ECLI:NL:TADRSHE:2026:22 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-006/DB/LI

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:22
Datum uitspraak: 17-02-2026
Datum publicatie: 17-02-2026
Zaaknummer(s): 26-006/DB/LI
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van deken of tuchtrechter
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht tegen de deken. Het vertrouwen in de advocatuur is niet geschaad doordat de deken om een verduidelijking van de klacht heeft gevraagd. Twee andere klachten had zij niet eerder in behandeling kunnen nemen, omdat deze (nog) niet waren ingediend. Klacht kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch
van 17 februari 2026
in de zaak 26-006/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

(voormalig) deken van de Orde van Advocaten te Amsterdam
verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de Limburgse deken) van 24 juli 2025 met kenmerk K25-001 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1-1 tot en met 7. 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Op 22 april 2024 heeft klaagster per brief aan verweerster kenbaar gemaakt een klacht in te willen dienen tegen een advocatenkantoor.

1.2    Op 8 mei 2024 heeft verweerster om nadere informatie en een concretisering van haar klacht gevraagd. Hierop heeft klaagster op 10 mei 2024 gereageerd. Verweerster heeft vervolgens de klacht samengevat en verder onderzocht. De klacht is vervolgens doorgezonden aan de raad van discipline in het ressort Amsterdam en aldaar in behandeling genomen. De klacht is kennelijk ongegrond verklaard. Klaagster heeft hiertegen verzet aangetekend.

1.3    Op 28 augustus 2024 heeft verweerster een tweede klacht ingediend tegen hetzelfde advocatenkantoor. Op 10 september 2024 heeft verweerster klaagster in overweging gegeven om de (verzet)procedure tegen de eerste klacht af te wachten. Op 12 september 2024 heeft klaagster haar (eerste) klacht opnieuw geuit. Op 23 september 2024 heeft klaagster een klacht ingediend tegen het advocatenkantoor en mr. M. Ook is daarbij een klacht ingediend tegen mr. B bij de deken Oost-Brabant.

1.4    Op 26 september 2024 heeft verweerster klaagster verzocht om haar klacht te verduidelijken en medegedeeld dat zij bij gebreke daarvan de klacht niet in behandeling kon nemen. 

1.5    Op 8 oktober 2024 heeft verweerster een brief van klaagster ontvangen, gedateerd 3 oktober 2024, met als onderwerp ‘klacht over de voortgang’. 

1.6    Op 28 oktober 2024 heeft klaagster verzocht om haar te horen voor het geven van een toelichting op de klacht. Verweerster heeft daarop bericht dat de klachtbehandeling in beginsel schriftelijk verloopt en haar verzocht om de kern van de tuchtrechtelijke verwijten die zij maakt jegens het advocatenkantoor en mr. M aan haar te laten toekomen.

1.7    Op 4 november 2024 heeft klaagster erop gewezen dat dekens in andere arrondissementen aan bemiddeling deden. Verweerster heeft op 11 november 2024 gereageerd dat bemiddeling een optie is, maar dat dit alleen kan als helder is waar de klacht over gaat.

1.8    Op 25 november 2024 heeft klaagster een klacht ingediend over verweerster.

1.9    Op 29 november 2024 heeft verweerster aan klaagster medegedeeld dat het niet zo is dat zij de klachten niet in behandeling wil nemen, maar dat het niet mogelijk is om de inhoud van de klachtbrieven te doorgronden, te begrijpen en te duiden. Opnieuw is verzocht om de kern van de verwijten kenbaar te maken, waarna de klachten verder in behandeling worden genomen. Vervolgens heeft een stafmedewerker van verweerster diezelfde dag de voorzitter van het hof van discipline verzocht om de klacht voor onderzoek en behandeling te verwijzen naar een andere deken. Op 19 december 2024 heeft de voorzitter van het hof van discipline de klacht verwezen naar de Limburgse deken.

1.10    Op 6 maart 2025 heeft klaagster haar klacht aangevuld.

1.11    Op 10 maart 2025 heeft klaagster bij verweerster een klacht ingediend over mr. H.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster te hebben geweigerd om de klachten tegen het advocatenkantoor, mr. M, mr. C en mr. H in behandeling te nemen, te onderzoeken, te beoordelen en toezicht op hen te houden. 

3    VERWEER

3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerster in haar hoedanigheid van deken in het arrondissement Amsterdam. Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Indien een advocaat zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dit betekent dat de vraag voorligt of verweerster zich bij de vervulling van de functie van deken op de punten die in deze tuchtzaak aan de orde zijn zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.

4.2    Artikel 1.4 uit de Leidraad dekenaal klachtonderzoek 2025 luidt: 
De mogelijkheid bestaat dat de klacht onvoldoende duidelijk of onleesbaar is. U krijgt dan de mogelijkheid het gebrek binnen een termijn van 14 dagen te herstellen. De deken behoudt zich het recht voor uw klacht niet verder in behandeling te nemen als uw klacht na verzoek van de deken niet nader onderbouwd wordt.

Beoordeling

4.3    Niet is gebleken dat verweerster het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Zij heeft de klachten tegen het advocatenkantoor en mr. M in behandeling genomen en klaagster (meermaals) verzocht om een verduidelijking van haar klachten ten behoeve van haar onderzoek. Die vrijheid komt de deken toe, mede gelet op artikel 1.4 van de Leidraad dekenaal klachtonderzoek 2025. De klacht tegen mr. H is pas na deze tuchtklacht ingediend. Verweerster had die klacht dus ook niet eerder in behandeling kunnen nemen. Datzelfde geldt voor de klacht tegen mr. C, waarvan uit het dossier in het geheel niet blijkt dat deze is ingediend.

4.4    De klacht is kennelijk ongegrond.

BESLISSING

De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. V.E.J. Noelmans, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 17 februari 2026