ECLI:NL:TADRSHE:2026:118 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-010/DB/ZWB/D 26-663/DB/ZWB/D
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:118 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-10-2026 |
| Datum publicatie: | 12-10-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Samenhang met beslissing op klachten 25-009 en 26-453/DB/ZWB. Gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten ter zake van het optreden van verweerder tijdens zijn piketdienst, het optreden van verweerder in het schuldbemiddelingstraject van mevrouw Z en de daarmee samenhangende klacht, het optreden van verweerder bij de afwikkeling van de (klacht-)zaak van mevrouw G, de communicatie met en het verlenen van medewerking aan onder andere de deken en de naleving van de regelgeving ter zake derdengelden. De in de onderhavige dekenbezwaren gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten rechtvaardigen oplegging van een zware maatregel. Verweerder heeft gedurende lange periode en op meerdere manieren het vertrouwen in de advocatuur geschaad. De raad is van oordeel dat de door verweerder geschetste persoonlijke omstandigheden geen rechtvaardiging vormen voor de gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten. Verweerders handelwijze is temeer verwijtbaar omdat hem eerder, na de behandeling van het dekenbezwaar op 24 februari 2025, uitdrukkelijk de gelegenheid is geboden zijn gedrag te verbeteren en hij heeft toegezegd dat ook te zullen doen. Van de beloofde verbetering is echter niet gebleken, terwijl verweerder met zijn houding ter zitting van de raad er geen blijk van heeft gegeven het laakbare van zijn handelen daadwerkelijk in te zien. Gelet op de samenhang met de klachten in de klachtzaken 26-453/DB/ZWB en 25-009/DB/ZWB, waarin door de raad bij beslissingen van vandaag aan verweerder een voorwaardelijke schorsing voor de duur van twee weken respectievelijk een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van zes weken worden opgelegd, zal de raad in de onderhavige beslissing op de dekenbezwaren volstaan met oplegging van een schorsing voor de duur van 26 weken, waarvan 13 weken voorwaardelijk. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 12 oktober 2026
in de zaken 25-010/DB/ZWB/D en 26-663/DB/ZWB/D
naar aanleiding van de bezwaren van:
de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant
deken
over:
verweerder
gemachtigde: mr. P.A. Groenhuis, advocaat te Breda
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Bij brief aan de raad van 8 januari 2025 met kenmerk K24-073 heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant, hierna: “de deken”, tegen verweerder een dekenbezwaar bij de raad ingediend.
1.2 Partijen zijn opgeroepen voor de behandeling van het dekenbezwaar ter zitting van 24 februari 2025.Verschenen zijn de deken, vergezeld van mr. K, stafjurist van het Bureau van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant, en verweerders gemachtigde, mr. G, advocaat. Ter zitting heeft de raad het door partijen geformuleerde verzoek om aanhouding voor onbepaalde tijd gehonoreerd. Van hetgeen ter zitting van 24 februari 2025 is besproken is proces-verbaal opgemaakt.
1.3 Op 25 maart 2026 heeft de deken de raad verzocht om voortzetting van de behandeling van het dekenbezwaar. Bij brief van 29 juli 2026 met kenmerk K26-080 heeft de deken een tweede dekenbezwaar bij de raad ingediend. De raad heeft dit tweede dekenbezwaar in behandeling genomen met kenmerk 26-663/DB/ZWB/D. Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor de mondelinge behandeling van de beide dekenbezwaren op 31 augustus 2026.
1.4 Verschenen zijn de deken, vergezeld van mr. K, stafjurist van het Bureau van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant, en verweerders gemachtigde, mr. G, advocaat. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.5 De raad heeft kennisgenomen van:
- de onder 1.1 genoemde brief van de deken van 8 januari 2025 met bijlagen;
- een afschrift van de brief van de verweerders gemachtigde aan de deken van 20 februari 2025;
- de e-mail met bijlagen van de deken van 10 augustus 2026.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de bezwaren van de deken wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan:
2.1 De in de onderhavige dekenbezwaren aan de orde zijnde feiten hebben samengevat betrekking op (1) het optreden van verweerder tijdens zijn piketdienst op 27 februari 2024 (2) het optreden van verweerder in het schuldbemiddelingstraject van mevrouw Z en de daarmee samenhangende klacht, (3) het optreden van verweerder bij de afwikkeling van de (klacht-)zaak van mevrouw G, en (4) de communicatie met en het verlenen van medewerking aan onder andere de deken.
2.2 Piketdienst
Verweerder heeft op 27 februari 2024 piketdienst gehad. Verweerder heeft op die dag 8 piketmeldingen geaccepteerd. Op 1 maart 2024 heeft de heer V, teamleider binnen het politieteam Midden-West-Brabant namens twee teamleden een signaal gegeven over de wijze waarop verweerder zich op 27 februari 2024 had gedragen. Dit signaal van de heer V luidde als volgt:
“Zie onderstaande beide mails over het optreden van [verweerder]. Dit heeft geleid tot een voor de politie onwerkbare situatie en mijns inziens nadeel voor cliënten. Onderzoeken liepen onnodig lang uit, vrijheidsbeneming duurde daarmee langer dan noodzakelijk en er zijn meerdere indicaties dat [verweerder] gelijktijdig fysiek en middels zijn telefoon werkzaamheden, mogelijk verhoorbijstand, heeft verricht c.q. geleverd.”
Bij de e-mail van de heer V was gevoegd een tweetal e-mails van zijn teamleden, de heer S en de heer W. De e-mail van de heer S luidde als volgt:
“Vandaag heeft het Flex team in samenwerking met alle basisteams een grote actiedag gedraaid. Daarbij zijn 4 verdachten aangehouden voor grootschalige import/export van zowel soft als harddrugs, en het fabriceren er van. Allen zijn deze ochtend omstreeks 06.00 uur aangehouden voor het onderzoek. Tijdens de voorgeleidingen hebben alle verdachte aangegeven een piket advocaat te willen. Zodoende accepteerde 1 advocaat alle meldingen. Vervolgens probeerde wij meerdere afspraken te plannen, echter was dit onmogelijk. Want de advocaat had nog 4 verdachten. Dus in totaal 8 cliënten.
Tot en met 12:00 uur hebben wij meerdere keren gebeld om een afspraak te plannen. Elke keer kregen wij te horen dat hij doende was met consultatiebijstand. Tijdens deze gesprekken hebben wij er op gestuurd om een melding af te staan, dan wel een kantoor genoot in te schakelen. Dit ging niet gebeuren. Vervolgens kreeg ik te horen dat in ons onderzoek het eerste verhoor om 13:00 uur ging plaatsvinden,
(…)
Uiteindelijk kregen wij om 15:30 uur te horen dat hij pas klaar was met het eerste verhoor. Dat hij eerst het verhoor van 15.00 uur ging doen, omdat mijn verhoorplan te lang was. Dus kortom, omdat ons verhoor te lang was in het onderzoek moesten wij maar wachten. Zodoende besloten ik om terug te gaan naar het basisteam en de zaak over te dragen aan de late dienst. Omstreeks 16:00 uur, kreeg ik een bericht van de advocaat dat hij beschikbaar was voor mijn verhoor, terwijl hij nog in verhoor zat met een ander client. Dit weet ik omdat bij toeval een collega van mijn afdeling het verhoor af nam. lk stuurde de advocaat een bericht dat het verhoor niet door ging en dat ik een nieuwe afspraak wilde maken voor vanavond 19:00 uur. Dit vond de advocaat niet goed want hij had dan een verhoor gepland staan in [plaatsnaam]. Morgen had hij tijd. Kortom: dit is niet werkbaar. Een advocaat die alle meldingen accepteert en zich bemoeid met de inhoud van het verhoor. (…) Op dit moment is nog maar een klein deel gehoord en moet alles verschoven worden naar morgen. Niet wenselijk voor de verdachte, maar ook niet voor de planning.”
De e-mail van de heer W luidde als volgt:
“(…) De piketmelding werd om 08:53 uur geaccepteerd door [verweerder]. Door een collega werd er telefonisch contact opgenomen met [verweerder] om een afspraak te kunnen maken voor eventuele verhoor. [Verweerder] deelde mede dat hij om 10:00 uur al een verhoor had dus daarna kon het eventuele plaatsvinden. Er werd besloten om contact te houden hierover. Om 10:49 uur, besloot ik telefonisch contact te leggen met [verweerder] om de stand van zaken te bespreken omtrent het verhoor. lk hoorde [verweerder] mij vertellen dat het verhoor waar hij nu aan deelnam afrondend was en hij nog eerst 4 consulten moest verrichten. Hij vertelde mij dat hij aan ons verhoor 'voorrang' wilde geven gezien de ernst van de feiten waar het bij client [K] om ging. Ik hoorde [verweerder] zeggen dat zijn cliënt ook verhoorbijstand wilde hebben. In overleg werd besloten dat [verweerder] contact zou leggen met ons als hij klaar was met consult en aan het verhoor kon deelnemen.
Vervolgens werd er niks vernomen van verweerder. Om 12:45 uur besloot ik hem te bellen maar er werd niet opgenomen. Twee minuten later probeerde ik het weer met hetzelfde resultaat, geen gehoor. Gezien het feit het een vrij uitgebreide verklaring was van cliënt [K], werd iom de HOVJ besloten om aan [K] te vragen, ook omwille van de tijd en in zijn voordeel ivm mogelijke inverzekeringstelling gezien de uitloop, of er begonnen kon worden met het persoonlijk verhoor. [K] wilde dit graag en stemde hiermee in. Dit is opgenomen in het verhoor en later nog besproken met de advocaat. Er werd begonnen met het persoonsgerichte deel van het verhoor waarin aan client GEEN vragen werden gesteld betreffende het strafbare feit(en). Dit was omstreeks 13:00 uur. Tijdens dit gedeelte van het verhoor geen terugkoppeling gekregen van [verweerder]. Om 13:37 uur, was [verweerder] aanwezig bij het verhoor waardoor het verhoor met het zakelijke gedeelte kon aanvangen. Dit nadat mijn collega telefonisch met hem had gesproken dat wij zijn client [K] wilde gaan verhoren over het zakelijke gedeelte. Wat mij opviel was dat verweerder binnenkwam en vroeg of hij telefonisch kon bijwonen. Ik gaf aan dat hij dat aan zijn client moest vragen, wat zijn wens was, [verweerder] besloot vervolgens fysiek aan te sluiten. Direct toen we begonnen met het verhoor moest verweerder zijn 'oortjes' halen uit een andere ruimte. Hierdoor moest het verhoor even stilgelegd worden. Dit frustreerde ons omdat client/verdachte graag zijn verhaal wilde doen maar nu weer moest wachten. Toen verweerder terugkwam werden de oortjes aangesloten en hoorde ik [verweerder] antwoord geven via de oortjes. Blijkbaar was hij dus met een andere zaak aan het meeluisteren. Tijdens het verhoor hoorde ik [verweerder] vaker antwoord geven op vragen die hem gesteld werd in zijn 'oortjes'. Wat mij op meeste bij bleef in het bezoek van [verweerder], was het feit dat hij tijdens het verhoor, plotseling opstond en zei 'ik schors het verhoor'. Hij liep vervolgens de kamer uit. lk en mijn collega keken elkaar aan en begrepen er niks van. Ook omdat [verweerder] niet met zijn client ging overleggen, er werd ons niks gezegd/verteld en [verweerder] liep gewoon de kamer uit. Dit was om 14:32 uur. Om 14:37 uur kwam [verweerder] weer terug. Hierna kon het verhoor verder gaan en afgerond worden.
(…) Al met al was het totaal niet werkbaar zo met [verweerder], dat zelfs ook client [K] dit opviel. (…)”
2.3 Op 3 juni 2024 heeft de (toenmalige) deken telefonisch contact opgenomen met verweerder om het signaal te bespreken. Verweerder heeft toegezegd om uiterlijk op 21 juni 2024 een schriftelijke reactie aan de deken te geven. Omdat verweerder die toezegging niet was nagekomen, heeft de stafjurist verweerder bij e-mail van 9 juli 2024 verzocht om alsnog uiterlijk op 12 juli 2024 schriftelijk te reageren. Ondanks rapellen van de deken van 19 juli en 9 september 2024 heeft verweerder niet meer gereageerd. Bij e-mail van 16 september 2024 heeft de stafjurist een dekenbezwaar aangezegd.
2.4 Bij e-mail van 16 september 2024 heeft verweerder alsnog als volgt gereageerd:
“In de loop van 27 februari 2024 kwamen er bij ondergetekende geen 8 piketmeldingen binnen, maar 10. De meldingen voor Politiebureau [plaats] en voor Politiebureau [plaats] heb ik doorgeleid naar andere advocaten. De overige 8 kwamen binnen in een groep van vier, wegens een "grote actiedag" met vier verdachten in een zaak, en daarnaast een viertal afzonderlijke meldingen. (…) Omdat het zwijgende verdachten betrof, mocht ik ervanuit gaan dat de verhoren niet erg lang hoefden te duren.
Het eerste verhoorteam heeft het verhoor met de zwijgende verdachte maar liefst 2,5 uur laten duren, van 13,00 uur tot 15.30 uur. (…) Hierdoor werd de start van de andere 3 verhoren in die zaak onnodig lang vertraagd. (…)
De dag werd voorts geplaagd door:
-technische storingen in het politiesysteem, w.o. niet-functionerende printers!
-een bevel beperkingen van later die dag, dat niet aan mij was doorgegeven, waardoor ik het overleg met een van de medeverdachten tussentijds moest onderbreken om me -middels collegiaal overleg- ervan te vergewissen, hoe hiermee verder om te gaan. (…)
lk heb regie genomen over een aantal praktische zaken, omdat ik voorzag dat de door de rechercheurs veroorzaakte vertragingen nadelig zouden zijn voor de verdachten. In dat kader heb ik o.m. een pauze ingelast om elders de PV-tekst te kunnen lezen, dewelke alleen op beeldscherm kon worden gecorrigeerd; printers functioneerden die dag immers niet. Ook heb ik -met toestemming van de betreffende verdachte- oortjes gebruikt om het verhoor van één van de zwijgende verdachten te kunnen volgen.
Geen enkele van de 10 verdachten van 27-2-24 heeft een extra dwangmiddel opgelegd gekregen, dat niet zou zijn opgelegd indien deze vertragingen niet waren ontstaan.”
2.5 Bij e-mail van 2 oktober 2024 heeft de deken verweerder opgeroepen voor een bespreking op 16 oktober 2024 om 15.00 uur en hem verzocht om zijn aanwezigheid binnen drie werkdagen te bevestigen. Omdat een reactie was uitgebleven heeft de deken twee maal een rappel aan verweerder verzonden waarna verweerder de deken op 11 oktober 2024 heeft bericht: “Ik zal er zijn”.
2.6 Op 16 oktober 2024 om 15.00 uur is verweerder niet op de afspraak met de deken verschenen. Op 16 oktober 2024 om 16.03 uur heeft verweerder aan de deken een e-mail gestuurd met de volgende tekst:
“Goh, ik zit nu op de Rb, denkend dat de afspraak om 16.00 uur was...”
Bij de e-mail was gevoegd een foto van een horloge.
2.7 Mevrouw Z
Verweerder houdt zich als advocaat bezig met schuldbemiddeling. In januari 2022 heeft mevrouw Z zich samen met haar toenmalige echtgenoot de heer A tot verweerder gewend voor schuldbemiddeling. Op 12 januari 2022 hebben mevrouw Z en de heer A een “Schuldhulpverleningscontract” met verweerders kantoor gesloten. In het “Schuldhulpverleningscontract” is een “Overeenkomst van Schuldbemiddeling” opgenomen, waarin het volgende is bepaald:
“1. Voor de totstandkoming van een schuldhulpverleningsplan wordt [Advocatenkantoor] gemachtigd door ondergetekende(n) om in overleg te treden met de daarbij betrokken organisaties en personen en namens ondergetekende(n) betalingsafspraken te maken. [Advocatenkantoor] mag hierbij informatie verstrekken aan belanghebbenden over de inhoud en voortgang van de schuldhulpverlening.
2. Cliënt(en) en [Advocatenkantoor] zijn verplicht zich maximaal in te spannen om de schuldbemiddeling te laten slagen.
3. U bent bereid uw maximale aflossingscapaciteit aan te wenden voor de aflossing van uw schulden.
4. Aan de schuldbemiddeling zijn geen kosten voor uw verbonden, tenzij uitdrukkelijk anders overeengekomen.”
2.8 In februari 2022 is een echtscheidingsprocedure gestart tussen mevrouw Z en de heer A.
2.9 In maart 2022 heeft verweerder de schuldeisers aangeschreven.
2.10 In het najaar van 2022 is de gezamenlijke woning verkocht, die in het voorjaar 2023 is getransporteerd. Op 27 februari 2023 heeft de notaris de netto-opbrengst van de woning (€ 108.866,37) overgemaakt aan de derdengeldenrekening van verweerder.
2.11 Op 30 maart 2023 zijn mevrouw Z en de heer A een echtscheidingsconvenant overeengekomen. Daaruit volgt onder meer:
“(…) In de loop van ons huwelijk zijn schulden ontstaan. Onze echtelijke woning is reeds verkocht. De opbrengst daarvan (na aftrek van de verkoopgerelateerde kosten en de aflossing van de hypothecaire schuld waarvoor het huis was ondergezet) staat ter beschikking van de reeds ingezette schuldenregeling. (…)”
2.12 Op 30 maart 2023 heeft verweerder een factuur van € 12.100,- opgesteld voor zijn werkzaamheden.
2.13 Op 3 april 2023 heeft verweerder de heer A verzocht of hij de factuur kon verrekenen met het geld op de derdengeldenrekening. De heer A heeft diezelfde dag akkoord gegeven, waarna verweerder op 4 april 2023 is overgegaan tot verrekening.
2.14 Op 24 oktober 2023 heeft verweerder een bedrag van € 7.000,- uitgekeerd aan de heer A voor het betalen van één maand huur, de borgsom en verhuis- en herinrichtingskosten (respectievelijk € 1.600,-, € 3.200,- en € 2.200,-). Mevrouw Z is niet gevraagd om instemming met de betaling.
2.15 Verweerder heeft in een betalingsvoorstel van 27 november 2023 € 80.000,- van de netto-opbrengst gereserveerd voor de betaling van schuldeisers. Het resterende bedrag van € 9.766,37 heeft verweerder is gedeeltelijk gereserveerd voor mevrouw Z (€ 7.000,--) en onvoorziene kosten (€ 2.766,37).
2.16 Op 30 april 2024 heeft het Sociaal Wijkteam verweerder geprobeerd te bereiken en een terugbelverzoek achtergelaten.
2.17 Op 10 oktober 2024 heeft de heer A aan verweerder geschreven:
“Ik verzoek u om zo spoedig mogelijk de netto opbrengst van de woning uit te betalen aan de schuldeisers volgens de regeling die wij met hen hebben getroffen.
Met netto opbrengst bedoel ik het bedrag van € 80.000,- omdat er nog € 7.000,- apart moet blijven voor mijn ex partner en er ook nog wat geld beschikbaar moet blijven voor mogelijke procedures (ongeveer 2766 euro voor onvoorziene kosten). Mochten er geen onvoorziene kosten zijn, dan kunnen wij die 2766 euro na betalen aan de schuldeisers.”
2.18 Op 25 juni 2024 heeft mevrouw Z tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken. De deken heeft verweerder verzocht om uiterlijk op 4 september 2024 op de klacht te reageren. Verweerder heeft niet gereageerd. Op 6 september 2024 heeft de deken verweerder verzocht om alsnog binnen tien dagen te reageren. Omdat een reactie van verweerder wederom niet binnen de gestelde termijn werd ontvangen, heeft de deken bij e-mail van 16 september 2024 een dekenbezwaar aangezegd. Op 16 september 2024 heeft verweerder alsnog op de klacht van mevrouw Z gereageerd. Bij e-mail van 18 september 2024 heeft de deken naar aanleiding van het door verweerder gevoerde verweer vragen gesteld aan verweerder, met het verzoek om uiterlijk op 25 september 2024 te reageren. Verweerder heeft niet gereageerd. Bij e-mail van 27 september 2024 heeft de deken klaagster in de gelegenheid gesteld om te repliceren. Bij brief van 14 oktober 2024 heeft verweerder alsnog de vragen van de deken beantwoord. Nadat van klaagster een repliek was ontvangen, heeft de deken verweerder bij e-mail van 29 oktober 2024 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 19 november 2024 te dupliceren. Verweerder heeft niet gereageerd, waarna de deken de instructiefase heeft gesloten en een dekenstandpunt aan partijen heeft gestuurd. Het klachtdossier is vervolgens doorgezonden aan de raad.
2.19 De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 24 februari 2025. Bij beslissing van 7 april 2025 (ECLI:NL:TADRSHE:2025:60) heeft de raad de klacht ambtshalve aangevuld en de zaak terugverwezen naar de deken met het verzoek het aangevulde klachtonderdeel en de daarmee samenhangende feiten te onderzoeken en de raad vervolgens schriftelijk over de uitkomsten van het onderzoek te informeren. De deken heeft naar aanleiding van de tussenbeslissing van de raad van 7 april 2025 aan de Unit FTA opdracht gegeven om een onderzoek te doen naar verweerders praktijk. De Unit FTA heeft op 7 april 2026 een rapport uitgebracht. Voor zover voor de onderhavige dekenbezwaren van belang zijn in het rapport de volgende bevindingen vermeld:
(…)
Een concept-onderzoeksrapport is op 16 maart 2026 aan [verweerder] toegezonden met de uitnodiging om daarover uiterlijk 30 maart 2026 een verklaring af te leggen. [Verweerder] was tevens verzocht om de Rapporteur te informeren als hij geen verklaring wenst af te leggen. De Rapporteur heeft tot en met 6 april 2026 geen reactie ontvangen. Op 7 april 2026 is het rapport daarom definitief gemaakt.
(…)
Dossier [mevrouw Z/de heer A]
Deze zaak was de aanleiding voor de Raad van Discipline om de deken te verzoeken nader onderzoek te doen naar het gebruik van de derdengeldenrekening door [Advocatenkantoor M].
In dit dossier hebben de cliënten echtelieden [mevrouw Z/de man] op 12 januari 2022 een schuldhulpverleningscontract getekend. Hierin is onder meer de bepaling opgenomen dat de cliënten zich verplichten "om na het intakegesprek z.s.m. een betaalrekening te openen bij SNS Bank of bij ASN Bank (via internet)…..Ten laste van het saldo van deze budgetbeheerrekening zullen de
betalingen aan de schuldeisers worden gedaan".
In het dossier is een echtscheidingsovereenkomst aanwezig, gedateerd 30 maart 2023, waarin onder meer is beschreven: "In de loop van ons huwelijk zijn schulden ontstaan. Onze echtelijke woning is reeds verkocht. De opbrengst daarvan (na aftrek van de verkoopgerelateerde kosten en de aflossing van de hypothecaire schuld waarvoor het huis was ondergezet) staat ter beschikking van de reeds ingezette schuldenregeling. Wij zijn ons ervan bewust dat het bedrag van de schulden waarschijnlijk hoger is dan de opbrengst van het huis.".
[Verweerder] heeft verklaard: "De verwachting was dat de overwaarde van de woning voldoende was om alle schuldeisers ineens 100% te betalen. Dan is geen beheerrekening nodig. Dit bleek pas anders nadat de notaris met de beslagleggers had afgerekend. Maar ook toen was er nog een dusdanig groot bedrag beschikbaar dat dit voldoende leek om met betaling van dit bedrag ineens tot een minnelijk akkoord te kunnen komen. Partijen waren tezelfdertijd verwikkeld in een echtscheiding, zodat zij aan geen van hen beiden de gelden wilden toevertrouwen. In plaats daarvan wilden zij -en hun beider advocaten- dat het op mijn derdenrekening zou worden betaald, zodat zij zekerheid hadden dat de opbrengst aan schuldeisers zou toekomen, door het van hieruit rechtstreeks aan schuldeisers te betalen".
Onderzoeker heeft een email van 24 februari 2023 ingezien van [Z Notarissen] waarin het volgende is opgenomen: "Bij akte van levering vandaag voor mr. [B] verleden is de bovengenoemde woning van [mevrouw Z en de heer A] overgedragen aan kopers. Genoemde cliënten hebben ons geïnformeerd dat de netto verkoopopbrengst ad € 108.866,37 niet aan hen zelf mag worden overgemaakt in verband met schuldhulpverlening maar dient te worden gestort op een derdengelden rekening van advocaat [verweerder], advocaat bij [Advocatenkantoor M]."
Op 27 februari 2023 is door [Z Notarissen] € 108.866 gestort op de derdengelden rekening. Dit betrof de overwaarde die resteerde bij de verkoop van het huis van cliënten. Op 4 april 2023 is factuur 52022016 voor een bedrag van € 12.100 verrekend. Hiervoor is schriftelijke instemming van [de heer A] verkregen, niet van [mevrouw Z]. Op 24 oktober 2023 is € 7.000 overgemaakt naar [de heer A] onder vermelding van 'huur1600 +2x waarborgsom+ 2200 verhuis en herinrichtingskosten'. [De heer A] kan worden beschouwd als een van de rechthebbenden hoewel [mevrouw Z] geen schriftelijke toestemming voor deze overboeking heeft gegeven. Op 28 mei 2025 is een tweetal declaraties verrekend, 2025011 en 2025016, voor een totaalbedrag van € 2.750. Hoewel [verweerder] op 18 maart 2025 een verzoek tot verrekening van de declaraties had gedaan aan [de heer A], is de schriftelijke toestemming hiervoor niet gegeven (en ook niet door [mevrouw Z]).
[Verweerder] heeft op 26 januari 2026 in een email verklaard: "Het bedrag van [sic] staat nog geparkeerd, omdat [mevrouw Z] geen toestemming geeft tot uitbetaling ervan aan de schuldeisers, overeenkomstig het betalingsplan. Partijen hebben tot dusver geen overeenstemming bereikt over de bestemming van de gelden. Omdat een handeling te dien aanzien tevens een verdeling van een gemeenschap betekent, dienen beide partijen gezamenlijk eenduidig te beslissen of dient er door een gerechtelijk vonnis een verdeling tot stand gebracht te worden."
[Verweerder] heeft aangegeven dat zolang de echtelieden het niet eens zijn over een verdeling, het resterende bedrag in dit dossier € 87.016, op de derdengeldenrekening moet blijven staan. Het is voor de Rapporteur niet duidelijk of dit standpunt van [verweerder] formeel juist is of dat sprake is van parkeren van derdengelden. Als [verweerder] echter het hiervoor beschreven standpunt consequent had gevolgd, had hij voor de betaling aan [de heer A] en de verrekening van declaraties ook toestemming aan [mevrouw Z] moeten vragen. Dit is niet gebeurd.
Het is onduidelijk waarom de gemaakte afspraak in het schuldhulpverleningscontract van 12 januari 2022, waarin is opgenomen dat een betaalrekening bij SNS Bank of bij ASN Bank geopend zou worden, niet is uitgevoerd. Het is echter aannemelijk dat op enig moment besloten is (in overleg met de ex-echtelieden en hun advocaten) de derdengelden rekening te gebruiken voor de uitvoering van de schuldenregeling vanwege de blijkbaar verslechterde verhouding tussen de ex-echtelieden.
(…)
De rapporteur heeft 13 declaraties gecontroleerd die zijn verrekend met ontvangen derdengelden. In 7 gevallen is de schriftelijke instemming van de cliënt niet aanwezig. (…)
Bevinding ten aanzien van de betaling van derdengelden aan gerechtigden.
De rapporteur concludeert gelet op het voorgaande dat:
- Het bestuur van de stichting voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
(…)
- De bankrekeningen van de stichting worden gezamenlijk gebruikt door twee kantoren, [Advocatenkantoor M] en [G Advocaten]. De kantoren hebben geen afzonderlijke bankrekening. Dat levert een overtreding op van artikel 6.22 lid 4 Voda.
- In 1 geval (dossier [TH]) is sprake van oneigenlijk gebruik van de derdengeldenrekening, aangezien de dienstverlening niet duidelijk was. Dit levert een overtreding op van artikel 6.22 lid 3 Voda.
- In 1 geval (dossier [mevrouw Z/de heer A]) € 7.000 is overgemaakt naar [de heer A] zonder dat [mevrouw Z] hiervoor toestemming heeft gegeven. Aangezien [mevrouw Z] ook rechthebbende op het saldo was, is de overboeking een overtreding van artikel 6.22 lid 3 Voda en artikel 45a Advocatenwet (het niet behoorlijk behartigen van de belangen van een cliënt, in dit geval [mevrouw Z]).
- In 2 gevallen (dossiers [L/J] en [M] de derdengelden niet zijn doorbetaald aan gerechtigden, maar aan een derde, zonder dat daarvoor een rechtvaardiging bestond. Dat levert een overtreding op van artikel 6.19 lid 2 Voda (bankieren met derdengelden).
- In 2 gevallen (dossiers [D/B], voor het resterende bedrag van € 322, en [M/G]) de derdengelden niet zijn doorbetaald aan gerechtigden, zodra de gelegenheid zich voordeed, zonder dat daartoe een rechtvaardiging bestond. Dat levert een overtreding op van artikel 6.19 lid 2 Voda (parkeren van derdengelden).
- In 13 gevallen de derdengelden zijn aangewend ter voldoening van eigen declaraties. Dat is in 7 gevallen niet schriftelijk overeengekomen. Dat levert een overtreding op van artikel 6.19 lid 4.
- De vraag gesteld kan worden of [verweerder] gehandeld in strijd met de kernwaarde ‘integriteit’ (artikel 10a lid 1 sub d Advocatenwet) door werkzaamheden te verrichten voor een cliënt ([TH]) die zijns inziens tot niet veel in staat was en eigenlijk opgenomen/onder bewind gesteld zou moeten worden. Hierbij dient betrokken te worden dat de hele financiële inbreng van de cliënt is aangewend voor de betaling van declaraties.
De Raad van Discipline heeft in haar beslissing van 7 april 2025 expliciet verzocht om bij het onderzoek de vraag te betrekken of [Advocatenkantoor M] door het gebruik van de derdengelden rekening heeft beoogd om eventuele beslagen door schuldeisers op de gelden van zijn cliënten te voorkomen. Ondanks de mededeling van [verweerder] ter zitting op 24 februari 2025 (in zaak 25-009/DB/ZWB) "dat er beslagrisico's kleven aan een beheerrekening ....", heeft de Rapporteur in de ontvangen documentatie en informatie geen zichtbare aanwijzingen aangetroffen dat [Advocatenkantoor M] de derdengeldenrekening heeft gebruikt om beslagen door derden te verhinderen. Hierbij dient verder opgemerkt te worden dat voor een relatief beperkt aantal dossiers in de onderzoeksperiode (5%) gebruik is gemaakt van de derdengelden rekening.
Overige bevindingen
[Advocatenkantoor M] heeft niet op constructieve wijze medewerking verleend aan de uitvoering van het onderzoek. De Rapporteur (en de deken in het arrondissement Zeeland-West Brabant) hebben meerdere malen moeten rappelleren bij het kantoor om een reactie te krijgen op aanvullend gestelde vragen. Hierbij is het ook voorgekomen dat afgesproken deadlines niet gehaald werden zonder hierover (tijdig) te communiceren met de Rapporteur.”
2.20 In de klachtzaak van mevrouw Z geeft de raad vandaag eveneens een beslissing (kenmerk 25-009/DB/ZWB).
2.21 Mevrouw G
Mevrouw G heeft zich in september 2023 voor rechtsbijstand gewend tot verweerder.
2.22 Op 23 november 2023 heeft mevrouw tegen verweerder een klacht ingediend. Deze klacht had onder meer betrekking op de kwaliteit van verweerders dienstverlening. Bij beslissing van 23 december 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:173) heeft de raad de klacht in alle onderdelen gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel van berisping opgelegd. Het Hof van Discipline heeft de beslissing van de raad bekrachtigd bij beslissing van 5 september 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:172). Verweerder is in de proceskosten veroordeeld.
2.23 Op 29 juli 2024 heeft mevrouw G een tweede klacht tegen verweerder ingediend. De klacht hield in dat verweerder in strijd met de AVG een kopie van het paspoort van mevrouw G had opgeslagen en aan de Raad voor Rechtsbijstand had gestuurd en het verzoek van mevrouw G tot vernietiging gedurende ruim zeven maanden onbeantwoord had gelaten. De stafjurist heeft verweerder verzocht om uiterlijk op 3 september 2024 op de klacht te reageren. Omdat verweerder niet had gereageerd heeft de stafjurist op 4 september 2024 aan verweerder een rappel gestuurd om alsnog binnen tien dagen te reageren. Omdat een reactie van verweerder nog steeds was uitgebleven heeft de deken op 16 september 2024 een dekenbezwaar aangezegd. Op 18 september 2024 is de instructiefase beëindigd, zonder dat in deze klachtzaak enige reactie van verweerder was ontvangen. Het klachtdossier is doorgezonden aan de raad. Bij beslissing van 7 april 2025 (ECLI:NL:TADRSHE:2025:59) heeft de raad de klacht gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel van berisping opgelegd. Verweerder is in de proceskosten veroordeeld.
2.24 Verweerder heeft de beide hierboven genoemde proceskostenveroordelingen niet tijdig en eerst na een aanmaning (van onder meer de stafjurist) voldaan.
2.25 Mevrouw G heeft verweerder bij brief van 4 december 2025 aansprakelijk gesteld en hem als volgt bericht:
“Naar aanleiding van uw – onder meer – onvoldoende voortvarende behandeling van mijn zaak, zoals gegrond vastgesteld in de uitspraken van de Raad van Discipline (d.d. 23 december 2024 en 7 april 2025) en het Hof van Discipline (d.d. 5 september 2025), stel ik u aansprakelijk voor de schade die ik hierdoor heb geleden. Door uw handelen kon ik mijn vordering jegens [garage] niet in rechte instellen.
Hiermee staat het causale verband tussen uw beroepsfout en mijn schade vast. Om die reden stel ik u hierbij aansprakelijk voor deze schade en dient deze brief tevens ter stuiting van de verjaring van mijn vorderingen ex artikel 3:316 BW.
De oorzaak van de breuk van de distributieketting bleek uiteindelijk te liggen in de door [garage] toegepaste – echter voor mijn auto ongeschikte – motorolie wat geresulteerd heeft in een vastgelopen motor èn waardoor tevens de fabrieksgarantie vervallen is.
Het schadebedrag, wat ik geclaimd had, bestond uit:
• Materiële schade: ruilmotor à € 5.000 + onvoorzien moeten vervangen van de distributieketting daarvan à € 2.500 (de facturen hiervan kunnen op verzoek worden overlegd).
• Immateriële schade à € 2.500.
Ik verzoek u deze claim van totaal € 10.000,- te melden bij uw beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Uw voorstel tot afhandeling zie ik graag zo spoedig mogelijk doch uiterlijk vóór 1 februari 2026 tegemoet.
Onder voorbehoud van alle rechten en weren teken ik,”
2.26 Verweerder heeft niet op de brief van mevrouw G gereageerd. Bij brief van 10 februari 2026 heeft mevrouw G verweerder verzocht om alsnog te reageren en haar uiterlijk 24 februari 2026 te bevestigen dat hij de aansprakelijkstelling heeft doorgeleid naar de verzekeraar.
2.27 Omdat verweerder ook op deze brief niet heeft gereageerd heeft mevrouw G zich op 4 maart 2026 gewend tot de deken met de vraag om te bemiddelen, waarna de stafjurist van het bureau van de orde van advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant verweerder op 11 maart 2026 als volgt heeft aangeschreven:
"[Mevrouw G] heeft zich tot de deken gewend met de melding dat de door haar aan u gerichte aansprakelijkstelling nog niet is doorgestuurd naar uw beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Als bijlagen treft u aan de per aangetekende post verzonden aansprakelijkstelling van 4 december 2025 en de herinnering van 10 februari 2026. Zoals u bekend zal zijn, volgt uit vaste tuchtrechtspraak dat een advocaat verplicht is zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar te informeren zodra hij door een cliënt aansprakelijk wordt gesteld. Nu [mevrouw G] aangeeft nog geen bevestiging te hebben ontvangen dat deze melding is gedaan, verzoek ik u vriendelijk maar dringend de aansprakelijkstelling alsnog onverwijld aan uw verzekeraar door te sturen.
Ik verzoek u tevens om doorzending van de aansprakelijkstelling schriftelijk te bevestigen aan [mevrouw G].
Van uw bericht aan [mevrouw G] ontvang ik graag een kopie. Mocht u mij in de cc zetten, dan moet u erop letten dat u de referentiecode in de mail vermeldt, anders bereikt deze mij niet.
Uw reactie wordt binnen één week na heden verwacht."
2.28 Verweerder heeft niet gereageerd op en geen gevolg gegeven aan het bericht van de stafjurist. Op 19 maart 2026 heeft de stafjurist een herinnering aan verweerder gestuurd met het verzoek om uiterlijk op 23 maart 2026 te reageren. Een dag na het verstrijken van de termijn, op 24 maart 2026, heeft verweerder als volgt gereageerd:
"[Mevrouw G] is geen client van mij. Het betreffende dossier is bij mijn weten behandeld door [L Advocaten], die daarvoor ook een toevoeging schijnt te hebben verkregen. Ik zag mij dus niet gehouden om mijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar te informeren.
Los daarvan, maar dat is meer mijn technische blik op motortechniek en op Mercedesmotoren in het bijzonder, kan een distributieketting niet breken door het gebruik van verkeerde motorolie. Hooguit loopt een motor dan vast. Voor dat soort geschillen had mevrouw Z zich met hulp van [L Advocaten] kunnen wenden tot een daarvoor gespecialiseerde Geschillencommissie Voertuigen, die kan onderzoeken of er een verband bestaat tussen kettingbreuk en verkeerde motorolie. Maar zoals gezegd: dat verband is met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet aanwezig te achten. Het is mij niet bekend of mevrouw Z opdracht gegeven heeft aan [L Advocaten] om zich tot de Geschillencommissie te wenden."
2.28 Bij e-mail van 25 maart 2026 heeft de stafjurist verweerder als volgt bericht:
“Ik ontving van u bijgaande reactie op het verzoek om de aansprakelijkstelling van [mevrouw G] door te geleiden naar uw beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Een mijns inziens opmerkelijke reactie. Er zijn in het verleden twee klachten van [mevrouw G] behandeld waarin is gesteld – en door u niet betwist – dat u op 14 september 2023 een overeenkomst van opdracht met [mevrouw Gr] bent aangegaan over deze kwestie.
Uit uw reactie maak ik in elk geval op dat u de aansprakelijkstelling niet hebt voorgelegd aan uw beroepsaansprakelijkheidsverzekering en ook niet voornemens bent om dat te doen. Het is thans aan [mevrouw G] om te beslissen welke gevolgen zij daaraan verbindt.
Mocht u besluiten alsnog uw verzekering te informeren, dan graag per omgaande uw bericht.”
2.29 Op 30 maart 2026 heeft mevrouw G tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
2.30 Bij e-mail van 16 april 2026 heeft de stafjurist verweerder namens de deken verzocht om uiterlijk op 7 mei 2026 op de klacht te reageren. De stafjurist heeft verweerder er daarbij op gewezen dat hij op grond van gedragsregel 29 verplicht is om aan het klachtonderzoek mee te werken.
2.31 Bij e-mail van 7 mei 2026 heeft verweerder de deken als volgt bericht:
“Op dit moment ben ik nog met vakantie. Mijn antwoord kunt u spoedig na mijn terugkomst tegemoet zien. Mijn terugvlucht is gepland voor 12 mei a.s.”
2.32 Bij e-mail van 11 mei 2026 heeft de stafjurist verweerder bericht dat hem een uitstel werd verleend tot 18 mei 2026.
2.33 Verweerder heeft niet meer op de klacht gereageerd. De deken heeft de instructiefase van de klacht op 20 mei 2026 gesloten.
2.34 De deken heeft het klachtdossier doorgezonden aan de raad. In de klachtzaak van mevrouw G geeft de raad vandaag eveneens een beslissing (kenmerk 26-453/DB/ZWB).
2.35 Op 8 januari 2025 heeft de deken tegen verweerder een dekenbezwaar bij de raad ingediend. Ter zitting 24 februari 2025 heeft verweerder aandacht gevraagd voor zijn persoonlijke omstandigheden en beterschap beloofd. De raad heeft het ter zitting door partijen geformuleerde verzoek om aanhouding voor onbepaalde tijd gehonoreerd. Op 19 maart 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de deken en verweerder, bijgestaan door mr. G. Bij gelegenheid van het gesprek zijn de volgende afspraken gemaakt:
1. Verweerder reageert in de toekomst adequaat als hem om informatie wordt gevraagd;
2. Verweerder volgt op 21 mei 2025 een seminar met een tuchtrechtelijk onderwerp;
3. Verweerder volgt in 2025 een fysieke cursus tuchtrecht en overlegt daarvan een certificaat;
4. Verweerder gaat in gesprek met de agenten die het signaal hebben gegeven over het verloop van de piketmeldingen, mits de agenten daaraan behoefte hebben;
5. Medio maart 2026 beslist de deken of het dekenbezwaar moet worden voortgezet of kan worden ingetrokken.
De afspraken zijn schriftelijk vastgelegd in een e-mail van 23 mei 2025.
2.36 Op 16 november 2025 heeft de heer JR tegen verweerder een klacht ingediend. De klacht is op 20 november 2025 aan verweerder toegezonden met het verzoek daarop te reageren. Verweerder heeft, ondanks een rappel, niet tijdig gereageerd, waarna de deken de instructiefase heeft beëindigd. Pas daarna heeft verweerder verweer gevoerd. De deken heeft de heer JR vervolgens de gelegenheid gegeven om te repliceren, waarna verweerder is verzocht om te dupliceren. Verweerder heeft niet meer gereageerd. De deken heeft een dekenstandpunt aan partijen toegezonden. Vervolgens is het klachtdossier doorgezonden aan de raad. Partijen zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 31 augustus 2026. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft klager de klacht ingetrokken, waarna de behandeling van de klachtzaak is gestaakt.
2.37 Op 25 maart 2026 heeft de deken de raad verzocht om voortzetting van de behandeling van het dekenbezwaar. Bij brief van 29 juli 2026 heeft de deken een tweede dekenbezwaar bij de raad ingediend, bij de raad bekend onder kenmerk 26-663/DB/ZWB/D. De deken heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen veertien dagen te reageren, maar verweerder heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
3 BEZWAAR
3.1 Het bezwaar van de deken houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerder het volgende:
in de zaak 25-010/DB/ZWB/D:
- Verweerder heeft zich klachtwaardig gedragen door de wijze waarop hij invulling heeft gegeven aan zijn strafpiket. Verweerders handelen belemmert het strafrechtelijk onderzoek, is niet in het belang van de cliënten en schaadt het vertrouwen in de advocatuur;
- Verweerder heeft bij een schuldbemiddelingstraject van mevrouw Z en de heer A de belangen van mevrouw Z onvoldoende behartigd, haar niet betrokken bij de zaak of geïnformeerd over de voortgang en de belangen van de heer A laten prevaleren boven de belangen van mevrouw Z;
- Verweerder heeft meerdere malen onbetamelijk en in strijd met gedragsregel 29 gehandeld door niet of laat te reageren in klachtprocedures en op informatieverzoeken en andere vragen van de deken. Ook is verweerder niet dan wel te laat verschenen op een oproep van de deken, daarvoor geen excuses aan te bieden en geen initiatief te nemen om een nieuwe afspraak te maken.
in de zaak 26-663/DB/ZWB/D:
1. Verweerder heeft, ondanks de in maart 2025 gemaakte afspraken en de hem geboden laatste kans, opnieuw onvoldoende voortvarend, zorgvuldig en transparant gereageerd op verzoeken van cliënten, mevrouw Z, de deken en de Unit FTA;
2. Verweerder heeft zijn financiële verplichtingen uit onherroepelijke tuchtrechtelijke beslissingen jegens mevrouw G niet uit eigen beweging en niet tijdig voldaan;
3. Verweerder heeft niet behoorlijk gereageerd op de aansprakelijkstelling van mevrouw G;
4. Verweerder heeft de aansprakelijkstelling van mevrouw G ondanks herhaald verzoek, niet aan zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar doorgezonden;
5. Verweerder heeft in de klacht van mevrouw G niet tijdig en niet volledig meegewerkt aan de behandeling van de klacht;
6. Verweerder heeft in de klacht van de heer JR niet tijdig en niet volledig meegewerkt aan de behandeling van de klacht;
7. Verweerder heeft onvoldoende constructief meegewerkt aan het onderzoek van de Unit FTA en daarmee onvoldoende voldaan aan zijn verplichting om mee te werken aan het dekenaal toezicht;
8. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de regels die gelden voor het omgaan met derdengelden en daarmee het vertrouwen geschaad dat rechtzoekenden, derden en de samenleving in de advocatuur moeten kunnen stellen.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Toetsingskader
Bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht of een dekenbezwaar dient de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de wettelijke normen, daarbij wel van belang zijn. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen is immers in strijd met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen (HvD 30 augustus 2019, ECLI:NL: TAHVD:2019:125).
5.2 Onderdeel 1 van dekenbezwaar 25-010/DB/ZWB/D: optreden tijdens piket
Onderdeel 1 van het dekenbezwaar met kenmerk 25-010/DB/ZWB/D heeft betrekking op het optreden van verweerder tijdens zijn piketdienst op 27 februari 2024. De deken verwijt verweerder dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de wijze waarop hij invulling heeft gegeven aan zijn strafpiket. Het handelen van verweerder belemmert het strafrechtelijk onderzoek, is niet in het belang van de cliënten en schaadt het vertrouwen in de advocatuur, aldus de deken. Verweerder heeft naar voren gebracht dat hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, omdat hij op behoorlijke en in de strafrechtpraktijk gebruikelijke wijze invulling heeft gegeven aan zijn piketdienst. Het volgen van twee verhoren tegelijkertijd, één in fysieke aanwezigheid en één op afstand met oortjes, is gebruikelijk. De politie heeft het die dag niet handig aangepakt, waardoor verhoren ontzettend uitliepen, aldus nog steeds verweerder. De raad overweegt als volgt.
5.3 De deken heeft dit onderdeel van het dekenbezwaar onderbouwd met een tweetal verklaringen van politieagenten over de feitelijke gang van zaken op 27 februari 2024 en in het bijzonder over de communicatie met verweerder over het plannen van de verhoren en het optreden van verweerder tijdens die verhoren. Verweerder heeft in algemene zin geschetst wat de gebruikelijke gang van zaken tijdens een piketdienst is, heeft het tuchtrechtelijk verwijt van de deken in algemene termen weersproken en heeft gesteld dat de politie het die dag niet handig heeft aangepakt. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder de door de politieagenten geschetste feitelijke gang van zaken niet dan wel onvoldoende concreet weerlegd. De raad gaat dan ook uit van de feitelijke juistheid van de verklaringen van de politieagenten en uit die verklaringen volgt dat ten gevolge van verweerders houding en optreden op 27 februari 2024 een voor de politie dermate onwerkbare situatie is ontstaan dat verweerder daarvan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Daarbij komt dat niet uitgesloten kan worden dat de cliënten in hun belangen zijn geschaad door de wijze waarop verweerder invulling heeft gegeven aan zijn piket. Zo heeft verweerder zonder overleg of aankondiging het verhoor van een van zijn cliënten verlaten en heeft hij tijdens een van de verhoren middels een koptelefoon gelijktijdig een ander verhoor beluisterd. Verweerder heeft gesteld dat dit in de strafrechtpraktijk gebruikelijk is, maar heeft dit niet aannemelijk gemaakt. De wijze waarop verweerder invulling heeft gegeven aan het strafpiket betaamt een behoorlijk handelend advocaat niet. De raad komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat onderdeel 1 van het dekenbezwaar met kenmerk 25-010/DB/ZWB/D gegrond is.
5.4 Onderdeel 2 van dekenbezwaar 25-010/DB/ZWB/D: optreden in het schuldbemiddelingstraject van mevrouw Z en de daarmee samenhangende klacht
De deken verwijt verweerder dat hij bij het schuldbemiddelingstraject van mevrouw Z en de heer A de belangen van mevrouw Z onvoldoende heeft behartigd, haar niet heeft betrokken bij de zaak of geïnformeerd over de voortgang en dat hij de belangen van de heer A heeft laten prevaleren boven de belangen van mevrouw Z. De raad overweegt als volgt.
5.5 Mevrouw Z heeft een klacht ingediend tegen verweerder. In die klachtzaak (met kenmerk 25-009/DB/ZWB) geeft de raad vandaag eveneens een beslissing. In die beslissing oordeelt de raad dat genoegzaam is gebleken dat verweerder mevrouw Z onvoldoende heeft geïnformeerd over de voortgang van de schuldenafwikkeling en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar in strijd met gedragsregel 16 heeft gehandeld. Ook oordeelt de raad in die beslissing dat vast staat dat verweerder mevrouw Z niet heeft betrokken bij de beslissingen om de declaratie van € 12.100,00 te verrekenen en een bedrag van € 7.000,00 aan de heer A over te maken, zodat het verwijt dat verweerder de belangen van de heer A zwaarder heeft laten wegen dan die van mevrouw Z alleszins gerechtvaardigd is. De raad oordeelt dat verweerder de belangen van mevrouw Z in zeer ernstige mate heeft veronachtzaamd en het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Gelet op het gemotiveerde oordeel van de raad in de beslissing van vandaag in de zaak 25-009/DB/ZWB behoeft dit onderdeel van het dekenbezwaar geen verdere bespreking. Ook onderdeel 2 van het dekenbezwaar (25-010/DB/ZWB/D) is gegrond.
5.6 Onderdelen 2, 3, 4 en 5 van dekenbezwaar 26-663/DB/ZWB/D - optreden van verweerder bij de afwikkeling van de (klacht-)zaak van mevrouw G
De klachtonderdelen 2, 3, 4 en 5 van dekenbezwaar met kenmerk 26-663/DB/ZWB/D hebben betrekking op het optreden van verweerder bij de afwikkeling van de (klacht-) zaak van mevrouw G. De raad overweegt als volgt.
5.7 Als niet weersproken staat vast dat verweerder te laat en eerst na aanmaning van (onder meer) de stafjurist gevolg heeft gegeven aan de ten laste van hem uitgesproken proceskostenveroordelingen in de beide door mevrouw G tegen hem aanhangig gemaakte tuchtrechtelijke procedures. Dit handelen van verweerder schaadt het vertrouwen in de advocatuur.
5.8 Mevrouw G heeft een klacht ingediend tegen verweerder. In die klachtzaak (met kenmerk 26-453/DB/ZWB) geeft de raad vandaag eveneens een beslissing. In die beslissing oordeelt de raad dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de aansprakelijkstelling van mevrouw G niet door te geleiden naar de verzekeraar. Ook oordeelt de raad in de beslissing van vandaag in de zaak met kenmerk 26-453/DB/ZWB dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld doordat hij niet heeft gereageerd op althans geen gevolg heeft gegeven aan de redelijke verzoeken van mevrouw G en de deken. Verweerder heeft namelijk geweigerd om de aansprakelijkstelling door te geleiden aan de verzekeraar en de doorzending te bevestigen aan mevrouw G en de deken en bovendien heeft verweerder, ondanks uitdrukkelijk verzoek van de deken, niet gereageerd op de door mevrouw G ingediende klacht. Gelet op het gemotiveerde oordeel van de raad in de beslissing van vandaag in de zaak 26-453/DB/ZWB behoeven de onderdelen 2, 3, 4 en 5 van het dekenbezwaar geen verdere bespreking. De onderdelen 2, 3, 4 en 5 van dekenbezwaar met kenmerk 26-663/DB/ZWB/D zijn eveneens gegrond.
5.9 Onderdeel 3 van dekenbezwaar 25-010/DB/ZWB/D en onderdelen 1, 6 en 7 van dekenbezwaar 26-663/DB/ZWB/D - de communicatie met en het verlenen van medewerking aan onder andere de deken
Onderdeel 3 van dekenbezwaar met kenmerk 25-010/DB/ZWB/D en de onderdelen 1, 6 en 7 van dekenbezwaar met kenmerk 26-663/DB/ZWB/D hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Deze onderdelen hebben betrekking op het verwijt dat verweerder tekort geschoten is in de communicatie met de deken en de Unit FTA en in het verlenen van medewerking aan het toezicht van de deken en het onderzoek van de Unit FTA. De raad overweegt als volgt.
5.10 Als door verweerder erkend staat vast dat hij - ook na de in maart 2025 met de deken gemaakte afspraken - in meerdere klachtprocedures niet of te laat heeft gereageerd op informatieverzoeken en andere vragen van de deken. Ook is verweerder niet dan wel te laat verschenen op een oproep van de deken, heeft hij daarvoor geen excuses aangeboden en geen initiatief genomen om een nieuwe afspraak te maken. Als niet dan wel onvoldoende weersproken staat voorts vast dat verweerder onvoldoende constructief heeft meegewerkt aan het onderzoek van de Unit FTA. Met dit handelen heeft verweerder de deken structureel en op ernstige wijze in zijn toezichthoudende taak gefrustreerd.
5.11 Gedragsregel 29 bepaalt dat de betrokken advocaat bij een tuchtrechtelijk onderzoek, een verzoek om informatie van de deken dat met een mogelijk tuchtrechtelijk onderzoek verband houdt of een verzoek om medewerking op grond van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, verplicht is alle gevraagde inlichtingen aanstonds aan de deken te verstrekken. De plicht van een advocaat om desgevraagd aan een tuchtrechtelijk onderzoek door de deken mee te werken, vloeit voort uit de omstandigheid dat hij lid is van de beroepsgroep. Als zodanig vergt de betamelijkheid van een behoorlijk advocaat dat hij zijn medewerking verleent aan het onderzoek van de klacht. De toezichthoudende rol van de deken is geregeld in artikel 45a van de Advocatenwet. De uitoefening van het toezicht door de deken is daarnaast onderworpen aan de desbetreffende bepalingen van de Awb, meer in het bijzonder Titel 5.2 (de artikelen 5:11 tot en met 5:20). Uit de Awb vloeit ook voort dat de advocaat aan de deken binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking dient te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
5.12 Verweerders handelen in het onderzoek naar de tegen hem ingediende klachten, naar het over het strafpiket gegeven signaal en het op aangeven van de tuchtrechter gestarte onderzoek door de Unit FTA geeft blijk van een onjuiste opvatting over de toezichthoudende rol van de deken, diens bevoegdheden om toezicht uit te oefenen en van de verplichting van verweerder om daar medewerking aan te verlenen. Verweerders handelen betaamt een behoorlijk handelend advocaat niet en schaadt het vertrouwen in de advocatuur.
5.13 Verweerder heeft gewezen op in zijn persoonlijke sfeer gelegen omstandigheden die maakten dat zijn prioriteiten elders lagen. Die in de persoonlijke sfeer gelegen omstandigheden vormen naar het oordeel van de raad echter geen rechtvaardiging voor het op structurele basis niet reageren op en voldoen aan redelijke verzoeken van de deken (en de Unit FTA) en ontnemen aan verweerders handelen, dat ondanks de in maart 2025 gemaakte afspraken en de hem geboden laatste kans niet is verbeterd, dan ook niet het tuchtrechtelijk verwijtbare karakter. Op grond van het voorgaande is de raad van oordeel dat onderdeel 3 van het dekenbezwaar met kenmerk 25-010/DB/ZWB/D en de onderdelen 1, 6 en 7 van het dekenbezwaar met kenmerk 26-663/DB/ZWB/D gegrond zijn.
5.14 Onderdeel 8 van dekenbezwaar 26-663/DB/ZWB/D – derdengelden
De deken verwijt verweerder dat hij heeft gehandeld in strijd met de regels die gelden voor het omgaan met derdengelden en daarmee het vertrouwen heeft geschaad dat rechtzoekenden, derden en de samenleving in de advocatuur moeten kunnen stellen. De deken heeft dit verwijt onderbouwd met de bevindingen zoals weergegeven in het rapport van de Unit FTA. Verweerder heeft de juistheid van de in het rapport van de Unit FTA vermelde bevindingen niet, althans onvoldoende concreet gemotiveerd, weersproken, zodat de raad uitgaat van de juistheid van die bevindingen. Verweerder heeft van de door de rapporteur gegeven gelegenheid om op het concept-rapport te reageren geen gebruik gemaakt en ter zitting van de raad heeft verweerder enkel gesteld: “de conclusies van de rapporteur zijn niet allemaal even zorgvuldig”. Verweerder heeft voorts gesteld dat hij bevoegd was om over te gaan tot verrekening van zijn declaraties met derdengelden, maar in de overgelegde stukken heeft de raad geen aanknopingspunten gevonden voor de door verweerder gestelde bevoegdheid.
5.15 Uit de in het rapport van de Unit FTA weergegeven bevindingen blijkt van meerdere tekortkomingen van verweerder in de naleving met de regels die gelden voor het omgaan met derdengelden. Verweerder heeft met zijn handelen in strijd met deze regelgeving het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Ook dit onderdeel van het dekenbezwaar is derhalve gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Tuchtrechtelijk verleden
Op 23 november 2023 heeft mevrouw G tegen verweerder een klacht ingediend. Deze klacht had onder meer betrekking op de kwaliteit van verweerders dienstverlening. Bij beslissing van 23 december 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:173) heeft de raad de klacht in alle onderdelen gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel van berisping opgelegd. Het Hof van Discipline heeft de beslissing van de raad bekrachtigd bij beslissing van 5 september 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:172).
6.2 Bij beslissing van 7 april 2025 (ECLI:NL:TADRSHE:2025:59) heeft de raad een andere klacht van mevrouw G over verweerder gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel van berisping opgelegd. Die klacht hield in dat verweerder in strijd met de AVG een kopie van het paspoort van mevrouw G had opgeslagen en aan de Raad voor Rechtsbijstand had gestuurd en het verzoek van mevrouw G tot vernietiging gedurende ruim zeven maanden onbeantwoord had gelaten.
6.3 Op 15 februari 2023 heeft mevrouw M tegen verweerder een klacht ingediend. Nadat partijen waren opgeroepen voor de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van mevrouw M de raad bericht dat mevrouw M de klacht intrekt. Bij beslissing van 19 februari 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:21) heeft de raad beslist dat de behandeling van de klachtonderdelen 1, 2 en 3 wordt voortgezet om reden van algemeen belang en bepaald dat de deken in het vervolg als klager wordt aangemerkt. De klacht had onder meer betrekking op het zonder toestemming van de cliënte bedragen van haar budgetbeheerrekening overschrijven naar de kantoorrekening, strekkende tot betaling van advocaatkosten. Bij beslissing van 27 mei 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:73) heeft de raad de klacht gegrond verklaard en aan verweerder een berisping opgelegd.
6.4 Onderhavige dekenbezwaren
De in de onderhavige dekenbezwaren gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten rechtvaardigen oplegging van een zware maatregel. Verweerder heeft gedurende lange periode en op meerdere manieren het vertrouwen in de advocatuur geschaad. De raad is van oordeel dat de door verweerder geschetste persoonlijke omstandigheden geen rechtvaardiging vormen voor de gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten. Verweerders handelwijze is temeer verwijtbaar omdat hem eerder, na de behandeling van het dekenbezwaar op 24 februari 2025, uitdrukkelijk de gelegenheid is geboden zijn gedrag te verbeteren en hij heeft toegezegd dat ook te zullen doen. Van de beloofde verbetering is echter niet gebleken, terwijl verweerder met zijn houding ter zitting van de raad er geen blijk van heeft gegeven het laakbare van zijn handelen daadwerkelijk in te zien.
6.5 Schorsing in de uitoefening van de praktijk
Bij de bepaling van de op te leggen maatregel weegt de raad de specifieke omstandigheden van deze klachtzaak en het feit dat verweerder eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld mee. Gelet op de samenhang met de klachten in de klachtzaken 26-453/DB/ZWB en 25-009/DB/ZWB, waarin door de raad bij beslissingen van vandaag aan verweerder een voorwaardelijke schorsing voor de duur van twee weken respectievelijk een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van zes weken worden opgelegd, zal de raad in de onderhavige beslissing op de dekenbezwaren volstaan met oplegging van een schorsing voor de duur van 26 weken, waarvan 13 weken voorwaardelijk.
7 KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.2 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het dekenbezwaar met kenmerk 25-010/DB/ZWB/D in alle onderdelen gegrond;
- verklaart het dekenbezwaar met kenmerk 26-633/DB/ZWB/D in alle onderdelen gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van 26 weken, waarvan 13 weken voorwaardelijk, op;
- bepaalt dat het voorwaardelijk gedeelte van deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;
- stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt;
- bepaalt dat het onvoorwaardelijk gedeelte van de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat:
- de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen,
- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat
- de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2.
Aldus beslist door mr. V.E.J. Noelmans, voorzitter, mrs. A.A.T. van Ginderen, S.M.P.T. Ruijs-Kreté, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 12 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 12 oktober 2026