ECLI:NL:TADRSHE:2026:23 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-778/DB/ZWB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:23
Datum uitspraak: 23-02-2026
Datum publicatie: 23-02-2026
Zaaknummer(s): 25-778/DB/ZWB
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening. Verweerder heeft klaagster bij het beëindiging van de adviesrelatie te absoluut aangegeven dat zij geen problemen meer zou kunnen krijgen met haar huurder. Gelet op het feit dat klager eerder had aangegeven te overwegen om de huur te verhogen, had verweerder een voorbehoud moeten maken zodat enig misverstand hierover niet kon ontstaan. Dat verweerder geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor de door hem gemaakte fouten, is niet gebleken. Voor zover klaagster stelt schade geleden als gevolg van de door verweerder gemaakte fouten, is de tuchtrechter onbevoegd. Waarschuwing. 

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 23 februari 2026

in de zaak 25-778/DB/ZWB  

naar aanleiding van de klacht van:


klaagster

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 27 januari 2025 heeft klaagster tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: “de deken”).

1.2    Op 11 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-006 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 12 januari 2026. Verschenen zijn klaagster en verweerder.

1.4     De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de volgende nagekomen stukken:
-    de e-mail met bijlagen van klaagster van 25 november 2025.  

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Klaagster heeft een geschil gehad met de huurder van een door klaagster verhuurde woonruimte. Klaagster verhuurde deze woonruimte voor een huursom van € 1.544,00 per maand. De huurder heeft zich begin 2024 tot het huurteam gewend om de maximale redelijke huurprijs te laten toetsen. 

2.3    In een brief van 19 februari 2024 heeft het huurteam namens de huurder gesteld dat er sprake is van een zogenaamde all-in huurprijs, die dient te worden gesplitst. Het huurteam heeft voorts namens de huurder aan klaagster voorgesteld om ermee in te stemmen dat de huurprijs wordt gesplitst in een kale huurprijs (55%) en bijkomende kosten (25%), bij gebreke waarvan het huurteam namens de huurder de kwestie zou voorleggen aan de huurcommissie. 

2.4    Klaagster heeft zich voor rechtsbijstand gewend tot haar rechtsbijstandsverzekeraar SAR, die de behandeling van de zaak op 5 april 2024 heeft uitbesteed aan verweerder. 

2.5    In een brief van 5 april 2024 heeft verweerder de opdracht aan klaagster bevestigd. In deze brief is geen samenvatting van het geschil, advies over klaagsters juridische positie, een inschatting van de kans van slagen of een plan van aanpak vastgelegd. 

2.6    In een brief van 9 april 2024 heeft verweerder namens klaagster aan het huurteam medegedeeld dat sprake was van een kale huurprijs omdat het meubilair reeds was afgeschreven en om niet aan de huurder ter beschikking werd gesteld. Het huurteam heeft niet op deze brief gereageerd. 

2.7     Bij e-mail van 10 juli 2024 heeft klaagster aan verweerder advies gevraagd over het volgende:  

“Het is ondertussen meer dan 3 maanden geleden dat ons bericht naar het huurteam is verstuurd. Is er een officiële reactietermijn? Wat kunnen we nog verwachten? Uiteraard wil ik geen slapende honden wakker maken.
Ik zou alsnog graag de huurder willen bewegen om het pand te verlaten. Ik had hem in april al het voorstel gedaan dat als hij de huur per 30 september 2024 opzegt dat hij dan het bedrag van de huurverhoging zou terugkrijgen (12 x 49 = EUR 588). Hij ging daar niet op in en gaf aan dat hij een operatie moet ondergaan in de zomer en dat hij nog niet weet hoe snel hij daarvan gaat herstellen en dat hij daarom niet kan toezeggen dat hij per 1 oktober vertrokken is.
Ik weet niet zeker of het verstandig is om een huurverhoging van 5,5% per 1 oktober 2024 in te voeren. Dat hangt vooral af van wat we nog wat het huurteam en de huurcommissie kunnen verwachten. De huurverhoging zou de huurder kunnen bewegen de huur op te zeggen. Ik zou het ook per 1 november 2024 in kunnen voeren, als blijkt dat hij inderdaad langer blijft. Wat is uw advies?
Wat ik wel merkwaardig vind is dat hij het bedrag van de huur (totaal EUR 1544) in delen overmaakt, te weten EUR1500 en EUR44. Welke reden kan daarachter zitten?
Ik kijk uit naar uw reactie.”


2.8        Bij e-mail van 16 juli 2024 heeft verweerder als volgt gereageerd:  

“U schetst heel precies uw dilemma. U bent echter afhankelijk van uw huurder en het is aan hem om een keuze te maken of hij uw voorstel aanpakt of niet. U kunt hem er niet toe dwingen. In het beste geval kunt u zelf naar de rechter gaan om hem te houden aan zijn huuropzegging per 1 oktober, maar dat kunt u pas achteraf doen. Als u hem nu aanspreekt op het maken van een keuze, maakt u de slapende hond wellicht wakker, voor wat betreft de kwestie van de hoogte van de huur. Hoewel we behoorlijk wat vertrouwen hebben in die kwestie van de hoogte van de huur, zijn de financiële risico's als het onverhoeds toch fout zou gaan aanzienlijk. Het is echter aan u zelf om daarin de keuze te maken van de weg die u wil volgen. Wat vindt u belangrijker: het slapend houden van de huurder met het risico dat die de woning niet op het door u gehoopte tijdstip verlaat; of het tijdig ter beschikking hebben van uw woning met het risico dat de discussie over de hoogte van de huurprijs weer herleeft.
De afweging is echt volledig aan u zelf. Het enige dat ik u kan meegeven is dat het huurteam al die tijd niet heeft gereageerd. Ik zou geneigd zijn dat op te vatten als een indicatie dat mijn brief van 9 april 2024 door hen beschouwd wordt als een afdoende weerlegging van de claim tot huurverlaging die door het huurteam namens de huurder bij u is weggelegd. Maar dat het echt zo is kan ik u absoluut niet garanderen.”

2.9     Bij e-mail van 20 juli 2024 heeft klaagster verweerder als volgt bericht:  

“Dank voor uw bericht.
Het lijkt me vooralsnog veiliger geen huurverhoging voor 2024 in te voeren.
Toch zou ik graag willen weten wat de officiële reactietermijn voor het huurteam zou zijn (geweest). Is dat niet wettelijk vastgelegd? Ze gaven ons een reactietermijn van 2 maanden, dan zou hun reactietermijn toch hetzelfde of minder moeten zijn? (…)”

2.10    Bij e-mail van 19 augustus 2024 heeft verweerder als volgt op klaagsters vraag gereageerd:

“Ik heb een en ander nog eens nagezocht: artikel 7:254 BW bepaalt dat als de verhuurder niet instemt met de huurverlaging, de huurder gedurende 6 weken de mogelijkheid heeft om naar de huurcommissie te gaan. Die termijn is ongebruikt voorbijgegaan dus u bent veilig.(…)”

2.11    Bij e-mail van diezelfde dag heeft klaagsters als volgt op verweerders antwoord gereageerd:
    
“Ja, zoiets had ik inderdaad ook gelezen.
Ik ben nog steeds bang dat het bericht wel binnen die 6 weken via de huurder/ het huurteam naar de huurcommissie is gegaan, maar dat de huurcommissie een enorme achterstand heeft en dat we daarom nog niks gehoord hebben. En dat we dus alsnog bericht van de huurcommissie zouden kunnen krijgen. Of heeft de huurcommissie zelf ook een reactietermijn?
Ook is het theoretisch mogelijk dat de huurder een nieuwe (eenzelfde) procedure start, toch? Of is dat wettelijk niet toegestaan?

Sorry dat ik hier een beetje in doordraaf, maar ik wil graag alle opties uitsluiten.”


2.12    Bij e-mail van diezelfde dag heeft verweerder als volgt op klaagsters vraag gereageerd:
    

“Beide zijn niet het geval.
Er is geen achterstand bij de huurcommissie die zo groot is dat er niet minstens een kennisgeving de deur uit gaat naar de andere partij.
Er is geen mogelijkheid voor hetzelfde verhaal nogmaals een procedure te beginnen.
Het is echt afgelopen.
Van harte gefeliciteerd met dit resultaat.”

    En bij e-mail van enkele minuten later:    

“Nu de wederpartij geen verdere mogelijkheden meer heeft, ga ik over tot het sluiten van het dossier. Originele stukken van u heb ik niet in mijn bezit. De stukken die ik wel in mijn bezit heb, worden na 5 jaar vernietigd.
Nu de zaak is afgesloten, meld ik de zaak af bij [SAR].”

2.13    Klaagster heeft de huurder op 31 augustus 2024 een huurverhoging aangezegd, waarna zij op 5 september 2024 een nieuw verzoek tot splitsing van de huurder heeft ontvangen. 

2.14    Na ontvangst van het nieuwe splitsingsverzoek heeft SAR de kwestie wederom uitbesteed aan verweerder, die op 9 september 2024 een conceptbrief aan de wederpartij heeft opgesteld op basis van het op 9 april 2024 gevoerde verweer. Klaagster is niet akkoord gegaan met deze conceptbrief en heeft verweerder hieromtrent bij e-mail van 9 september 2024 als volgt bericht:

“Ik ben vanmorgen op de hoogte gesteld door een jurist dat de mail die het huurteam in februari 2024 had gestuurd en onze reactie daarop NIET als een procedure gezien kan worden. De huurder/ het huurteam was tenslotte niet naar de huurcommissie of de kantonrechter gestapt (blijkbaar kan men alleen in dat geval spreken van een "procedure")... Naar de mening van de jurist heeft het huurteam wel degelijk het recht om opnieuw een voorstel te doen over de splitsing van de huurprijs en om naar de huurcommissie te stappen.
U heeft mij dus verkeerd advies gegeven!
Ook is mij vanmorgen verteld dat bij een all-in huurprijs er geen huurverhogingen mogen worden doorgevoerd. U was ervan op de hoogte dat ik als verhuurder van plan was een huurverhoging door te voeren, maar u heeft mij er niet van weerhouden, waarschijnlijk omdat u het zelf ook niet wist dat dat niet mocht.
Helaas werkte de aangekondigde huurverhoging als trigger voor het starten van een nieuwe zaak, waarvan u dacht dat dat niet mogelijk was. Ik betreur deze gang van zaken enorm.
Ik stem er daarom NIET mee in om deze brief naar het huurteam te sturen en zal bovenstaande punten binnenkort inhoudelijk voorleggen aan/ bespreken met Stichting Achmea Rechtsbijstand.”

2.15    In de hierop volgende e-mailcorrespondentie hebben klaagster en verweerder gediscussieerd over de deugdelijkheid van verweerders advisering. 

2.16    Bij e-mails van 19 september 2024 heeft klaagster verweerder aansprakelijk gesteld en een klacht op basis van de klachtenregeling bij hem ingediend. Klaagster heeft verweerder in dit verband onder meer als volgt bericht:

“Nu duidelijk is dat de huidige wetgeving een tweede verzoek tot splitsing van de huurprijs wel degelijk toelaat en dat het de huurder vrij staat om naar de huurcommissie te stappen, moet ik helaas concluderen dat u onzorgvuldig te werk bent gegaan in uw bewering dat een tweede procedure voor hetzelfde verhaal in deze zaak niet mogelijk is.
Deze bewering is juridisch onjuist gebleken. Ik heb dit vanmorgen met u besproken en daarna nog per mail bevestigd.
U wist dat ik van plan was om een huurverhogingsvoorstel te doen, hetgeen, naar ik onlangs heb begrepen, niet is toegestaan bij een all-in huurprijs. Feit is dat de vraag of het wel of niet een all-in huurprijs betreft precies het onderwerp van discussie was (en nu weer is) en dat u mij daarom uit voorzorg had moeten weerhouden van het doen van een huurverhogingsvoorstel. U gaf tenslotte zelf ook aan dat het feit dat er geen reactie van het huurteam was gekomen, niet betekent dat de brief van 9 april 2024 door hen beschouwd is als een afdoende weerlegging van de claim tot huurverlaging.
Helaas werkte de aangekondigde huurverhoging als trigger voor het starten van een nieuwe zaak, waarvan u beweerde dat die niet mogelijk was. (…)”

2.17    Bij e-mail van 20 september 2024 heeft verweerder onder meer het volgende aan klaagster medegedeeld:

“U heeft mij aansprakelijk gesteld. U heeft geen klacht ingediend, en dus heb ik de klachtenfunctionaris mr. Veth ook nog niet geïnformeerd.
Los van de vraag of ik wel of niet aansprakelijk ben, u heeft alleen recht op schadevergoeding als u daadwerkelijk schade heeft. (…)”

2.18    Op 11 oktober 2024 heeft klaagster zelf telefonisch contact gezocht met de klachtfunctionaris, die klaagster heeft geadviseerd om te proberen de kwestie in onderling overleg met verweerder op te lossen. 

2.19    Op 14 oktober 2024 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen klaagster en verweerder, bij gelegenheid waarvan zij hebben afgesproken om de kwestie over de aansprakelijkheid van verweerder te laten rusten tot de uitkomst van het geschil met de huurder bekend was.  

2.20    Op 2 november 2024 heeft klaagster op advies van SAR een minnelijke regeling getroffen met de huurder, samengevat inhoudende een terugbetaling van een bedrag door klaagster aan de huurder van een bedrag van € 1.036,00 en een matiging van de huurprijs tot een bedrag van € 1.300,00. 

2.21    Bij e-mail van 15 november 2024 heeft klaagster verweerder op de hoogte gesteld dat zij met de huurder een regeling had getroffen en heeft zij verweerder nogmaals aansprakelijk gesteld. Bij e-mail van 15 november 2024 heeft verweerder betwist aansprakelijk te zijn. In de daarop volgende correspondentie hebben klaagster en verweerder de discussie voortgezet, hetgeen niet tot een oplossing heeft geleid. 

2.22    Op 27 januari 2025 heeft klaagster tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.

2.23    In februari 2025 heeft de klachtfunctionaris de klacht in behandeling genomen. Dit heeft niet tot een oplossing geleid, zodat de klachtprocedure bij de deken is voortgezet.    

3    KLACHT

3.1      De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:

1.    Verweerder heeft een beroepsfout gemaakt door klaagster er niet van te weerhouden om een huurprijsverhoging aan te zeggen c.q. door klaagster er niet op te wijzen dat een all-in-huurprijs niet kan worden verhoogd;

2.    Verweerder heeft een beroepsfout gemaakt door aan te geven dat de huurder niet tweemaal eenzelfde procedure kon starten;

3.    Verweerder heeft de klacht niet verwezen naar de klachtfunctionaris, althans de interne klachtregeling is niet gevolgd;

4.    Verweerder heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor de door hem gemaakte fouten;

5.    Klaagster heeft schade geleden als gevolg van de door verweerder gemaakte fouten.

4    VERWEER 

4.1    Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.


5    BEOORDELING

5.1        Toetsingskader
De klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. 

5.2    Klachtonderdelen 1 en 2 – ondeugdelijke advisering?
Klaagster verwijt verweerder dat hij beroepsfouten heeft gemaakt door klaagster er niet van te weerhouden om een huurprijsverhoging aan te zeggen c.q. door klaagster er niet op te wijzen dat een all-in-huurprijs niet kan worden verhoogd en tevens door aan te geven dat de huurder niet tweemaal eenzelfde procedure kon starten. Verweerder heeft deze verwijten gemotiveerd weersproken. Verweerder heeft naar voren gebracht dat hij klaagster deugdelijk heeft geadviseerd en heeft gewezen op de risico’s van huurprijsverhoging. Verweerder heeft gesteld dat hij niet wist dat klaagster voornemens was om een huurprijsverhoging aan te zeggen en dat hij klaagsters vraag over het tweemaal starten van dezelfde procedure zo heeft begrepen dat zij wilde weten of de reeds in gang gezette procedure tot splitsing opnieuw kon worden begonnen. Verweerders advies zag dan ook niet op de situatie die zou ontstaan na een nieuwe aanzegging tot huurprijsverhoging, aldus nog steeds verweerder. De raad is van oordeel dat dit verweer moet worden gepasseerd en overweegt als volgt.

5.3    De raad stelt op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht vast dat verweerder klaagster aanvankelijk heeft bijgestaan in het conflict met haar huurder; laatstgenoemde had via het huurteam gevraagd om huurverlaging en om ermee in te stemmen dat de huurprijs zou worden gesplitst in een kale huurprijs (55%) en bijkomende kosten (25%). Volgens de huurder was er sprake van een all-in huur. Namens klaagster heeft verweerder dit betwist en dit ook aan het huurteam bericht. Daarbij heeft verweerder klaagster aangegeven dat, als de huurder dit aan de rechter zou voorleggen, het gevoerde verweer mogelijk geen stand zou houden nu niet alle zaken daadwerkelijk waren afgeschreven. In zoverre is geen sprake van een beroepsfout. Ook de later gedane mededeling dat na verloop van de wettelijke termijn de huurder hierop geen verdere actie zou kunnen ondernemen, heeft verweerder, naar het oordeel van de raad, voldoende gemotiveerd met een verwijzing naar de wetsbepaling. 

5.4    In de e-mail van 10 juli 2024 breidt klaagster haar adviesvraag uit; zo vraagt zij zich af of het aanzeggen van een huurverhoging, mogelijk per 1 november 2024, verstandig is. Zij geeft daarbij aan dat de huurder als gevolg van de huurverhoging mogelijk de huur zal gaan opzeggen.  Verweerder reageert hierop per e-mail van 16 juli; hij wijst klaagster daarin op de risico’s die gepaard gaan met een huurverhoging, aangevende: 

“(…) Wat vindt u belangrijker: het slapend houden van de huurder met het risico dat die de woning niet op het door u gehoopte tijdstip verlaat; of het tijdig ter beschikking hebben van uw woning met het risico dat de discussie over de hoogte van de huurprijs weer herleeft.” (onderstreping door de raad).

Verweerder vervolgt zijn reactie met de mededeling dat het feit dat de huurder niet heeft gereageerd op zijn schriftelijke weerlegging aan het huurteam, mogelijk een indicatie vormt voor een prognose dat de huurder zich hierbij neerlegt maar “dat het echt zo is kan ik u absoluut niet garanderen.”, zo schrijft verweerder.

5.5    De raad is van oordeel dat ook dit advies niet leidt tot enig klachtwaardig handelen.  Klaagster heeft dit advies ook ter harte genomen en aangegeven dat het veiliger is om  vooralsnog geen huurverhoging in 2024 door te voeren. In dezelfde mail vraagt klaagster naar de termijn waarbinnen het huurteam dient te reageren. Nadat verweerder klaagster informeert over de lengte van de wettelijke termijn, geeft zij het volgende aan: 

“(…) Ook is het theoretisch mogelijk dat de huurder een nieuwe (eenzelfde) procedure start, toch? Of is dat wettelijk niet toegestaan?
 

Sorry dat ik hier een beetje in doordraaf, maar ik wil graag alle opties uitsluiten (onderstreping door raad).”

5.6    De reactie van verweerder ziet enkel op de zaak waarvoor klaagster zich aanvankelijk tot verweerder had gewend, namelijk wat gebeurt er als een huurder huursplitsing vraagt. Dat verweerder de vraag van klaagster ook zo begrepen heeft, is niet onbegrijpelijk gelet op de discussie daarvoor en gelet op de bewoordingen van klaagster die het heeft over een nieuwe (eenzelfde) procedure. Daar staat echter tegenover dat er tussen partijen eerder is gesproken over een door klaagster gewenste huurverhoging en de mededeling van klaagster dat zij graag alle opties wil uitsluiten. Gelet hierop had het op de weg van verweerder gelegen om in plaats van heel absoluut te stellen dat het echt afgelopen is, klaagster nog even in herinnering te brengen dat hiermee de risico’s van een huurverhoging, waarop verweerder eerder had gewezen, niet worden weggenomen.  In zoverre zijn de klachtonderdelen 1 en 2 gegrond. 

5.7    Klachtonderdeel 3 – interne klachtregeling 
Klaagster verwijt verweerder dat hij de klacht niet heeft verwezen naar de klachtfunctionaris, althans dat de interne klachtregeling niet is gevolgd. Verweerder heeft het verweer gevoerd dat sprake geen was van een klacht maar van een aansprakelijkstelling, waarbij de klachtfunctionaris geen rol speelt. De raad volgt verweerder niet in dat verweer. Uit de aan de raad overgelegde correspondentie blijkt genoegzaam dat klaagster expliciet heeft aangegeven dat zij verweerder niet alleen aansprakelijk stelde, maar dat zij ook een inhoudelijke behandeling van haar klacht wenste. Op grond van het bepaalde in artikel 6.28 lid 1 Voda in samenhang met artikel 1 verweerders kantoorklachtenregeling had verweerder de klacht moeten doorgeleiden naar de klachtfunctionaris. Door dit niet te doen heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachtonderdeel 3 is dan ook eveneens gegrond. 

5.8    Klachtonderdeel 4 – geen verantwoordelijkheid genomen voor gemaakte fouten?
Klaagster verwijt verweerder dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor de door hem gemaakte fouten. Verweerder heeft het verweer gevoerd dat hij geen fouten heeft gemaakt. De raad overweegt als volgt. Dat verweerder verweer voert tegen de klachten van klaagster maakt niet dat hij geen verantwoordelijkheid neemt voor gemaakte fouten. Het staat verweerder namelijk vrij om verweer te voeren en om dat verweer in te richten op een wijze die hem goeddunkt. Als niet dan wel onvoldoende weersproken staat vast dat verweerder de aansprakelijkstelling heeft doorgeleid aan de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Daarmee heeft verweerder gedaan wat hij moest doen. Dat verweerder geen of onvoldoende verantwoordelijkheid heeft genomen is niet gebleken. Klachtonderdeel 4 is derhalve ongegrond.

5.9    Klachtonderdeel 5 – schadevergoeding
Klaagster heeft gesteld dat zij schade heeft geleden als gevolg van de door verweerder gemaakte fouten. Verweerder heeft betwist dat klaagster door zijn toedoen schade heeft geleden. De raad overweegt dat het niet aan de tuchtrechter maar aan de civiele rechter is om een oordeel te geven over aansprakelijkheid en schade. De raad is ter zake niet bevoegd. De raad zal zich dan ook ten aanzien van klachtonderdeel 5 onbevoegd verklaren. 


6    MAATREGEL

6.1    Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat hij klaagster niet deugdelijk heeft geadviseerd en doordat hij de klacht van klaagster niet heeft doorgeleid naar de klachtfunctionaris. De raad acht in deze een waarschuwing een passende maatregel. 


7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 

7.1    Omdat de raad de klacht deels gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) €   50,- reiskosten van klaagster;
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.


BESLISSING

De raad van discipline:
-    verklaart de klachtonderdelen 1, 2 en 3 gegrond;

-    verklaart klachtonderdeel 4 ongegrond;

-    verklaart zich onbevoegd ter zake klachtonderdeel 5;

-    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; 

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. J.M.H. Schoenmakers, voorzitter, mrs. H.C. Struijk, J.R.G. Smulders, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 23 februari 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 23 februari 2026