ECLI:NL:TADRSHE:2026:16 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-784/DB/LI
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:16 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-01-2026 |
| Datum publicatie: | 27-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-784/DB/LI |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij deels gegrond. Verweerster heeft de door de rechtbank benoemde deskundige rechtstreeks benaderd zonder gelijktijdige verzending van een afschrift aan de advocaat van klaagster. Waarschuwing. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 26 januari 2026
in de zaak 25-784/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 22 oktober 2025 heeft klaagster tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: “de deken”).
1.2 Op 12 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-042 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 15 december 2025. Verschenen zijn klaagster en verweerster.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de
volgende nagekomen stukken:
- de e-mail met bijlagen van klaagster van 28 november 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster heeft een burengeschil (gehad) met H. Klaagster werd bijgestaan door mr. Z, advocaat, terwijl H werd bijgestaan door verweerster.
2.3 In een tussenvonnis van 15 januari 2025 heeft de rechtbank een deskundige benoemd, een deskundigenonderzoek gelast en bepaald dat beide partijen een afschrift van het procesdossier aan de deskundige moesten toesturen.
2.4 Op 24 februari 2025 heeft verweerster een brief met bijlagen toegestuurd aan de deskundige.
2.5 Op 21 maart 2025 heeft het deskundigenonderzoek plaatsgevonden. Tijdens het deskundigenonderzoek is aan klaagster en klaagsters advocaat gebleken dat verweerster had verzuimd om aan klaagsters advocaat een afschrift toe te sturen van de brief met bijlagen aan de deskundige van 24 februari 2025. Na afloop van het deskundigenonderzoek heeft verweerster alsnog een afschrift van de brief met bijlagen aan de deskundige van 24 februari 2025 toegestuurd aan klaagsters advocaat.
2.6 Op 22 maart 2025 heeft klaagsters advocaat aan de deskundige stukken toegestuurd.
2.7 Op 26 maart 2025 heeft klaagsters advocaat een afschrift van het volledige procesdossier aan de deskundige toegestuurd.
2.8 Bij e-mail van eveneens 26 maart 2025 heeft verweerster de deskundige als volgt
bericht:
“Ik verzoek u vriendelijk om zich te houden aan de door de rechtbank gegeven opdracht
zoals geformuleerd in het tussenvonnis en meer in het bijzonder deze vraag te beantwoorden.
De visie van [P] is duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar. U heeft mondeling
reeds aangegeven ter plaatse dat cliënte daaraan heeft voldaan en dat u uw bevindingen
gaat verwerken in een rapport.
Ik begrijp dat de wederpartij het daar niet mee eens is uit de hele stroom van
berichten aan uw adres.
Graag ontvang ik dan ook uw rapportage met daarin uw bevindingen.”
2.9 Bij e-mail van 4 april 2025 heeft de deskundige verklaard dat hij bij zijn beoordeling de bij verweersters brief d.d. 24 februari 2025 gevoegde stukken niet heeft gebruikt.
2.10 Na ontvangst van de conceptrapportage heeft klaagsters advocaat de rechtbank verzocht om een andere deskundige te benoemen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.
2.11 Op 22 oktober 2025 heeft klaagster tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:
1. Verweerster heeft de door de rechtbank benoemde deskundige rechtstreeks benaderd zonder gelijktijdige verzending van een afschrift aan de advocaat van klaagster;
2. Verweerster heeft niet het volledige procesdossier aan de deskundige gestuurd;
3. Verweerster heeft de deskundige verzocht om de door klaagsters advocaat toegezonden stukken buiten beschouwing te laten.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft verweer gevoerd. De Raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Toetsingskader
Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.3 Beoordeling
Klachtonderdeel 1
Klaagster verwijt verweerster in de eerste plaats dat zij de door de rechtbank benoemde deskundige rechtstreeks heeft benaderd zonder gelijktijdige verzending van een afschrift aan de advocaat van klaagster. Verweerster heeft erkend dat zij abusievelijk heeft verzuimd om van haar bericht aan de deskundige gelijktijdig een afschrift aan klaagsters advocaat toe te sturen, welk verzuim zij later heeft hersteld.
5.4 De raad overweegt als volgt. Op grond van gedragsregel 21 is het de advocaat niet geoorloofd zich in een aanhangig geding anders dan tezamen met de advocaat van de wederpartij tot de rechter aan wiens oordeel of de instantie aan wier oordeel de zaak is onderworpen te wenden, tenzij schriftelijk en met gelijktijdige toezending van een afschrift van de mededeling aan de advocaat van de wederpartij en voorts zo tijdig dat die advocaat voldoende gelegenheid heeft om op de mededeling te reageren. Het bepaalde in gedragsregel 21 is eveneens van toepassing op de verzending van berichten of stukken aan een door de rechter benoemde deskundige (Hof van Discipline 14 december 2012, ECLI:NL:TAHVD:2012:YA4403).
5.5 Vast staat dat verweerster op 24 februari 2025 een brief met bijlagen heeft toegestuurd aan de deskundige. Verweerster heeft die brief niet gelijktijdig naar de advocaat van klaagster gestuurd. Zij heeft op 21 maart 2025 en dus nadat het deskundigenonderzoek had plaatsgevonden alsnog een afschrift van de brief naar klaagsters advocaat gestuurd. Verweerster heeft gesteld dat de door haar aan de deskundige toegezonden stukken enkel reeds bij klaagster bekende stukken betroffen en dat de deskundige op de door haar toegezonden stukken geen acht heeft geslagen. Klaagster heeft deze beide stellingen uitdrukkelijk betwist, terwijl de deskundige zelf heeft verklaard de stukken niet in zijn beoordeling te hebben betrokken. Wat daar ook van zij, naar het oordeel van de raad had verweerster de brief met bijlagen aan de deskundige gelijktijdig in afschrift naar klaagsters advocaat moeten sturen. Door dat niet te doen, waren klaagster en haar advocaat niet in staat om zich voorafgaand aan het deskundigenonderzoek te vergewissen van de standpunten die verweerster namens haar cliënte bij de deskundige naar voren had gebracht, alsook van de inhoud en aard van de stukken die verweerster aan de deskundige had toegestuurd. Klaagster en haar advocaat hadden daarop dan desgewenst voorafgaand of tijdens het deskundigenonderzoek kunnen reageren. Door de handelwijze van verweerster is die gelegenheid klaagster en haar advocaat ontnomen.
5.6 Door de deskundige schriftelijk te berichten, zonder gelijktijdige verzending van een afschrift van dat bericht aan klaagsters advocaat, heeft verweerster in strijd met de uit gedragsregel 21 voortvloeiende verplichtingen gehandeld hetgeen haar tuchtrechtelijk moet worden aangerekend. De door verweerster geschetste, in de privé sfeer gelegen, omstandigheden maken dit niet anders. Klachtonderdeel 1 is gegrond.
5.7 Klachtonderdeel 2
Klaagster verwijt verweerster dat zij niet het volledige procesdossier aan de deskundige heeft gestuurd. Verweerster heeft dit erkend en heeft in dit verband naar voren gebracht dat zij in overleg met haar cliënte heeft besloten om niet het volledige procesdossier te overleggen. Klaagsters advocaat had het volledige procesdossier al aan de deskundige toegestuurd, zodat het volgens verweerster niet nodig was om dat nog eens te doen.
5.8 De raad volgt verweerster niet in dit verweer. De rechtbank heeft bij tussenvonnis uitdrukkelijk bepaald dat beide partijen het volledige procesdossier aan de deskundige moesten toesturen. Het feit dat de deskundige daardoor tweemaal het procesdossier zou ontvangen, vormt naar het oordeel van de raad geen rechtvaardiging voor het niet voldoen aan het bepaalde in het tussenvonnis. De ratio achter deze instructie van de rechtbank is namelijk dat de deskundige kan controleren of de door partijen ingediende processtukken compleet zijn en dezelfde inhoud hebben. Voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerster is naar het oordeel van de raad echter geen aanleiding. Dat klaagsters belangen zijn geschaad door het niet toesturen door verweerster van het volledige procesdossier aan de deskundige is namelijk niet gesteld en niet gebleken. De raad zal klachtonderdeel 2 daarom ongegrond verklaren.
5.9 Klachtonderdeel 3
Klaagster verwijt verweerster dat zij de deskundige heeft verzocht om de door klaagsters advocaat toegezonden stukken buiten beschouwing te laten. Verweerster heeft dit klachtonderdeel uitdrukkelijk weersproken. Dat verweerster de deskundige heeft verzocht om de door klaagsters advocaat toegezonden stukken buiten beschouwing te laten blijkt niet uit de aan de raad overgelegde stukken, ook niet uit het hierboven onder 2.8 geciteerde e-mailbericht van verweerster. De raad heeft dan ook niet kunnen vaststellen dat hetgeen klaagster verweerster verwijt feitelijk heeft plaatsgevonden. Omdat de feitelijke grondslag ontbreekt zal de raad dit klachtonderdeel ongegrond verklaren.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat zij de door de rechtbank benoemde deskundige rechtstreeks heeft benaderd zonder gelijktijdige verzending van een afschrift aan de advocaat van klaagster. De raad acht in deze een waarschuwing een passende maatregel.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klaagster;
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel 1 gegrond;
- verklaart de klachtonderdelen 2 en 3 ongegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, mrs. M.J. Hoekstra, M.M.C. van
de Ven, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber - van de Langenberg als griffier,
en uitgesproken op 26 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 januari 2026