ECLI:NL:TADRSHE:2026:117 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-009/DB/ZWB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:117
Datum uitspraak: 12-10-2026
Datum publicatie: 12-10-2026
Zaaknummer(s): 25-009/DB/ZWB
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadbeslissing. Samenhang met beslissing op dekenbezwaren 25-010 en 26-663/DB/ZWB/D. Klacht over de eigen advocaat. Verweerder heeft een deel van de opbrengst van de woning verrekend met zijn eigen declaratie, zonder dat klaagster daarvoor toestemming heeft gegeven. Verweerder heeft klaagster niet geïnformeerd over de verrekening, de hoogte van de declaratie en welke werkzaamheden in rekening zijn gebracht. Verweerder heeft een deel van de opbrengst van de woning ter beschikking gesteld aan klaagsters ex-echtgenoot voor het inrichten van zijn nieuwe woning en het oprichten van een onderneming, zonder dat klaagster daarvoor toestemming heeft gegeven. Verweerder heeft de belangen van klaagsters ex-echtgenoot zwaarder laten wegen dat de belangen van klaagster. Verweerder heeft klaagster onvoldoende geïnformeerd over de voortgang van de schuldenafwikkeling en heeft klaagster niet betrokken bij de beslissingen. Verweerder heeft verzoeken van klaagster en de gemeente om het dossier over te dragen aan de gemeente genegeerd. Niet gebleken dat verweerder heeft gebankierd met zijn derdengeldenrekening, in zoverre ongegrond. Verweerder heeft gedurende lange periode de belangen van klaagster in zeer ernstige mate veronachtzaamd en het vertrouwen in de advocatuur geschaad. De raad stelt voorts vast dat verweerder gedurende de behandeling van de klacht, die onder meer ziet op het verrekenen van derdengelden zonder toestemming, nog twee keer is overgegaan tot het verrekenen van aan klaagster (en de heer A) toekomende derdengelden. Daarnaast heeft verweerder ter zitting van de raad van 31 augustus 2026 verklaard dat hij zich op 27 augustus 2026 heeft teruggetrokken als bestuurder van de Stichting Derdengelden, met als gevolg dat klaagsters advocaat geen zeggenschap meer heeft over aan klaagster (en de heer A) toekomende derdengelden. Op grond van de ernst van het vastgestelde tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen en het feit dat verweerder reeds meerdere malen tuchtrechtelijk is veroordeeld acht de raad oplegging van een schorsing voor de duur van zes weken passend en geboden.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 12 oktober 2026

in de zaak 25-009/DB/ZWB

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

gemachtigde: mr. P.A. Groenhuis, advocaat te Breda

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1  Op 25 juni 2024 heeft klaagster tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: “de deken”).

1.2 Op 8 januari 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K24-052 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 24 februari 2025. Verschenen zijn klaagster, bijgestaan door een begeleider van het Leger des Heils en verweerder, bijgestaan door mr. G, advocaat. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 Bij beslissing van 7 april 2025 (ECLI:NL:TADRSHE:2025:60) heeft de raad de klacht ambtshalve aangevuld en de zaak terugverwezen naar de deken met het verzoek het aangevulde klachtonderdeel en de daarmee samenhangende feiten te onderzoeken en de raad vervolgens schriftelijk over de uitkomsten van het onderzoek te informeren. De raad heeft de behandeling van de zaak in afwachting van de onderzoeksresultaten aangehouden.

1.5 Op 10 april 2026 heeft de stafjurist namens de deken het door de Unit FTA op 7 april 2026 uitgebrachte onderzoeksrapport aan de raad toegestuurd.

1.6 Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor de voortgezette mondelinge behandeling van de klacht ter zitting van de raad op 31 augustus 2026. Verschenen zijn klaagster, vergezeld van haar vader, en verweerder, bijgestaan door mr. G, advocaat. Op uitnodiging van de raad zijn tevens de deken en mr. K, stafjurist, verschenen. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.7 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier, van het onder 1.5 genoemde rapport van de Unit FTA d.d. 7 april 2026 en van het ter zitting van de raad door verweerder overgelegde “schuldhulpverleningscontract” d.d. 12 januari 2022.

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2 Verweerder houdt zich als advocaat bezig met schuldbemiddeling. In januari 2022 heeft klaagster zich samen met haar toenmalige echtgenoot de heer A tot verweerder gewend voor schuldbemiddeling. Op 12 januari 2022 hebben klaagster en de heer A een “Schuldhulpverleningscontract” met verweerders kantoor gesloten. In het “Schuldhulpverleningscontract” is een “Overeenkomst van Schuldbemiddeling” opgenomen, waarin het volgende is bepaald:

“1. Voor de totstandkoming van een schuldhulpverleningsplan wordt [Advocatenkantoor] gemachtigd door ondergetekende(n) om in overleg te treden met de daarbij betrokken organisaties en personen en namens ondergetekende(n) betalingsafspraken te maken. [Advocatenkantoor] mag hierbij informatie verstrekken aan belanghebbenden over de inhoud en voortgang van de schuldhulpverlening.

2. Cliënt(en) en [Advocatenkantoor] zijn verplicht zich maximaal in te spannen om de schuldbemiddeling te laten slagen.

3. U bent bereid uw maximale aflossingscapaciteit aan te wenden voor de aflossing van uw schulden.

4. Aan de schuldbemiddeling zijn geen kosten voor uw verbonden, tenzij uitdrukkelijk anders overeengekomen.”

2.3 In februari 2022 is een echtscheidingsprocedure gestart tussen klaagster en de heer A.           

2.4 In maart 2022 heeft verweerder de schuldeisers aangeschreven.

2.5 In het najaar van 2022 is de gezamenlijke woning verkocht, die in het voorjaar 2023 is getransporteerd. Op 27 februari 2023 heeft de notaris de netto-opbrengst van de woning (€ 108.866,37) overgemaakt aan de derdengeldenrekening van verweerder.

2.6 Op 30 maart 2023 zijn klaagster en de heer A een echtscheidingsconvenant overeengekomen. Daaruit volgt onder meer:

“(…) In de loop van ons huwelijk zijn schulden ontstaan. Onze echtelijke woning is reeds verkocht. De opbrengst daarvan (na aftrek van de verkoopgerelateerde kosten en de aflossing van de hypothecaire schuld waarvoor het huis was ondergezet) staat ter beschikking van de reeds ingezette schuldenregeling. (…)”

2.7 Op 30 maart 2023 heeft verweerder een factuur van € 12.100,- opgesteld voor zijn werkzaamheden.

2.8 Op 3 april 2023 heeft verweerder de heer A verzocht of hij de factuur kon verrekenen met het geld op de derdengeldenrekening. De heer A heeft diezelfde dag akkoord gegeven, waarna verweerder op 4 april 2023 is overgegaan tot verrekening. Klaagster is niet om toestemming gevraagd voor verrekening van de factuur met het geld op de derdengeldrekening.

2.9 Op 24 oktober 2023 heeft verweerder een bedrag van € 7.000,- uitgekeerd aan de heer A voor het betalen van één maand huur, de borgsom en verhuis- en herinrichtingskosten (respectievelijk € 1.600,-, € 3.200,- en € 2.200,-). Klaagster is niet gevraagd om instemming met de betaling.

2.10 Verweerder heeft in een betalingsvoorstel van 27 november 2023 € 80.000,- van de netto-opbrengst gereserveerd voor de betaling van schuldeisers. Het resterende bedrag van € 9.766,37 heeft verweerder is gedeeltelijk gereserveerd voor klaagster (€ 7.000,-) en onvoorziene kosten (€ 2.766,37).

2.11 Op 30 april 2024 heeft het Sociaal Wijkteam van klaagsters gemeente verweerder geprobeerd te bereiken en een terugbelverzoek achtergelaten.

2.12 Op 10 oktober 2024 heeft de heer A aan verweerder geschreven:

“Ik verzoek u om zo spoedig mogelijk de netto opbrengst van de woning uit te betalen aan de schuldeisers volgens de regeling die wij met hen hebben getroffen.

Met netto opbrengst bedoel ik het bedrag van € 80.000,- omdat er nog € 7.000,- apart moet blijven voor mijn ex partner en er ook nog wat geld beschikbaar moet blijven voor mogelijke procedures (ongeveer 2766 euro voor onvoorziene kosten). Mochten er geen onvoorziene kosten zijn, dan kunnen wij die 2766 euro na betalen aan de schuldeisers.”

2.13 Op 25 juni 2024 heeft klaagster tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken. De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 24 februari 2025. Bij beslissing van 7 april 2025 (ECLI:NL:TADRSHE:2025:60) heeft de raad de klacht ambtshalve aangevuld en de zaak terugverwezen naar de deken met het verzoek het aangevulde klachtonderdeel en de daarmee samenhangende feiten te onderzoeken en de raad vervolgens schriftelijk over de uitkomsten van het onderzoek te informeren. De deken heeft naar aanleiding van de tussenbeslissing van de raad van 7 april 2025 aan de Unit FTA opdracht gegeven om een onderzoek te doen naar verweerders praktijk. De Unit FTA heeft op 7 april 2026 een rapport uitgebracht. Voor zover voor de onderhavige klachtzaak van belang zijn in het rapport de volgende bevindingen vermeld:

(…)

Een concept-onderzoeksrapport is op 16 maart 2026 aan [verweerder] toegezonden met de uitnodiging om daarover uiterlijk 30 maart 2026 een verklaring af te leggen. [Verweerder] was tevens verzocht om de Rapporteur te informeren als hij geen verklaring wenst af te leggen. De Rapporteur heeft tot en met 6 april 2026 geen reactie ontvangen. Op 7 april 2026 is het rapport daarom definitief gemaakt.

(…)

Dossier [klaagster/de heer A]

Deze zaak was de aanleiding voor de Raad van Discipline om de deken te verzoeken nader onderzoek te doen naar het gebruik van de derdengeldenrekening door [Advocatenkantoor M].

In dit dossier hebben de cliënten echtelieden [klaagster/de man] op 12 januari 2022 een schuldhulpverleningscontract getekend. Hierin is onder meer de bepaling opgenomen dat de cliënten zich verplichten "om na het intakegesprek z.s.m. een betaalrekening te openen bij SNS Bank of bij ASN Bank (via internet)…..Ten laste van het saldo van deze budgetbeheerrekening zullen de

betalingen aan de schuldeisers worden gedaan".

In het dossier is een echtscheidingsovereenkomst aanwezig, gedateerd 30 maart 2023, waarin onder meer is beschreven: "In de loop van ons huwelijk zijn schulden ontstaan. Onze echtelijke woning is reeds verkocht. De opbrengst daarvan (na aftrek van de verkoopgerelateerde kosten en de aflossing van de hypothecaire schuld waarvoor het huis was ondergezet) staat ter beschikking van de reeds ingezette schuldenregeling. Wij zijn ons ervan bewust dat het bedrag van de schulden waarschijnlijk hoger is dan de opbrengst van het huis.".

[Verweerder] heeft verklaard: "De verwachting was dat de overwaarde van de woning voldoende was om alle schuldeisers ineens 100% te betalen. Dan is geen beheerrekening nodig. Dit bleek pas anders nadat de notaris met de beslagleggers had afgerekend. Maar ook toen was er nog een dusdanig groot bedrag beschikbaar dat dit voldoende leek om met betaling van dit bedrag ineens tot een minnelijk akkoord te kunnen komen. Partijen waren tezelfdertijd verwikkeld in een echtscheiding, zodat zij aan geen van hen beiden de gelden wilden toevertrouwen. In plaats daarvan wilden zij -en hun beider advocaten- dat het op mijn derdenrekening zou worden betaald, zodat zij zekerheid hadden dat de opbrengst aan schuldeisers zou toekomen, door het van hieruit rechtstreeks aan schuldeisers te betalen".

Onderzoeker heeft een email van 24 februari 2023 ingezien van [Z Notarissen] waarin het volgende is opgenomen: "Bij akte van levering vandaag voor mr. [B] verleden is de bovengenoemde woning van [klaagster en de heer A] overgedragen aan kopers. Genoemde cliënten hebben ons geïnformeerd dat de netto verkoopopbrengst ad € 108.866,37 niet aan hen zelf mag worden overgemaakt in verband met schuldhulpverlening maar dient te worden gestort op een derdengelden rekening van advocaat [verweerder], advocaat bij [Advocatenkantoor M]."

Op 27 februari 2023 is door [Z Notarissen] € 108.866 gestort op de derdengelden rekening. Dit betrof de overwaarde die resteerde bij de verkoop van het huis van cliënten. Op 4 april 2023 is factuur 52022016 voor een bedrag van € 12.100 verrekend. Hiervoor is schriftelijke instemming van [de heer A] verkregen, niet van [klaagster]. Op 24 oktober 2023 is € 7.000 overgemaakt naar [de heer A] onder vermelding van 'huur1600 +2x waarborgsom+ 2200 verhuis en herinrichtingskosten'. [De heer A] kan worden beschouwd als een van de rechthebbenden hoewel [klaagster] geen schriftelijke toestemming voor deze overboeking heeft gegeven. Op 28 mei 2025 is een tweetal declaraties verreken d, 2025011 en 2025016, voor een totaalbedrag van € 2.750. Hoewel [verweerder] op 18 maart 2025 een verzoek tot verrekening van de declaraties had gedaan aan [de heer A], is de schriftelijke toestemming hiervoor niet gegeven (en ook niet door [klaagster]).

[Verweerder] heeft op 26 januari 2026 in een email verklaard: "Het bedrag van [sic] staat nog geparkeerd, omdat [klaagster] geen toestemming geeft tot uitbetaling ervan aan de schuldeisers, overeenkomstig het betalingsplan. Partijen hebben tot dusver geen overeenstemming bereikt over de bestemming van de gelden. Omdat een handeling te dien aanzien tevens een verdeling van een gemeenschap betekent, dienen beide partijen gezamenlijk eenduidig te beslissen of dient er door een gerechtelijk vonnis een verdeling tot stand gebracht te worden."

[Verweerder] heeft aangegeven dat zolang de echtelieden het niet eens zijn over een verdeling, het resterende bedrag in dit dossier € 87.016, op de derdengeldenrekening moet blijven staan. Het is voor de Rapporteur niet duidelijk of dit standpunt van [verweerder] formeel juist is of dat sprake is van parkeren van derdengelden. Als [verweerder] echter het hiervoor beschreven standpunt consequent had gevolgd, had hij voor de betaling aan [de heer A] en de verrekening van declaraties ook toestemming aan [klaagster] moeten vragen. Dit is niet gebeurd.

Het is onduidelijk waarom de gemaakte afspraak in het schuldhulpverleningscontract van 12 januari 2022, waarin is opgenomen dat een betaalrekening bij SNS Bank of bij ASN Bank geopend zou worden, niet is uitgevoerd. Het is echter aannemelijk dat op enig moment besloten is (in overleg met de ex-echtelieden en hun advocaten) de derdengelden rekening te gebruiken voor de uitvoering van de schuldenregeling vanwege de blijkbaar verslechterde verhouding tussen de ex-echtelieden.

(…)

Bevinding ten aanzien van de betaling van derdengelden aan gerechtigden.

De rapporteur concludeert gelet op het voorgaande dat:

Het bestuur van de stichting voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

(…)

In 1 geval (dossier [klaagster/de heer A]) € 7.000 is overgemaakt naar [de heer A] zonder dat [klaagster] hiervoor toestemming heeft gegeven. Aangezien [klaagster] ook rechthebbende op het saldo was, is de overboeking een overtreding van artikel 6.22 lid 3 Voda en artikel 45a Advocatenwet (het niet behoorlijk behartigen van de belangen van een cliënt, in dit geval [klaagster]).

(…)

In 13 gevallen de derdengelden zijn aangewend ter voldoening van eigen declaraties. Dat is in 7 gevallen niet schriftelijk overeengekomen. Dat levert een overtreding op van artikel 6.19 lid 4.

(…)

De Raad van Discipline heeft in haar beslissing van 7 april 2025 expliciet verzocht om bij het onderzoek de vraag te betrekken of [Advocatenkantoor M] door het gebruik van de derdengelden rekening heeft beoogd om eventuele beslagen door schuldeisers op de gelden van zijn cliënten te voorkomen. Ondanks de mededeling van [verweerder] ter zitting op 24 februari 2025 (in zaak 25-009/DB/ZWB) "dat er beslagrisico's kleven aan een beheerrekening ....", heeft de Rapporteur in de ontvangen documentatie en informatie geen zichtbare aanwijzingen aangetroffen dat [Advocatenkantoor M] de derdengeldenrekening heeft gebruikt om beslagen door derden te verhinderen. Hierbij dient verder opgemerkt te worden dat voor een relatief beperkt aantal dossiers in de onderzoeksperiode (5%) gebruik is gemaakt van de derdengelden rekening.

Overige bevindingen

[Advocatenkantoor M] heeft niet op constructieve wijze medewerking verleend aan de uitvoering van het onderzoek. De Rapporteur (en de deken in het arrondissement Zeeland-West Brabant) hebben meerdere malen moeten rappelleren bij het kantoor om een reactie te krijgen op aanvullend gestelde vragen. Hierbij is het ook voorgekomen dat afgesproken deadlines niet gehaald werden zonder hierover (tijdig) te communiceren met de Rapporteur.”

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:

1. Verweerder heeft een deel van de opbrengst van de woning verrekend met zijn eigen declaratie, zonder dat klaagster daarvoor toestemming heeft gegeven. Verweerder heeft klaagster niet geïnformeerd over de verrekening, de hoogte van de declaratie en welke werkzaamheden in rekening zijn gebracht;

2. Verweerder heeft een deel van de opbrengst van de woning ter beschikking gesteld aan klaagsters ex-echtgenoot voor het inrichten van zijn nieuwe woning en het oprichten van een onderneming, zonder dat klaagster daarvoor toestemming heeft gegeven. Verweerder heeft klaagster niet geïnformeerd over deze betaling;

3. Verweerder heeft de belangen van klaagsters ex-echtgenoot zwaarder laten wegen dat de belangen van klaagster;

4. Verweerder heeft klaagster onvoldoende geïnformeerd over de voortgang van de schuldenafwikkeling en heeft klaagster niet betrokken bij de beslissingen;

5. Verweerder heeft verzoeken van klaagster en de gemeente om het dossier over te dragen aan de gemeente genegeerd. Klaagster kan hierdoor haar schulden niet afwikkelen en geen urgentie krijgen voor een woning;

6. Verweerder heeft in strijd gehandeld met artikel 6.19 van de Verordening op de advocatuur en de kernwaarde (financiële) integriteit door te bankieren met zijn derdengeldenrekening.

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft verweer gevoerd. Verweerder heeft in reactie op de klacht, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat hij ruim 14 maanden op 100% krediet heeft gewerkt, omdat de in januari 2022 afgesproken ‘fixed fee’ pas betaald hoefde te worden nadat de verkoopopbrengst van de woning beschikbaar was. Dat gebeurde in april 2023, waarna de heer A de opdracht heeft gegeven tot betaling. De heer A mocht die opdracht zelfstandig geven als deelgenoot. Hij was bovendien bereid om zijn volledige betalingscapaciteit aan te wenden voor het betalen van de schulden, zodat verweerder meer overleg met de heer A heeft gevoerd. Er zijn verder geen beslissingen geweest waarbij klaagsters betrokkenheid noodzakelijk was.

4.2 Volgens verweerder miskent klaagster ook dat hij niet optreedt als haar advocaat, maar dat verweerder optreedt als bemiddelaar tussen schuldenaren en schuldeisers. Hij moet dus ook de belangen van de schuldeisers behartigen.

4.3 Verweerder wijst erop dat het bedrag van € 7.000,- ook voor klaagster is gereserveerd. Haar adviseurs waren echter geen voorstander van uitbetaling van dit bedrag aan klaagster, omdat zij anders niet in aanmerking zou komen voor een vergoeding vanuit de gemeente. Het is niet mogelijk om dat schriftelijk vast te leggen of hardop telefonisch te bespreken, omdat dit de gemeente opzettelijk kan benadelen.

4.4 Verweerder betwijfelt ten slotte of klaagster de opdracht eenzijdig kan beëindigen, zonder dat de heer A dat ook doet. Hij wijst op de contractuele verplichting uit het echtscheidingsconvenant. Ook kan hij vermogensrechtelijk de baten niet verdelen over klaagster en de heer A, zonder eerst de schulden te betalen. De heer A heeft ook verzocht om de schuldbemiddeling voort te zetten. Verweerder kan ook niet helpen bij het verkrijgen van urgentie voor een woning.

5 BEOORDELING

5.1 De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerder in zijn hoedanigheid van schuldbemiddelaar. Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter slechts of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.

5.2 Klachtonderdelen 1 en 2 – betalingen zonder toestemming van klaagster

Gedragsregel 16 lid 1 bepaalt dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Gedragsregel 16 lid 3 bepaalt dat de advocaat ook integer en zorgvuldig handelt in financiële aangelegenheden en hij daarover een nauwgezette verantwoording aflegt aan zijn cliënt. Advocaten zijn met betrekking tot de kantoororganisatie gehouden tot naleving van de regels zoals bepaald in de Verordening op de Advocatuur (hierna: Voda). Artikel 6.19 lid 4 Voda bepaalt dat een advocaat met de rechthebbende schriftelijk kan overeenkomen dat derdengelden worden aangewend ter voldoening van een eigen declaratie. Indien derdengelden zijn aangewend ter voldoening van een eigen declaratie, bevestigt de advocaat dit schriftelijk aan de rechthebbende. Uit de toelichting bij artikel 6.19 lid 4 Voda volgt dat voor verrekening van derdengelden met een eigen declaratie is vereist dat de cliënt hier expliciet mee instemt en dat de instemming schriftelijk is vastgelegd.

5.3 Als niet dan wel onvoldoende weersproken staat vast dat verweerder zonder vooraf van klaagster verkregen toestemming een declaratie van € 12.100,00 heeft verrekend met de opbrengst van de woning van klaagster en de heer A. Verweerder heeft klaagster ook niet geïnformeerd over de verrekening, de hoogte van de declaratie en de aard en omvang van de in rekening gebrachte werkzaamheden. Ook staat vast dat verweerder zonder vooraf van klaagster verkregen toestemming een bedrag van € 7.000,00 aan de heer A heeft betaald en dat hij klaagster niet over deze betaling heeft geïnformeerd. Verweerder heeft het verweer gevoerd dat de bevoegdheid om over te gaan tot verrekening van de declaratie van € 12.100,00 en tot betaling van een bedrag van € 7.000,00 aan de heer A voortvloeit uit de Wet, de bepalingen van het schuldhulpverleningscontract en het echtscheidingsconvenant. De raad heeft daarin echter geen aanknopingspunten voor de door verweerder gestelde bevoegdheid gevonden. Ook uit de overige stukken blijkt daarvan niet. Verweerder heeft voorts nog gesteld dat de bevoegdheid tot verrekening van een declaratie van € 12.100,00 bij aanvang van de bijstand expliciet met klaagster en de heer A is overeengekomen, maar klaagster heeft dit uitdrukkelijk weersproken en verweerder heeft de opdracht en – beweerdelijk - gemaakte honorariumafspraak niet schriftelijk vastgelegd. De raad concludeert uit het voorgaande dat het verweerder niet vrij stond om over te gaan tot verrekening van de declaratie van € 12.100,00 noch tot betaling van een bedrag van € 7.000,00 aan de heer A. Door dit wel te doen heeft hij klaagsters belangen ernstig veronachtzaamd en het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Dat ook voor klaagster een bedrag van € 7.000,00 gereserveerd is, maakt dit niet anders. De klachtonderdelen 1 en 2 zijn op grond van het voorgaande gegrond.

5.4 Klachtonderdelen 3 en 4 – belangen van de heer A laten prevaleren

Verweerder heeft erkend dat hij gedurende de behandeling van het dossier voornamelijk contact heeft gehad met de heer A. De heer A was op de hoogte van de schulden en had de verdiencapaciteit om tot een schuldenakkoord te komen, aldus verweerder. Verweerder heeft klaagsters stelling, dat zij herhaaldelijk vergeefs bij verweerder heeft geïnformeerd naar de stand van zaken, niet weersproken. Naar het oordeel van de raad is aldus genoegzaam gebleken dat verweerder klaagster onvoldoende heeft geïnformeerd over de voortgang van de schuldenafwikkeling en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar in strijd met gedragsregel 16 heeft gehandeld. Ook staat vast dat verweerder klaagster niet heeft betrokken bij de beslissingen om de declaratie van € 12.100,00 te verrekenen en een bedrag van € 7.000,00 aan de heer A over te maken. Klaagsters verwijt dat verweerder de belangen van de heer A zwaarder heeft laten wegen dan die van klaagster is naar het oordeel van de raad dan ook alleszins gerechtvaardigd. Verweerder heeft hiermee het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Ook de klachtonderdelen 3 en 4 zijn kortom gegrond.

5.5 Klachtonderdeel 5 - negeren verzoeken van gemeente en klaagster

Klaagster verwijt verweerder dat hij verzoeken van de gemeente en van klaagster om het dossier over te dragen heeft genegeerd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerder niet op de verzoeken van de gemeente heeft gereageerd. In het midden kan blijven of verweerder gehouden was tot overdracht van het dossier aan de gemeente. Los daarvan heeft namelijk te gelden dat verweerder redelijke verzoeken van de gemeente om informatie niet onbeantwoord mocht laten. Door dit wel te doen, heeft verweerder het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Ook klachtonderdeel 5 is derhalve gegrond.

5.6 Klachtonderdeel 6 – bankieren met derdengeldenrekening

Uit het door de deken overgelegde rapport van de Unit FTA volgt dat bij gelegenheid van het onderzoek naar verweerders kantoor meerdere tekortkomingen zijn geconstateerd. Zo is in klaagsters dossier gebleken dat verweerder op 4 april 2023 zonder vooraf verkregen toestemming van klaagster derdengelden heeft verrekend met zijn declaratie en dat hij op 24 oktober 2023 zonder vooraf van klaagster verkregen toestemming een bedrag van € 7.000,00 aan de heer A heeft overgemaakt. Ook heeft de Unit FTA geconstateerd dat verweerder op 28 mei 2025 nog eens een tweetal declaraties heeft verrekend zonder dat hij vooraf de daarvoor benodigde toestemming van klaagster en de heer A had verkregen. De raad vindt het opmerkelijk dat verweerder in klaagsters dossier op 28 mei 2025 ten tweede male tot verrekening is overgegaan, terwijl klaagster zich toen al over de eerste verrekening had beklaagd, die klacht door de deken gegrond werd geacht, de klacht op de mondelinge behandeling van 24 februari 2025 was behandeld en de raad aanleiding had gezien om de deken bij tussenbeslissing te verzoeken om het gebruik van de derdengeldenrekening van verweerder te onderzoeken.

5.7 Hoewel naar het oordeel van de raad genoegzaam is gebleken dat verweerder op ongeoorloofde wijze gebruik heeft gemaakt van zijn derdengeldenrekening door (mede) aan klaagster toekomende derdengelden te verrekenen met zijn declaraties en een betaling aan de heer A te verrichten, is de raad niet gebleken dat verweerder zich in klaagsters dossier heeft schuldig gemaakt aan bankieren met derdengelden. De raad zal klachtonderdeel 6 dan ook ongegrond verklaren.

6 MAATREGEL

6.1 De in de onderhavige klachtzaak gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten rechtvaardigen oplegging van een zware maatregel. Verweerder heeft gedurende lange periode de belangen van klaagster in zeer ernstige mate veronachtzaamd en het vertrouwen in de advocatuur geschaad. De raad stelt voorts vast dat verweerder gedurende de behandeling van de klacht, die onder meer ziet op het verrekenen van derdengelden zonder toestemming, nog twee keer is overgegaan tot het verrekenen van aan klaagster (en de heer A) toekomende derdengelden. Daarnaast heeft verweerder ter zitting van de raad van 31 augustus 2026 verklaard dat hij zich op 27 augustus 2026 heeft teruggetrokken als bestuurder van de Stichting Derdengelden, met als gevolg dat klaagsters advocaat geen zeggenschap meer heeft over aan klaagster (en de heer A) toekomende derdengelden.

6.2 Op grond van de ernst van het vastgestelde tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen en het feit dat verweerder reeds meerdere malen tuchtrechtelijk is veroordeeld acht de raad oplegging van een schorsing voor de duur van zes weken passend en geboden.

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Omdat de raad de klacht deels gegrond verklaart,moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) €   25,- reiskosten van klaagster;

b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c) € 500,- kosten van de Staat.

7.3 Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

  • verklaart de klachtonderdelen 1 tot en met 5 gegrond;
  • verklaart klachtonderdeel 6 ongegrond;
  • legt aan verweerder de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van zes weken op;
  • bepaalt dat de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat:
  • de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen;
  • verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat
  • de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. V.E.J. Noelmans, voorzitter, mrs. A.A.T. van Ginderen, S.M.P.T. Ruijs-Kreté, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 12 oktober 2026.

Griffier                                                                          Voorzitter

Verzonden op: 12 oktober 2026