ECLI:NL:TADRSHE:2026:114 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-400/DB/OB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:114
Datum uitspraak: 05-10-2026
Datum publicatie: 05-10-2026
Zaaknummer(s): 26-400/DB/OB
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een familierechtelijke procedure. Klacht over het niet (tijdig) indienen een verzoek tot het eenhoofdig gezag over de kinderen slaagt niet. Verweerster heeft toegelicht dat een dergelijk verzoek niet thuishoorde in de uithuisplaatsingsprocedure, omdat daar niet de moeder van de kinderen maar Jeugdbescherming de wederpartij was. Verweerster was ook niet gehouden om dat verzoek (eerder) te doen, aangezien zij daar niet achterstond. Klacht ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
Van 5 oktober 2026
in de zaak 26-400/DB/OB

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 29 juli 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Op 11 mei 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 48|25|123K van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 24 augustus 2026. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 01 tot en met 07. Ook heeft de raad kennisgenomen van de nagezonden stukken van klager van 10 augustus 2026.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Klager is verwikkeld in een familierechtelijke procedure met zijn ex-partner. Verweerster staat klager daarin bij. In dat kader wordt geprocedeerd over het hoofdverblijf van hun kinderen en een omgangsregeling (hierna: de bodemprocedure). De bodemprocedure is langdurig aangehouden in verband met een NIFP-onderzoek.

2.3    Een van klagers kinderen, [naam], is bij beschikking van 22 november 2023 onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming Brabant. Op 25 juni 2024 heeft Jeugdbescherming Brabant verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [dochter]. Verweerster heeft namens klager verweer gevoerd tegen dit verzoek. Klager heeft zelf ook een vijftal e-mails aan de kinderrechter gestuurd. In één van deze e mails, van 24 juli 2024, heeft klager aan de kinderrechter verzocht om opheffing van de ondertoezichtstelling en aan hem het eenhoofdig gezag te verlenen.

2.4    Op 26 augustus 2024 heeft verweerster aan klager geschreven zich te zullen onttrekken als klager zelf communiceert met de rechtbank. Op 29 augustus 2024 heeft verweerster klager gevraagd waarom hij toch weer met de rechtbank communiceert tegen haar advies en gemaakte afspraken in.

2.5    Bij beschikking van 11 september 2025 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot de uithuisplaatsing van de minderjarige. In de beschikking is, voor zover relevant, overwogen:

“Eenhoofdig gezag 
Voor zover de vader had bedoeld te verzoeken om met het eenhoofdig gezag te worden belast, dan kan de kinderrechter dit verzoek niet behandelen en daarover geen beslissing nemen. Een dergelijk verzoek kan namelijk alleen schriftelijk worden ingediend door een advocaat en dat is niet gebeurd.”

2.6    Op 12 september 2024 heeft verweerster aan klager geschreven dat zij meermalen heeft laten weten dat het verzoek tot eenhoofdig gezag in de bodemzaak moet worden ingediend en dat zij het niet prettig vindt dat klager zich rechtstreeks tot de rechtbank wendt en tegen haar advies in om eenhoofdig gezag heeft verzocht.

2.7    Op 4 november 2024 heeft verweerster een aanvullend verzoek tot eenhoofdig gezag over de drie kinderen ingediend in de bodemprocedure, nadat klager daar herhaald op heeft aangedrongen ondanks dat de kans van slagen van het verzoek volgens verweerster klein was.

2.8    Op 29 juli 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:
Verweerster heeft klagers belangen onvoldoende zorgvuldig behartigd, door het verzoek tot het eenhoofdig gezag over klagers kinderen niet (tijdig) te hebben ingediend.

3.2    Klager verzoekt om de maatregel van schrapping op te leggen aan verweerster.

4    VERWEER 

4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
 
Beoordeling
5.2    De raad volgt klager niet in zijn betoog dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door niet (tijdig) een verzoek tot het eenhoofdig gezag over de kinderen in te dienen. Verweerster heeft toegelicht dat een dergelijk verzoek niet thuishoorde in de uithuisplaatsingsprocedure, omdat daar niet de moeder van de kinderen maar Jeugdbescherming de wederpartij was. Uit de beschikking van 11 september 2024 volgt ook niets anders dan dat het verzoek niet in behandeling kan worden genomen omdat dit niet door een advocaat is ingediend. Binnen het familierecht geldt namelijk verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat. Dat het verzoek wel zou zijn toegewezen als verweerster dat had ingediend binnen de uithuisplaatsingsprocedure of dat sprake was van een rechtelijke instructie daartoe, zoals klager stelt, klopt niet. 

5.3    Evenmin heeft verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door het verzoek niet eerder in de bodemprocedure te hebben ingediend. Verweerster heeft toegelicht dat zij de kansen voor toewijzing te klein achtte en dus niet achter het verzoek stond. Als dominus litis was zij dan ook niet gehouden om dat verzoek toch in te dienen. Verweerster heeft dat uiteindelijk wel gedaan in november 2024, nadat klager daar lang op heeft aangedrongen en de risico’s daarvan aanvaardde. De bodemprocedure lag op dat moment al langdurig stil, zodat ook niet gebleken is dat er door verweersters handelen een (onaanvaardbare) vertraging is ontstaan in de beoordeling van het verzoek.

5.4    De klacht is ongegrond.

BESLISSING

De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. A.J.C. Perdaems en M. de Maaré, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026.


Griffier    Voorzitter


Verzonden op: 5 oktober 2026