ECLI:NL:TADRSHE:2026:115 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-330/DB/ZWB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:115
Datum uitspraak: 05-10-2026
Datum publicatie: 05-10-2026
Zaaknummer(s): 26-330/DB/ZWB
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een familierechtelijke procedure.  Verweerster heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld bij het uitvoeren van de aan haar verstrekte opdracht. Zij heeft geprobeerd de betalingsachterstand van de kinderalimentatie buiten het geschil te houden, maar heeft er terecht op gewezen daar niet omheen te kunnen als de wederpartij daarin niet meegaat. Verweerster heeft haar werkzaamheden niet op onzorgvuldige wijze neergelegd. Klacht ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 5 oktober 2026
in de zaak 26-330/DB/ZWB

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 11 oktober 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Op 15 april 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-091 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 24 augustus 2026. Klager heeft digitaal deelgenomen aan de zitting. Verweerster heeft fysiek deelgenomen aan de zitting.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 10. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van klager van 17 april 2026 en van verweerster van 1 mei 2026.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Op 17 juli 2025 heeft verweerster een opdrachtbevestiging verstuurd aan klager voor het geschil dat hij met zijn ex-partner had over de afwikkeling c.q. verdeling van de voormalige echtelijke woning. Verweerster heeft een plan van aanpak opgesteld. Ook heeft zij gevraagd of er nog bedragen te verrekenen vielen, waarbij verweerster heeft opgemerkt dat een eventuele achterstand in kinderalimentatie volgens haar wel verrekend kan worden maar dat dan duidelijk moet zijn wat de hoogte daarvan is. Verweerster heeft ook stukken opgevraagd over de kinderalimentatie. Ook heeft verweerster opgenomen dat zij de advocaat van de wederpartij zou vragen waarom deze meende dat klagers studieschuld niet verrekend diende te worden.

2.3    Op 19 augustus 2025 heeft klager stukken over de kinderalimentatie aangeleverd en een voorstel ter algehele afwikkeling gedaan. Verweerster heeft dit voorstel, waarbij ook is ingegaan op de alimentatiebetalingsachterstand, na akkoord van klager voorgelegd aan de wederpartij. Klager heeft de volgens hem verschuldigde kinderalimentatie vervolgens overgemaakt. De wederpartij heeft daarna gereageerd dat de verschuldigde alimentatie hoger zou zijn en is niet akkoord gegaan met het voorstel. Verweerster heeft toen een poging gedaan richting de wederpartij om de kinderalimentatie neer te leggen bij het LBIO zodat alleen over de verdeling van de woning verder zou worden gesproken.

2.4    Op 2 september 2025 heeft verweerster de advocaat van de wederpartij telefonisch gesproken. Verweerster heeft diezelfde dag aan klager geschreven dat haar poging om de alimentatiekwestie op de achtergrond te houden en naar het LBIO te verwijzen, niet is gelukt omdat de wederpartij daar niet in meewilde, omdat zij beide kwesties als onlosmakelijk verbonden achtte. Verweerster heeft klager daarom geadviseerd om alle bankafschriften van de betalingen boven water te krijgen.

2.5    Daarop heeft klager diezelfde dag gereageerd dat hij al vanaf het begin wilde voorkomen dat de verdeling van de woning wordt gekoppeld aan het alimentatiegeschil. Hij heeft verweerster erop gewezen dat haar mandaat uitsluitend gericht is op de verkoop van de woning en dat zij geen verweer mag voeren over de kinderalimentatie.

2.6    Verweerster heeft daarop diezelfde dag gereageerd dat klager daarin geen keuze heeft, omdat de wederpartij kan eisen daar daarover duidelijkheid komt en een procedure kan starten over zowel de kinderalimentatie als de verdeling van de woning. 

2.7    Klager heeft vervolgens gereageerd op 3 september 2025 en verzocht de zaak over te dragen aan verweersters kantoorgenoot. Op 4 september 2025 heeft verweerster aan klager medegedeeld dat zij constateert dat zij niet meer op één lijn zitten en dat zij haar werkzaamheden zal neerleggen. Daarbij heeft verweerster opgemerkt dat zij de zaak met haar kantoorgenote heeft besproken en dat deze eenzelfde werkwijze zou hanteren.

2.8    Diezelfde dag heeft klager gereageerd dat hij de samenwerking niet heeft opgezegd en heeft verweerster verzocht om te bevestigen of zij bereid is hem te blijven vertegenwoordigen binnen het mandaat over de verkoop van de woning en met uitsluiting van de kinderalimentatie. Klager heeft vervolgens aangekondigd een klacht op grond van de kantoorklachtenregeling in te zullen dienen en verweerster verzocht om een nieuwe advocaat voor hem aan te wijzen. De klacht is daarna ingediend en behandeld door de klachtenfunctionaris.

2.9    Er is vervolgens tussen klager en verweerster gecorrespondeerd over het al dan niet aanwijzen van een nieuwe advocaat door verweerster. Verweerster heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat zij daartoe niet verplicht is en dat klager zelf een nieuwe advocaat dient te zoeken.

2.10    Verweerster heeft medio september 2025 diverse berichten, die zij had ontvangen van de advocaat van de wederpartij, doorgestuurd aan klager.

2.11    Op 30 september 2025 heeft verweerster aan klager geschreven dat zij van de behandelend klachtenfunctionaris heeft vernomen dat de interne klacht met klager is besproken en dat een oplossingsrichting zou zijn dat er een opvolgend advocaat voor klager zou worden gezocht. Verweerster heeft daarom een mogelijk opvolgend advocaat benaderd en over de zaak geïnformeerd, maar heeft nadien niet meer gehoord van klager of de zaak werd overgenomen. Zij heeft vervolgens medegedeeld aan de advocaat van de wederpartij kenbaar te zullen maken dat zij zich heeft onttrokken en dat klager daarom weer rechtstreeks zal worden aangeschreven door de wederpartij.

 
3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende. 
a)    Verweerster heeft de overeengekomen opdracht niet overeenkomstig klagers instructies uitgevoerd;
b)    Verweerster heeft zich buiten haar mandaat begeven door alimentatie- en nevenkwesties in de zaak te betrekken;
c)    Verweerster heeft tijdens de klachtprocedure rechtstreeks en onzorgvuldig met klager gecommuniceerd;
d)    Verweerster heeft dossierinhoud met een derde besproken, zonder klagers voorafgaande toestemming;
e)    Verweerster heeft de beëindiging en overdracht van de zaak niet zorgvuldig geregeld, terwijl zij wist een dagvaarding concreet in voorbereiding was waardoor klagers positie tegenover de wederpartij concreet is verzwakt.

3.2    Klager heeft ter zitting verduidelijkt dat hij er niet op uit is om ervoor te zorgen dat aan verweerster een maatregel wordt opgelegd, maar dat volstaan kan worden met het beoordelen van de gegrondheid van zijn klacht.

4    VERWEER 

4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

Klachtonderdelen a) en b)
5.2    Het is de raad niet gebleken dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld bij het uitvoeren van de aan haar verstrekte opdracht. Verweerster heeft in de opdrachtbevestiging al helder gemaakt dat de betalingsachterstand van de kinderalimentatie een mogelijke rol zou spelen bij de verdeling van de woning. Zij heeft op verzoek van klager wel geprobeerd om de alimentatiekwestie buiten het geschil te houden, maar zij heeft er terecht op gewezen daar niet om heen te kunnen als de wederpartij daarin niet meegaat. Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat wordt dan ook verwacht dat zij de alimentatiekwestie vervolgens ook betrekt in haar advisering aan de cliënt, zoals verweerster heeft gedaan. Klachtonderdelen a) en b) zijn ongegrond.

Klachtonderdeel c)
5.3    Het is niet klachtwaardig dat verweerster gedurende de behandeling van klacht op grond van de kantoorklachtregeling rechtstreeks met klager heeft gecommuniceerd. Een dergelijk verbod bestaat niet. Van onzorgvuldige communicatie is de raad ook niet gebleken. Verweerster heeft juist zorgvuldig gehandeld door klager op de hoogte te houden van nieuwe correspondentie die zij ontving. Klachtonderdeel c) is ongegrond.

Klachtonderdelen d) en e)
5.4    Verweerster heeft, hoewel zij daartoe gedragsrechtelijk niet is gehouden, geprobeerd om een opvolgend advocaat voor klager te vinden. Dat zij daarbij confraterneel ook over de inhoud van de zaak heeft gesproken, acht de raad onder de gegeven omstandigheden niet klachtwaardig. Verweerster heeft juist zorgvuldiger gehandeld dan nodig was bij het neerleggen van haar werkzaamheden, door moeite te doen om een opvolgend advocaat te vinden voor klager.

Klachtonderdeel d) is ongegrond 
5.5    Het is de raad ook verder niet gebleken dat verweerster haar belangenbehartiging op onzorgvuldige wijze heeft neergelegd. Zij heeft daartoe besloten nadat klager het vertrouwen in haar had opgezegd, zodat zij op grond van gedragsregel 14 lid 2 ook gehouden was om haar werkzaamheden te beëindigen. Dat er een dagvaarding aan zou komen vanuit de wederpartij, maakt dat niet anders. Niet is gebleken dat termijnen zijn overschreden of dat dreigde te gebeuren waardoor klagers belangen onevenredig zijn geschaad. Klachtonderdeel e) is ongegrond.

Conclusie
5.6    De raad zal de klacht in het geheel ongegrond verklaren.

BESLISSING

De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. A.J.C. Perdaems en S.M.P.T. Ruijs-Kreté, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026.


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 5 oktober 2026