ECLI:NL:TADRSHE:2026:120 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-511/DB/LI
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:120 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-10-2026 |
| Datum publicatie: | 12-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-511/DB/LI |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadbeslissing. Klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening grotendeels gegrond. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat hij op grove wijze is tekort geschoten in de belangenbehartiging van en de communicatie met klaagster. Aldus heeft verweerder niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Verweerder heeft bij klaagster een bedrag van € 1.500,- in rekening gebracht, terwijl onduidelijk is gebleven welke werkzaamheden hij voor klaagster heeft verricht. Gelet daarop zal aan verweerder een voorwaardelijke geldboete van € 3.000,- worden opgelegd, met als bijzondere voorwaarde dat verweerder een bedrag van € 1.500,- aan klaagster betaalt. Indien verweerder dat bedrag niet, of niet tijdig, aan klaagster heeft betaald, zal verweerder alsnog de geldboete moeten betalen. De raad gaat ervan uit dat verweerder het zover niet laat komen en zijn verantwoordelijkheid richting klaagster neemt. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 12 oktober 2026
in de zaak 26-511/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 15 juli 2025 heeft klaagster tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: “de deken”).
1.2 Op 17 juni 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-099 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 31 augustus 2026. Verschenen zijn klaagster en verweerder.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de volgende nagekomen stukken:
- de e-mail met bijlagen van verweerder van 1 juli 2026;
- de e-mail met bijlagen van klaagsters gemachtigde van 14 augustus 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster heeft zich in juli 2024 gewend tot verweerder. Klaagster werd op dat moment in haar echtscheidingszaak bijgestaan door mr. J, advocaat. Omdat in het kader van de echtscheiding ook Duitse pensioenrechten moesten worden verdeeld en klaagster een advertentie van verweerders kantoor onder ogen was gekomen waarin werd gesteld dat verweerders kantoor expertise had op het gebied van Duitse regelgeving en pensioenen, is klaagster overgestapt van mr. J naar verweerder.
2.3 Verweerder heeft bij e-mail van 28 augustus 2024 een opdrachtbevestiging aan klaagster gestuurd, luidend als volgt:
“Hierbij bevestigen wij u dat u ons verzocht heeft om uw juridische belangen verder te behandelen betreffende uw pensioen in Duitsland en de afwikkeling van de woning in Nederland. Wij zullen mr. [J] berichten.
Het spreekt voor zich dat wij u op de hoogte houden.
Met vriendelijke groeten”
2.4 Op 25 september 2024 heeft verweerder aan klaagster een voorschotnota ten bedrage van € 1.500,- gestuurd. Klaagster heeft deze nota voldaan.
2.5 Bij e-mail van 22 oktober 2024 heeft verweerder klaagster als volgt bericht:
“Bijgaande mail zend ik u zoals wij van de wederpartij ontvingen.
Met vriendelijke groet”
Aan deze e-mail was gehecht een e-mail van 15 oktober 2024 van de advocaat van de man waarbij gevoegd het door haar aangepaste echtscheidingsconvenant.
2.6 Op verzoek van klaagster is het convenant op een enkel punt aangepast. Bij e-mail van 31 oktober 2024 heeft de advocaat van de man het aangepaste convenant aan verweerder toegestuurd. Bij e-mail van 4 november 2024 heeft verweerder het aangepaste convenant aan klaagster doorgestuurd en haar als volgt bericht:
“Ter informatie zend ik onderstaande mail plus de bijlage betreffende de aanpassingen van het convenant op uw verzoek.
Erop vertrouwende u naar behoren te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet”
2.7 Bij e-mail van 8 november 2024 heeft verweerder de advocaat van de man als volgt bericht:
“Dank voor het aangepaste concept. Dit is akkoord.
Mijn cliënte zal begin januari de getekende versie aan u doen toekomen via ondergetekende. Het staat uw cliënt vrij om de financiering in de tussentijd aan te vragen.
Erop vertrouwende u hiermee naar behoren te hebben geïnformeerd.”
2.8 In het echtscheidingsconvenant is vastgelegd dat Duits recht van toepassing is. Voor wat betreft de verdeling van de pensioenrechten is in het convenant het volgende vastgelegd:
“Artikel 3. Pensioenrechten.
De vrouw heeft vóór en/of tijdens het huwelijk geen aanspraken op pensioen opgebouwd, noch ouderdoms -noch nabestaandenpensioen.
De man heeft vóór en/of tijdens huwelijk de navolgende aanspraken op ouderdoms - en nabestaandenpensioen opgebouwd:
- ABP, klantnummer [xxx]; deze bedraagt thans€ 1.080,-- bruto per jaar;
- Pensioenfonds Particuliere Beveiligingen, pensioennummer [xxx]; deze bedraagt momenteel € 1.807,80 bruto per maand.
- Duitse Renteversicherung, Versicherungsnummer [xxx], ter hoogte van momenteel € 6.544,20 bruto per jaar.
De man is sedert 28 november 2023 met pensioen en ontvangt naast de AOW bovengenoemde pensioenuitkeringen.
De man heeft bij de Nederlandse pensioenfondsen de formulieren Pensioenverevening ingevuld en opgestuurd. Gelet op het huwelijksgoederenregiem zou het kunnen dat de pensioenfondsen niet overgaan tot rechtstreekse uitkering aan de vrouw.
Partijen spreken af alsdan in overleg tot verdeling van het pensioen te komen.”
2.9 Bij e-mail van 27 januari 2025 heeft verweerder de advocaat van de man als volgt bericht:
“Kunt u ons in bovengenoemde zaak informeren inzake de pensioen-aanspraken betreffende mijn cliënte.
U reeds dankend voor de te ondernemen moeite.”
2.10 Bij e-mail van 12 februari 2025 heeft klaagster verweerder als volgt bericht:
“In aansluiting op eerdere contacten wil ik graag mijn ongenoegen uiten over onze samenwerking en het ontbreken van concrete informatie op verschillende punten.
Ik heb hiervoor advies ingewonnen bij derden, echter wil met uzelf de zaak afwikkelen.
Voortgang afwikkeling echtscheidingsconvenant
Het convenant is door mij in het najaar 2024 getekend en ik het convenant is navolgende afgesproken.
- Restant van de hypothecaire lening zal worden voldaan door mijn man en hij vrijwaart me daarvoor
- Hij ontslaat me uit de hypotheekschuld
- Er wordt binnen een maand na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de notariële akte worden verleden en ingeschreven
Alle noodzakelijke handelingen van mijn kant zijn verricht en ik wil zo snel mogelijk een concrete datum van het passeren van de akte vernemen, echter uiterlijk 28 februari 2025, zodat de uitbetaling van de restant som aan mij plaatsvindt.
Pensioenrechten
De verevening en uitbetaling van de Deutsche Rentenversicherung dient in mijn ogen direct te starten. Nu ik geen rechtstreekse aanspraak kan maken zal de uitbetaling door mijn ex-man moeten plaatsvinden, zijnde een bedrag van€ 272,68 bruto per maand wat voor 2025 nog geïndexeerd dient te worden.
De inschrijving in de registers heeft plaatsgevonden op 1o april 2024.
Kunt u ervoor zorgdragen dat de uitbetaling over de periode 10.4.2024 tot en met 31 januari 2025 binnen 2 weken plaatsvindt en de uitbetaling vanaf februari 205 maandelijks plaatsvindt en er een machtiging daarvoor door mijn ex-man wordt afgegeven en aan ons verstrekt.
Inschakeling Duitse advocaat
Kunt u mij in begrijpelijk Nederlands uitleggen waarom er een Duitse advocaat nodig is voor de uitbetaling van de pensioenrechten, nu mijn ex-man vanuit het echtscheidingsconvenant de verplichting heeft om mij rechtstreeks uit te betalen.”
2.11 Bij e-mail van 14 februari 2025 heeft verweerder klaagster als volgt bericht:
“Dank voor uw e-mail. Hopelijk gaat alles goed met u. U heeft mij benaderd om uw juridische belangen te behartigen met betrekking tot de verdeling van de opbrengst van de echtelijke woning en de verdeling van de opgebouwde pensioenrechten.
Deze werkzaamheden vallen onder de prijsafspraak van € 1500,- aangezien ik geen gefinancierde rechtsbijstand verleen. U bent daarmee akkoord gegaan.
Met de advocaten van uw ex-echtgenoot is begin januari 2025 het echtscheidingsconvenant definitief geworden. Hierin zijn alle zaken geregeld. Door mijn Duitse collega dr. G zal het formulier voor de pensioenrechten zo spoedig mogelijk worden ingediend. U kunt bij hem een afspraak maken. De kosten van indiening van dit formulier vallen onder de eerder genoemde €1500.
Nu de afspraken gemaakt zijn heeft de advocate van uw ex-man aangegeven dat haar werkzaamheden beëindigd zijn, dit geldt eveneens voor ondergetekende.
Hierbij wens ik u alle goeds.”
2.12 Bij e-mail van 18 februari 2025 heeft klaagster verweerder verzocht om aan haar te bevestigen dat hij bij de advocaat van de man had aangedrongen op urgentie en om nog te reageren op de vragen in haar e-mail van 12 februari 2025.
2.13 Op 1 april 2025 heeft dr. G, advocaat te Duitsland, een door hem aan verweerder verzonden e-mail ter kennisneming doorgestuurd aan klaagster. De tekst van de e-mail van dr. G aan verweerder luidde als volgt:
“Uit mijn onderzoek is gebleken dat de pensioenaanpassing volgens de Nederlandse wet bij de Nederlandse rechter moet worden uitgevoerd.
Theoretisch bestaat er ook een mogelijkheid om dit in Duitsland te doen.
Echter alleen in het uitzonderlijke geval van artikel 17 EGBGB.
Ik wil u daarom vragen te bevestigen dat u in Nederland de juiste stappen onderneemt.”
2.14 Begin mei 2025 heeft klaagster een brief aan verweerder gestuurd. In deze brief heeft klaagster verweerder verzocht om haar op de hoogte te houden van de voortgang en het volgende aan verweerder medegedeeld:
“Vorige week heeft, op mijn verzoek, [de heer PJ] (vrijwilliger FM) contact met u opgenomen ten aanzien van uw bemoeienis met het regelen van de afwikkeling van het scheidingsconvenant tav pensioenrechten in Duitsland en verkoop van de woning in [X].
In dat gesprek heeft u toegezegd om uiterlijk woensdag 14 mei een update te geven van de status rond de regeling van de pensioenrechten in Duitsland. In plaats daarvan heeft Dr. [G] contact opgenomen met [de heer PJ] en hem geïnformeerd. Uit opmerkingen van Dr. [G] in dat gesprek bleek, dat hij mij als zijn cliënt beschouwd en ook verdere declaraties niet uitsluit. [De heer PJ] heeft Dr. [G] nadrukkelijk uitgelegd dat alle door het te declareren kosten aan u dienen te worden gericht. Zoals u in uw gesprek met [de heer PJ] heeft bevestigd dekken de door mij betaalde € 1.500,- immers ALLE kosten om beide zaken te regelen, inclusief alle kosten die bv. in Duitsland gemaakt worden om de pensioenrechten te regelen.
Dr. [G] heeft mij geïnformeerd dat de zaak nu is ingediend bij de rechtbank van Berlin Schöneberg. Deze verdere vertraging van de afwikkeling betreur ik zeer.
Ik verzoek u vriendelijk, doch dringend, mij op de hoogte te houden van de voortgang. U hebt tenslotte de opdracht aanvaard om dit te regelen tegen de afgesproken vergoeding en bent mijn aanspreekpunt in deze.”
2.14 Bij e-mail van 8 mei 2025 heeft verweerder klaagster als volgt bericht:
“Zojuist heb ik u telefonisch gesproken, u gaf daarbij aan dat u niet langer van onze diensten gebruik wenst te maken. Dat respecteren wij.
Wij wensen u alle goeds toe.”
2.15 Bij e-mail van 16 juni 2025 heeft klaagster bij verweerder haar ongenoegen geuit over de wijze waarop hij haar had bijgestaan. In deze e-mail heeft klaagster bovendien diverse vragen gesteld met het verzoek om deze binnen 14 dagen te beantwoorden.
2.16 Een nota ten bedrage van € 116,-- ter zake griffierecht in verband met de gerechtelijke procedure bij de rechtbank in Berlijn is voldaan door verweerders kantoor.
2.17 Op 15 juli 2025 heeft klaagster tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:
1. Verweerder heeft vragen en verzoeken van klaagster vaak onbeantwoord gelaten;
2. Verweerder heeft een aantal beloofde acties niet uitgevoerd, terwijl daarvoor wel een opdracht was verstrekt;
3. Er zouden geen kosten meer volgen, maar klaagster werd toch nog geconfronteerd met een factuur van een Duitse instantie;
4. Een collega van verweerder heeft klaagster onder druk gezet en heeft zich op momenten intimiderend opgesteld;
5. Klaagster heeft aanzienlijke financiële schade geleden als gevolg van het uitblijven van adequate juridische bijstand;
6. Klaagster heeft meerdere pogingen gedaan om tot een oplossing te komen, maar heeft geen bevredigende reactie mogen ontvangen;
7. Verweerder heeft van meet af aan geen werkzaamheden uitgevoerd, ondanks dat de opdrachtbevestiging is ondertekend en de facturen zijn betaald;
8. Klaagster heeft niet meer met verweerder in contact kunnen komen.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Toetsingskader
Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.3 Klachtonderdelen 2, 3 en 7 – kwaliteit bijstand
De klachtonderdelen 2, 3 en 7 hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Deze klachtonderdelen hebben betrekking op de wijze waarop verweerder aan klaagster rechtsbijstand heeft verleend. Klaagster verwijt verweerder samengevat dat hij niet heeft gedaan wat was afgesproken en dat zij na betaling van een bedrag van € 1.500,- werd geconfronteerd met kosten, terwijl verweerder had toegezegd de hele zaak voor het door klaagster betaalde bedrag van € 1.500,- zou afwikkelen. Klaagster heeft gesteld dat verweerder haar had toegezegd dat hij afspraken over de verdeling van de woning en van de pensioenrechten (waaronder die in Duitsland) zou vastleggen en de verdeling van de pensioenrechten ook zou afwikkelen en dat hij dit niet heeft gedaan. Klaagster heeft toegelicht dat zij op basis van een advertentie, waarin verweerders kantoor zich profileerde als een kantoor met expertise op het gebied van Duitse regelgeving en pensioenen, heeft besloten om met verweerder in zee te gaan en dat zij ervan uitging dat verweerder haar zaak (ook in Duitsland) zou afwikkelen. Verweerder heeft het bestaan van de door klaagster genoemde advertentie niet betwist. Verweerder heeft gesteld dat hij mondeling aan klaagster heeft medegedeeld dat, als de man geen medewerking zou verlenen aan de afwikkeling van de verdeling van de Duitse pensioenrechten, dan een Duitse advocaat zou moeten worden ingeschakeld. Klaagster heeft echter uitdrukkelijk betwist dat verweerder dit aan haar heeft medegedeeld en van een dergelijke mededeling blijkt ook niet uit de aan de raad overgelegde stukken.
5.4 De raad overweegt dat gedragsregel 16 bepaalt dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Indien de advocaat dit verzuimt, komt het bewijsrisico daaromtrent op de advocaat te rusten. Verweerder heeft de opdracht niet op deugdelijke wijze schriftelijk vastgelegd, noch is gebleken dat verweerder zijn inschatting van de goede en kwade kansen en een (eerste) advies of plan van aanpak met klaagster heeft besproken en vervolgens schriftelijk heeft vastgelegd. Ook heeft verweerder niets vastgelegd over de financiële gang van zaken, waaronder het honorarium, de vraag of klaagster al dan niet in aanmerking komt voor een toevoeging en eventuele bijkomende kosten, zoals griffierechten. Uit niets blijkt dat verweerder klaagster erop heeft gewezen dat zij er rekening mee moest houden dat de behandeling van de zaak op enig moment zou moeten worden overgedragen aan een Duitse advocaat. De raad constateert kortom dat verweerder heeft verzuimd om de inhoud van hetgeen met klaagster is besproken en afgesproken deugdelijk schriftelijk vast te leggen. Dat heeft tot gevolg dat de raad uitgaat van de juistheid van klaagsters stellingen over de inhoud van de gemaakte afspraken, die volgens klaagster inhielden dat verweerder afspraken over de verdeling van de woning en van de pensioenrechten, ook die in Duitsland, zou vastleggen en de verdeling van de pensioenrechten ook (zelf) zou afwikkelen.
5.5 Verweerder heeft de verwijten van klaagster weersproken en heeft gesteld dat hij volledig heeft voldaan aan zijn professionele verplichtingen, maar naar het oordeel van de raad heeft verweerder de raad volstrekt onvoldoende inzicht gegeven in de wijze waarop hij klaagster heeft geadviseerd en bijgestaan. Verweerder stelt dat hij klaagster heeft begeleid in de totstandkoming van het convenant en de verdeling van de woning en de pensioenrechten, maar klaagster heeft dit betwist en uit de stukken blijkt dit ook niet. Verweerder heeft ook desgevraagd ter zitting niet concreet kunnen maken welke werkzaamheden hij nu feitelijk heeft verricht. Uit de overgelegde stukken blijkt niet alleen dat verweerder er niet alleen niet op heeft toegezien dat klaagsters aanspraken op verdeling van de pensioenrechten en de wijze waarop die verdeling moest worden geëffectueerd op deugdelijke wijze in het convenant werden vastgelegd, maar dat verweerder ook niets heeft gedaan na de ondertekening van het convenant, hetgeen klaagster wel verwachtte en ook mocht verwachten.
5.6 Gelet op het feit dat verweerder in het geheel niets heeft vastgelegd over de financiële gang van zaken, hoefde klaagster er geen rekening mee te houden dat zij na betaling van de (voorschot-)nota van € 1.500,- nog zou worden geconfronteerd met kosten. Dat verweerders kantoor (uiteindelijk) de nota ter zake van het griffierecht heeft voldaan, neemt niet weg dat verweerder een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van het feit dat hij klaagster niet naar behoren heeft geïnformeerd over de te verwachten kosten.
5.7 Op grond van dit alles is de raad van oordeel dat de klachtonderdelen 2, 3 en 7 gegrond moeten worden verklaard.
5.8 Klachtonderdelen 1, 6 en 8 – communicatie
De klachtonderdelen 1, 6 en 8 hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Deze klachtonderdelen hebben betrekking op de communicatie, waarin verweerder volgens klaagster is tekortgeschoten. Verweerder heeft ook deze klachtonderdelen weersproken. Verweerder heeft naar voren gebracht dat zijn secretariaat heeft verklaard dat er sprake is geweest van intensief contact tussen klaagster en verweerder, maar klaagster heeft dit betwist en van de feitelijke juistheid van verweerders stelling blijkt ook niet uit de aan de raad overgelegde stukken. De raad concludeert uit de zeer summiere correspondentie dat verweerder, ondanks herhaald verzoek en meerdere pogingen van klaagster, vragen van klaagster onbeantwoord heeft gelaten. Dat verweerder klaagster op de hoogte heeft gehouden van de voortgang en het verloop van de zaak, meer in het bijzonder de stand van zaken van de verdeling van de pensioenrechten, is niet gebleken. Uit de overgelegde stukken blijkt voorts niet van enige reactie van verweerder op klaagsters e-mail van 16 juni 2025, waarin zij bij verweerder haar ongenoegen heeft geuit over de wijze waarop hij haar had bijgestaan en waarin zij bovendien diverse vragen aan verweerder heeft gesteld met het verzoek om deze binnen 14 dagen te beantwoorden. Dit alles maakt naar het oordeel van de raad dat verweerder in ernstige mate is tekortgeschoten in de communicatie met klaagster. De klachtonderdelen 1, 6 en 8 zijn dan ook eveneens gegrond.
5.9 Klachtonderdeel 4 – bejegening door collega
Klaagster verwijt verweerder dat een collega van verweerder klaagster onder druk heeft gezet en zich intimiderend heeft opgesteld. Verweerder heeft dit verwijt weersproken. De raad overweegt dat een advocaat enkel tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn eigen handelen. Omdat dit klachtonderdeel betrekking heeft op het optreden van een kantoorgenoot en niet op dat van verweerder, kan klaagster in dit klachtonderdeel niet worden ontvangen. De raad zal dit klachtonderdeel dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
5.10 Klachtonderdeel 5 - schade
Klaagster verwijt verweerder tot slot dat zij als gevolg van het uitblijven van adequate juridische bijstand aanzienlijke financiële schade heeft geleden. Naar het oordeel van de raad heeft klaagster dit verwijt onvoldoende onderbouwd, zodat dit klachtonderdeel niet gegrond kan worden verklaard. Klachtonderdeel 5 is derhalve ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat hij op grove wijze is tekort geschoten in de belangenbehartiging van en de communicatie met klaagster. Aldus heeft verweerder niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Verweerder heeft bij klaagster een bedrag van € 1.500,- in rekening gebracht, terwijl onduidelijk is gebleven welke werkzaamheden hij voor klaagster heeft verricht. Gelet daarop zal aan verweerder een voorwaardelijke geldboete van € 3.000,- worden opgelegd, met als bijzondere voorwaarde dat verweerder een bedrag van € 1.500,- aan klaagster betaalt. Indien verweerder dat bedrag niet, of niet tijdig, aan klaagster heeft betaald, zal verweerder alsnog de geldboete moeten betalen. De raad gaat ervan uit dat verweerder het zover niet laat komen en zijn verantwoordelijkheid richting klaagster neemt.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht deels gegrond verklaart,moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klaagster;
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel 4 niet-ontvankelijk;
- verklaart de klachtonderdelen 1, 2, 3, 6, 7 en 8 gegrond;
- verklaart klachtonderdeel 5 ongegrond;
- legt aan verweerder een geldboete op van € 3.000,-, met dien verstande dat:
- verweerder deze geldboete niet verschuldigd is indien hij binnen 4 weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak aan klaagster een bedrag van € 1.500,- heeft betaald;
- indien verweerder deze bijzondere voorwaarde niet tijdig heeft nageleefd, dient verweerder bovenbedoeld boetebedrag binnen 8 weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing te betalen op rekeningnummer NL05INGB 0705 0039 81 t.n.v. Ministerie van Justitie en Veiligheid, onder vermelding van “Tuchtrechtelijke boete advocatuur, DGRR,” en het zaaknummer;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. V.E.J. Noelmans, voorzitter, mrs. A.A.T. van Ginderen, S.M.P.T. Ruijs-Kreté, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 12 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 12 oktober 2026