ECLI:NL:TADRSHE:2026:122 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-616/DB/OB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:122
Datum uitspraak: 19-10-2026
Datum publicatie: 19-10-2026
Zaaknummer(s): 26-616/DB/OB
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in overige hoedanigheden
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht tegen advocaat in hoedanigheid van executeur ongegrond. 

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 19 oktober 2026

in de zaak 26-616/DB/OB


naar aanleiding van de klacht van:


klaagsters


over:


verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 3 november 2025 hebben klaagsters tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: “de deken”).

1.2    Op 15 april 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 48|25|173K van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 31 augustus 2026. Verschenen zijn klaagsters en verweerder. 

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de nagekomen e-mail met bijlagen van klaagsters van 12 augustus 2026, behoudens voor zover deze een uitbreiding van de klacht bevat.  


2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
 
2.2    Klaagsters zijn zussen en erfgenamen in de nalatenschap van hun ouders. Klaagster sub 1 (hierna: klaagster) was voorheen (mede-)executeur van de nalatenschap van de ouders. Bij beschikking van 15 juni 2023 is klaagster ontslagen en is verweerder benoemd tot executeur.

2.3    Op 22 juni 2023 heeft een overdrachtsgesprek plaatsgevonden tussen klaagster en verweerder.

2.4    Op 6 juli 2023 heeft verweerder bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend voor zijn loon.

2.5    In de periode van juni 2023 tot en met in ieder geval maart 2024 hebben klaagster en verweerder uitvoerig gecorrespondeerd over de nalatenschap, waaronder de verkoop van de woning in Frankrijk, de aandelen, het doen van aangifte erfbelasting en de voortvarendheid en kwaliteit van de werkzaamheden van verweerder als executeur. Klaagster heeft daarin herhaald kenbaar gemaakt het niet eens te zijn met verweerders inhoudelijke werkzaamheden, onvoldoende voortvarendheid en declaraties. 

2.6    Op 9 oktober 2023 heeft een zitting plaatsgevonden over het loon van verweerder. Bij beschikking van 3 november 2023 heeft de rechtbank het verzoek van verweerder toegewezen en hem een loon conform de Recofa-richtlijnen toegekend.

2.7    Op 17 november 2023 heeft verweerder € 13.639,55 tussentijds gedeclareerd.

2.8    Op 21 november 2023 heeft verweerder een loonberekening over de periode van 16 juni 20223 tot en met 8 november 2023, van € 42.154,55 inclusief btw, aan de erfgenamen gestuurd. Klaagster heeft de hoogte van de declaraties gemotiveerd betwist en medegedeeld dat er € 5.725,73 mag worden gedeclareerd.

2.9    Op 9 januari 2024 heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen de creditnota van verweerder.

2.10    Op 15 januari 2024 heeft klaagster verweerder verzocht het bedrag van € 13.639,55 terug te boeken naar de rekening van de erflaters en medegedeeld anders aangifte van fraude te gaan doen. Daarbij heeft klaagster ook haar ongenoegen geuit over verweerders optreden als executeur, onder het verzoek klaagster weer executeur te maken.

2.11    Verweerder heeft daarop als volgt gereageerd:

“Aan jouw verzoek om mijn declaratie te crediteren zal ik geen gehoor geven.
 Ik ben benoemd door de kantonrechter tot opvolgend executeur. […]
 Zoals tijdens de zitting op 9 oktober 2023 al werd aangegeven kan jij, al dan niet tezamen met andere erven, aan het einde van de executele bezwaar maken tegen mijn rekening en verantwoording. De kantonrechter kan jij dan de rechtmatigheid van mijn declaratie(s) laten toetsen.
Eerder heb ik ook aangegeven dat mocht jij van mening zijn dat er een gewichtige reden voor ontslag aanwezig is jij de kantonrechter kan vragen mij te ontslaan en om een opvolgend executeur te laten benoemen.
[…] Tot slot, van tuchtrechtelijk laakbaar handelen is naar mijn mening geen sprake, het staat jou en de anderen uiteraard vrij om een klacht tegen mij in te dienen”

2.12    Op 5 februari 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2.13    Op 20 februari 2024 heeft verweerder een boedelbeschrijving ingediend. Klaagster heeft kritische kanttekeningen geplaatst bij de boedelbeschrijving.

2.14    Op 6 maart 2024 hebben klaagster en verweerder diverse e-mails gewisseld over verweerders aanwezigheid bij een zitting over de waardering van de aandelen.

2.15    Op 15 maart 2024 heeft klaagster de erfbelasting voor haarzelf en haar zus van de ervenrekening betaald. Verweerder heeft daarop kenbaar gemaakt dat dit niet strookt met gemaakte afspraken en heeft klaagsters volmacht om te beschikken over de ervenrekening ingetrokken. Op 18 maart 2024 hebben klaagster en verweerder diverse e-mails gewisseld over de betaling van de erfbelasting.

2.16    Bij beslissing van 26 september 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:128) heeft de (plv) voorzitter van de raad van discipline de klacht kennelijk niet ontvankelijk verklaard. De (plv) voorzitter heeft daartoe overwogen: 

    “Klaagster is (op dit moment) niet-ontvankelijk in haar klacht over verweerders optreden als executeur. Zij mist daarvoor een eigen, rechtstreeks betrokken belang. Verweerder behartigt als executeur de belangen van de nalatenschap. Hij behartigt niet de belangen van klaagster. Verweerder dient eerst rekening en verantwoording af te leggen over de afwikkeling van de nalatenschap. Pas daarna komt de afwikkeling van de nalatenschap, inclusief de declaraties van verweerder, vast te staan. Pas op dat moment ondervindt klaagster daarvan de feitelijke gevolgen en wordt zij ook rechtstreeks in haar belangen getroffen. Als erfgenaam heeft zij momenteel slechts een afgeleid belang ten opzichte van de nalatenschap (vergelijk RvD Den Haag 18 maart 2024, ECLI:NL:TADRSGR:2024:60).”

2.17    Op 25 april 2025 heeft verweerder rekening en verantwoording afgelegd.

2.18    Bij e-mails van – onder meer - 13 juni 2025 en 9 juli 2025 heeft klaagster haar ongenoegen over het optreden van verweerder geuit. 

2.19    Op 3 november 2025 heeft klaagster, mede namens klaagster sub 2, opnieuw tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken. 

3    KLACHT

3.1     De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagsters verwijt verweerder het volgende:

1.    Verweerder heeft het vertrouwen in de advocatuur geschaad doordat hij zijn positie heeft misbruikt;

2.    Verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan een patroon van intimidatie en strategische vertraging.


4    VERWEER 

4.1    Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.


5    BEOORDELING

5.1    Toetsingskader

De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerder in zijn hoedanigheid van executeur. Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter slechts of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.

5.2    Beoordeling
Klaagsters verwijten verweerder dat hij het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad doordat hij zijn positie heeft misbruikt en dat hij zich heeft zich schuldig gemaakt aan een patroon van intimidatie en strategische vertraging. Verweerder heeft deze verwijten gemotiveerd weersproken. 

5.3    De raad is van oordeel dat uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht niet is gebleken dat verweerder zich aan de door klaagsters genoemde gedragingen heeft schuldig gemaakt. Verweerder heeft de verwijten van klaagsters gemotiveerd weersproken, terwijl de raad voor de juistheid van die verwijten noch in de overgelegde stukken, noch in hetgeen ter zitting naar voren is gebracht aanknopingspunten heeft gevonden. De feitelijke grondslag van de klacht ontbreekt dan ook. Verder is het niet aan de tuchtrechter om geschillen te beslechten over het optreden van een executeur. Het is aan de kantonrechter om een oordeel te geven over het optreden van de executeur en diens declaraties.

5.4    De raad is op grond van het voorgaande van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. De raad zal de klacht dan ook in beide onderdelen ongegrond verklaren.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht in beide onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.A. de Vlieger, voorzitter, mrs. J.A. Bloo, W.L.H. Aerts, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 19 oktober 2026.


Griffier    Voorzitter


Verzonden op: 19 oktober 2026