ECLI:NL:TADRSHE:2026:121 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-453/DB/ZWB
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:121 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-10-2026 |
| Datum publicatie: | 12-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-453/DB/ZWB |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Samenhang met beslissing op dekenbezwaren 25-010 en 26-663/DB/ZWB/D. Verweerder had klaagsters aansprakelijkstelling op korte termijn moeten doorgeleiden naar de verzekeraar. Verweerder heeft dit ondanks herhaalde verzoeken van klaagster en van de deken geweigerd en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Verder staat vast dat zowel klaagster als de deken, althans de stafjurist namens de deken, verweerder meermaals hebben verzocht om de aansprakelijkstelling door te geleiden aan de verzekeraar en de doorzending te bevestigen aan klaagster en de deken. Verweerder heeft dit geweigerd. Ook heeft verweerder, ondanks uitdrukkelijk verzoek van de deken, niet gereageerd op de door klaagster ingediende klacht. Gegrond. Voorwaardelijke schorsing van twee weken. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 12 oktober 2026
in de zaak 26-453/DB/ZWB
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
gemachtigde: mr. P.A. Groenhuis, advocaat te Breda
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 30 maart 2026 heeft klaagster tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: “de deken”).
1.2 Op 1 juni 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K26-052 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 31 augustus 2026. Verschenen zijn klaagster en verweerder, bijgestaan door mr. G, advocaat.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster heeft zich in september 2023 voor rechtsbijstand gewend tot verweerder.
2.3 Op 23 november 2023 heeft klaagster tegen verweerder een klacht ingediend. Deze klacht had onder meer betrekking op de kwaliteit van verweerders dienstverlening. Bij beslissing van 23 december 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:173) heeft de raad de klacht in alle onderdelen gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel van berisping opgelegd. Het Hof van Discipline heeft de beslissing van de raad bekrachtigd bij beslissing van 5 september 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:172).
2.4 Bij beslissing van 7 april 2025 (ECLI:NL:TADRSHE:2025:59) heeft de raad een andere klacht van klaagster over verweerder gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel van berisping opgelegd. Die klacht hield in dat verweerder in strijd met de AVG een kopie van klaagsters paspoort had opgeslagen en aan de Raad voor Rechtsbijstand had gestuurd en klaagsters verzoek tot vernietiging gedurende ruim zeven maanden onbeantwoord had gelaten.
2.5 Klaagster heeft verweerder bij brief van 4 december 2025 aansprakelijk gesteld en verweerder als volgt bericht:
“Naar aanleiding van uw – onder meer – onvoldoende voortvarende behandeling van mijn zaak, zoals gegrond vastgesteld in de uitspraken van de Raad van Discipline (d.d. 23 december 2024 en 7 april 2025) en het Hof van Discipline (d.d. 5 september 2025), stel ik u aansprakelijk voor de schade die ik hierdoor heb geleden. Door uw handelen kon ik mijn vordering jegens [garage] niet in rechte instellen.
Hiermee staat het causale verband tussen uw beroepsfout en mijn schade vast. Om die reden stel ik u hierbij aansprakelijk voor deze schade en dient deze brief tevens ter stuiting van de verjaring van mijn vorderingen ex artikel 3:316 BW.
De oorzaak van de breuk van de distributieketting bleek uiteindelijk te liggen in de door [garage] toegepaste – echter voor mijn auto ongeschikte – motorolie wat geresulteerd heeft in een vastgelopen motor èn waardoor tevens de fabrieksgarantie vervallen is.
Het schadebedrag, wat ik geclaimd had, bestond uit:
• Materiële schade: ruilmotor à € 5.000 + onvoorzien moeten vervangen van de distributieketting daarvan à € 2.500 (de facturen hiervan kunnen op verzoek worden overlegd).
• Immateriële schade à € 2.500.
Ik verzoek u deze claim van totaal € 10.000,- te melden bij uw beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Uw voorstel tot afhandeling zie ik graag zo spoedig mogelijk doch uiterlijk vóór 1 februari 2026 tegemoet.
Onder voorbehoud van alle rechten en weren teken ik,”
2.6 Verweerder heeft niet op klaagsters brief gereageerd. Bij brief van 10 februari 2026 heeft klaagster verweerder verzocht om alsnog te reageren en haar uiterlijk 24 februari 2026 te bevestigen dat hij de aansprakelijkstelling heeft doorgeleid naar de verzekeraar.
2.7 Omdat verweerder ook op deze brief niet heeft gereageerd heeft klaagster zich op 4 maart 2026 gewend tot de deken met de vraag om te bemiddelen, waarna de stafjurist van het bureau van de orde van advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant verweerder op 11 maart 2026 als volgt heeft aangeschreven:
"[Klaagster] heeft zich tot de deken gewend met de melding dat de door haar aan u gerichte aansprakelijkstelling nog niet is doorgestuurd naar uw beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Als bijlagen treft u aan de per aangetekende post verzonden aansprakelijkstelling van 4 december 2025 en de herinnering van 10 februari 2026. Zoals u bekend zal zijn, volgt uit vaste tuchtrechtspraak dat een advocaat verplicht is zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar te informeren zodra hij door een cliënt aansprakelijk wordt gesteld. Nu [klaagster] aangeeft nog geen bevestiging te hebben ontvangen dat deze melding is gedaan, verzoek ik u vriendelijk maar dringend de aansprakelijkstelling alsnog onverwijld aan uw verzekeraar door te sturen.
Ik verzoek u tevens om doorzending van de aansprakelijkstelling schriftelijk te bevestigen aan [klaagster].
Van uw bericht aan [klaagster] ontvang ik graag een kopie. Mocht u mij in de cc zetten, dan moet u erop letten dat u de referentiecode in de mail vermeldt, anders bereikt deze mij niet.
Uw reactie wordt binnen één week na heden verwacht."
2.8 Verweerder heeft niet gereageerd op en geen gevolg gegeven aan het bericht van de stafjurist. Op 19 maart 2026 heeft de stafjurist een herinnering aan verweerder gestuurd met het verzoek om uiterlijk op 23 maart 2026 te reageren. Een dag na het verstrijken van de termijn, op 24 maart 2026, heeft verweerder als volgt gereageerd:
"[Klaagster] is geen client van mij. Het betreffende dossier is bij mijn weten behandeld door [L Advocaten], die daarvoor ook een toevoeging schijnt te hebben verkregen. Ik zag mij dus niet gehouden om mijn beroepsaanspakelijkheidsverzekeraar te informeren.
Los daarvan, maar dat is meer mijn technische blik op motortechniek en op Mercedesmotoren in het bijzonder, kan een distributieketting niet breken door het gebruik van verkeerde motorolie. Hooguit loopt een motor dan vast. Voor dat soort geschillen had klaagster zich met hulp van [L Advocaten] kunnen wenden tot een daarvoor gespecialiseerde Geschillencommissie Voertuigen, die kan onderzoeken of er een verband bestaat tussen kettingbreuk en verkeerde motorolie. Maar zoals gezegd: dat verband is met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet aanwezig te achten. Het is mij niet bekend of klaagster opdracht gegeven heeft aan [L Advocaten] om zich tot de Geschillencommissie te wenden."
2.9 Bij e-mail van 25 maart 2026 heeft de stafjurist verweerder als volgt bericht:
“Ik ontving van u bijgaande reactie op het verzoek om de aansprakelijkstelling van [klaagster] door te geleiden naar uw beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Een mijns inziens opmerkelijke reactie. Er zijn in het verleden twee klachten van [klaagster] behandeld waarin is gesteld – en door u niet betwist – dat u op 14 september 2023 een overeenkomst van opdracht met [klaagster] bent aangegaan over deze kwestie.
Uit uw reactie maak ik in elk geval op dat u de aansprakelijkstelling niet hebt voorgelegd aan uw beroepsaansprakelijkheidsverzekering en ook niet voornemens bent om dat te doen. Het is thans aan [klaagster] om te beslissen welke gevolgen zij daaraan verbindt.
Mocht u besluiten alsnog uw verzekering te informeren, dan graag per omgaande uw bericht.”
2.10 Op 30 maart 2026 heeft klaagster tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
2.11 Bij e-mail van 16 april 2026 heeft de stafjurist verweerder namens de deken verzocht om uiterlijk op 7 mei 2026 op de klacht te reageren. De stafjurist heeft verweerder er daarbij op gewezen dat hij op grond van gedragsregel 29 verplicht is om aan het klachtonderzoek mee te werken.
2.12 Bij e-mail van 7 mei 2026 heeft verweerder de deken als volgt bericht:
“Op dit moment ben ik nog met vakantie. Mijn antwoord kunt u spoedig na mijn terugkomst tegemoet zien. Mijn terugvlucht is gepland voor 12 mei a.s.”
2.13 Bij e-mail van 11 mei 2026 heeft de stafjurist verweerder bericht dat hem een uitstel werd verleend tot 18 mei 2026.
2.14 Verweerder heeft niet meer op de klacht gereageerd. De deken heeft de instructiefase van de klacht op 20 mei 2026 gesloten.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:
1. Verweerder heeft geweigerd om de brieven van 4 december 2025 en 10 februari 2026, waarin klaagster verweerder aansprakelijk heeft gesteld, door te sturen aan zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar, althans heeft genoemde brieven niet doorgestuurd althans heeft er geen blijk van gegeven deze te hebben doorgestuurd;
2. Verweerder heeft niet gereageerd op althans geen gevolg heeft gegeven aan de redelijke verzoeken van klaagster en de deken.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 In de eerste plaats verwijt klaagster verweerder samengevat dat hij haar aansprakelijkstelling niet heeft doorgestuurd aan zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Verweerder heeft het verweer gevoerd dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, omdat hij niet gehouden was om de aansprakelijkstelling door te sturen. Klaagster is namelijk geen cliënte van verweerder en verweerder heeft op 31 augustus 2026 kennis genomen van een beslissing van de Geschillencommissie Voertuigen van 7 oktober 2025 waarbij is geoordeeld dat de garage niet aansprakelijk is. Klaagsters aansprakelijkstelling was daarom kennelijk ongegrond, zodat hij deze niet behoefde door te zenden, aldus verweerder.
5.2 De raad passeert het verweer van verweerder en overweegt daartoe als volgt. De betamelijkheidsnorm als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet brengt mee dat een advocaat na een tegen hem ingediende schadeclaim jegens de (vermeend) benadeelde helder communiceert. Een advocaat dient de aansprakelijkstelling op korte termijn door te geleiden aan zijn verzekeraar. Dit is een logisch en noodzakelijk uitvloeisel van de plicht van de advocaat om zich tegen beroepsaansprakelijkheid te verzekeren. Het nalaten van een tijdige melding kan immers de dekking onder de verzekering doen vervallen.
5.3 Een advocaat dient dus in beginsel een aansprakelijkheidstelling door te sturen naar zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar, ook als de advocaat zelf in de aansprakelijkheidstelling niets ziet. Wel dient een aansprakelijkheidstelling zo concreet mogelijk te zijn onderbouwd. Dat is in de onderhavige zaak ook het geval: in de brief van 4 december 2025 heeft klaagster de feitelijke grondslag van de aansprakelijkstelling en de schadeposten immers onderbouwd.
5.4 Het door verweerder gevoerde verweer dat klaagster geen cliënte van hem is, is naar het oordeel van de raad onbegrijpelijk. Klaagster is namelijk wel degelijk cliënte van verweerder geweest en de aansprakelijkstelling houdt nu juist verband met de door verweerder aan klaagster verleende rechtsbijstand, ter zake waarvan verweerder nota bene door de tuchtrechter is berispt. Verweerder wist of behoorde te weten dat ook een aansprakelijkstelling van een voormalig cliënt moet worden doorgeleid aan de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar.
5.5 Verweerder heeft verder een beroep gedaan op een beslissing van de Geschillencommissie Voertuigen van 7 oktober 2025, die volgens hem betrekking heeft op klaagsters geschil met de garage en die hij naar eigen zeggen op de ochtend van de zitting van de raad in een zoekmachine heeft gevonden. Klaagster heeft betwist dat de Geschillencommissie Voertuigen op 7 oktober 2025 in haar zaak een beslissing heeft gegeven. Klaagster heeft gesteld dat de Geschillencommissie Voertuigen wel op 12 maart 2025 een afwijzende beslissing heeft gegeven. De raad overweegt als volgt. Noch de door verweerder genoemde beslissing van 7 oktober 2025, noch de door klaagster genoemde beslissing van 12 maart 2025 maakt dat verweerder niet gehouden was om de aansprakelijkstelling door te geleiden aan zijn verzekeraar. De raad volgt verweerder namelijk niet in zijn verweer dat klaagsters aansprakelijkstelling gezien de enkele afwijzende beslissing van de Geschillencommissie iedere grond ontbeerde. Dit nog los van het feit dat verweerder naar eigen zeggen ten tijde van de aansprakelijkstelling en klaagsters verzoek om deze door te geleiden nog niet van de door hem genoemde beslissing op de hoogte was, zodat niet valt in te zien dat hij zich bij zijn eigen beslissing om te weigeren om de aansprakelijkstelling door te zenden heeft laten leiden door genoemde beslissing van de Geschillencommissie.
5.6 Verweerder had klaagsters aansprakelijkstelling kortom op korte termijn moeten doorgeleiden naar de verzekeraar. Verweerder heeft dit ondanks herhaalde verzoeken van klaagster en van de deken geweigerd en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachtonderdeel 1 is derhalve gegrond.
5.7 Klaagster verwijt verweerder verder dat hij niet heeft gereageerd op althans geen gevolg heeft gegeven aan de redelijke verzoeken van klaagster en de deken. Vast staat dat zowel klaagster als de deken, althans de stafjurist namens de deken, verweerder meermaals hebben verzocht om de aansprakelijkstelling door te geleiden aan de verzekeraar en de doorzending te bevestigen aan klaagster en de deken. Verweerder heeft dit geweigerd. Ook heeft verweerder, ondanks uitdrukkelijk verzoek van de deken, niet gereageerd op de door klaagster ingediende klacht. Daarmee staat de feitelijke grondslag van dit klachtonderdeel vast. Verweerder heeft gewezen op in zijn persoonlijke sfeer gelegen omstandigheden die maakten dat zijn prioriteiten elders lagen. Die in de persoonlijke sfeer gelegen omstandigheden, die zich naar zeggen van verweerder in maart 2026 hebben voorgedaan, maken naar het oordeel van de raad echter niet dat hij in mei 2026 niet tijdig heeft kunnen reageren en ontnemen aan verweerders handelen dan ook niet het tuchtrechtelijk verwijtbare karakter. De raad is van oordeel dat verweerders weigerachtige houding een behoorlijk advocaat niet betaamt. Ook klachtonderdeel 2 is dan ook gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft ondanks herhaalde verzoeken van klaagster en de deken geweigerd om de aansprakelijkstelling door te zenden aan de verzekeraar. Op grond van de ernst van het vastgestelde tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen en het feit dat verweerder reeds meerdere malen tuchtrechtelijk is veroordeeld acht de raad oplegging van een voorwaardelijke schorsing voor de duur van twee weken passend en geboden.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart,moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 25,- reiskosten van klaagster;
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in beide onderdelen gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van twee weken op;
- bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;
- stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. V.E.J. Noelmans, voorzitter, mrs. A.A.T. van Ginderen, S.M.P.T. Ruijs-Kreté, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 12 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 12 oktober 2026