer moet worden gepasseerd.
5.8 Dat geen sprake zou zijn van een persoonsgericht onderzoek maakt niet dat verweerster niet tot naleving van het Protocol verplicht was. Vast staat immers dat verweerster het Protocol in haar eigen berichtgeving aan klager expliciet van toepassing heeft verklaard. Indien en voor zover verweerster van oordeel was dat afwijking van het Protocol was gerechtvaardigd, had zij dit conform de slotbepaling van het Protocol in de onderzoeksrapportage moeten verantwoorden, hetgeen zij echter niet heeft gedaan. Verweerster was kortom verplicht tot naleving van het Protocol en mocht zich voor wat betreft de naleving daarvan, anders dan haar verweer lijkt te veronderstellen, niet verlaten op haar cliënte.
5.9 De strekking van het in het Protocol vastgelegde beginsel van hoor en wederhoor houdt in dat degene op wie het onderzoek betrekking heeft zich gedurende het onderzoek en derhalve voordat het rapport en advies aan de opdrachtgever wordt verstrekt, kan uitlaten over het verslag van de gehoorde personen. Klager is echter pas nadat het onderzoek was afgerond en het rapport aan P B.V. was uitgebracht, geconfronteerd met de resultaten van het onderzoek en de daarin weergegeven negatieve kwalificaties van zijn persoon. Aldus is niet gehandeld conform de in het Protocol vastgelegde uitgangspunten, waarin de belangen van klager zijn gewaarborgd. Hiervan valt verweerster tuchtrechtelijk een verwijt te maken. Ook de klachtonderdelen 5 en 7 zijn derhalve grond.
5.10 Klachtonderdeel 6 – schending kernwaarde integriteit?
De raad verklaart de klachtonderdelen 1, 5 en 7 gegrond. Het in deze klachtonderdelen aan de orde gestelde tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen raakt aan de kernwaarde integriteit, die aldus door verweerster is geschonden. Dat betekent dat ook klachtonderdeel 6 gegrond is.
5.11 Klachtonderdeel 8 – ten onrechte verklaringen aan klager toegeschreven?
Klager verwijt verweerster dat zij ten onrechte verklaringen aan klager heeft toegeschreven die hij niet heeft afgelegd. Verweerster heeft gemotiveerd toegelicht dat het hier gaat om een kennelijke verschrijving, waarbij abusievelijk twee letters van initialen van ondervraagden zijn verwisseld. De raad volgt verweerster in dit verweer. Klager is door de kennelijke verschrijving niet in zijn belangen geschaad en voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt bestaat geen aanleiding. Klachtonderdeel 8 is ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat zij misverstand heeft laten bestaan over haar rol en geen toepassing heeft gegeven aan het beginsel van hoor en wederhoor en het door haarzelf expliciet van toepassing verklaarde Protocol. Dit handelen en nalaten levert een schending van de kernwaarde integriteit op. De raad acht in deze een berisping een passende maatregel.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht deels gegrond verklaart,moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klager;
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klachtonderdelen 1, 5, 6 en 7 gegrond;
- verklaart de klachtonderdelen 2, 3, 4 en 8 ongegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. M.M.C. van de Ven en M. de Maaré, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 22 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 22 juni 2026