ECLI:NL:TADRSHE:2026:113 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-500/DB/ZWB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:113
Datum uitspraak: 05-10-2026
Datum publicatie: 05-10-2026
Zaaknummer(s): 26-500/DB/ZWB
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een civielrechtelijk geschil. Verweerder heeft niet integer gehandeld met zijn derdengeldenrekening, door de gelden in depot vrij te geven aan zijn cliënten, terwijl niet vaststond dat zij de rechthebbenden waren. Ook heeft hij daarmee in strijd gehandeld met ter zitting gemaakte schikkingsafspraken. Schending kernwaarde (financiële) integriteit. Voorwaardelijke schorsing van 6 weken.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 5 oktober 2026
in de zaak 26-500/DB/ZWB

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster
gemachtigde: [naam gemachtigde]

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 22 december 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 16 juni 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K26-001 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 24 augustus 2026. Daarbij waren de gemachtigde van klaagster en verweerder aanwezig.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 14. 

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Tussen klaagster en de kinderen van haar inmiddels overleden ex-partner (hierna: de erflater) liep een geschil over de eigendom van de woning van de erflater. Dit heeft geleid tot een kort geding, waarin de kinderen zijn bijgestaan door verweerder.

2.3    Tijdens de kortgedingzitting op 1 november 2024 is een schikking getroffen, die inhield dat een bedrag van € 140.000,- van de verkoopopbrengst van de woning in depot zou worden gestort bij de instrumenterend notaris, dan wel op de kwaliteitsrekening van een van bij de zaak betrokken advocaten. Het bedrag zou daarbij in depot blijven totdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de geschilpunten dan wel daarover een onherroepelijk vonnis is gewezen.

2.4    Het bedrag van € 140.000,- is vervolgens op 20 november 2024 in depot gestort op de derdengeldenrekening van verweerder. Er zijn vervolgens tot eind 2024 schikkingsonderhandelingen gevoerd, die niet hebben geleid tot overeenstemming. Verweerder heeft in november 2024 aangekondigd dat zijn cliënten voornemens waren om getuigenverhoren te laten plaatsvinden.

2.5    Op 26 mei 2025 heeft verweerder aan klaagsters advocaat geschreven dat er medio/eind december 2024 geen minnelijke overeenstemming is bereikt, dat het sindsdien stil is aan de zijde van klaagster en dat zij ook geen procedure entameert. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat klaagster de meest gerede partij is om een procedure te starten. Verweerder heeft vervolgens opgemerkt dat er in de schikkingsafspraken tijdens het kort geding geen termijn is verbonden aan de bedoelde overeenstemming of een vonnis, zodat zijn cliënten er recht en belang bij hebben om klaagster een redelijke termijn te stellen om haar vermeende aanspraak in rechte geldend te maken. Verweerder heeft klaagster daarom een termijn gesteld van vier weken, tot uiterlijk 23 juni 2025, om tot overeenstemming te komen dan wel een procedure te starten. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat als die termijn niet gehaald wordt, hij de € 140.000,- uit het depot aan zijn cliënten zal vrijgeven.

2.6    De advocaat van klaagster heeft niet binnen de door verweerder gestelde termijn gereageerd. Verweerder heeft het bedrag vervolgens op 25 juni 2026 vrijgegeven aan zijn cliënten. Verweerder heeft klaagsters advocaat daarvan diezelfde dag om 9:47 uur op de hoogte gebracht.

2.7    Op 25 juni 2025 om 9:48 uur heeft klaagsters advocaat gereageerd op het bericht van 26 mei 2025. Daarin heeft de advocaat benoemd dat verweerder in de laatst gevoerde overleggen had aangegeven dat zijn cliënten een procedure zouden starten, te beginnen met getuigenverhoren. Ook heeft de advocaat bezwaar gemaakt tegen het vrijgeven van het depotbedrag aan verweerders cliënten, met de opmerking dat er geen termijn is afgesproken en dat verweerder de spelregels daarover niet kan veranderen.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.

a)    Verweerder heeft aan klaagster toegezegd een gerechtelijke procedure te zullen starten, maar heeft dat niet gedaan;

b)    Verweerder heeft het in depot gehouden bedrag uitbetaald aan zijn cliënten, in strijd met de in het proces-verbaal vastgelegde afspraken.

4    VERWEER 

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
 

5    BEOORDELING

Toetsingskader

5.1    Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. 

5.2    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

5.3    Artikel 6.19 van de Verordening op de advocatuur (hierna: Voda) luidt, voor zover van belang:

1.    Een advocaat draagt er zorg voor dat derdengelden worden overgemaakt hetzij rechtstreeks naar de rechthebbende, hetzij naar de bankrekening van de stichting derdengelden die hem ter beschikking staat.

2.    Een advocaat die derdengelden onder zich heeft, maakt de gelden zodra de gelegenheid zich voordoet over naar de bankrekening van de stichting derdengelden of van de rechthebbende, en administreert het bedrag, de datum en wijze van ontvangst, de datum van overmaking, de begunstigde en de naam van de behandelend advocaat.

3.    (…)

Klachtonderdeel a)

5.4    Het is de raad niet gebleken dat verweerder een toezegging heeft gedaan dat hij een procedure zou starten namens zijn cliënten. Verweerder heeft in november 2024 slechts gesteld dat zijn cliënten voornemens waren dat te doen. Zijn cliënten hebben daarvan nadien kennelijk afgezien, zoals dat hen vrij stond. Klachtonderdeel a) is ongegrond.

Klachtonderdeel b) 

5.5    Verweerder heeft het geld dat in depot stond op zijn derdengeldenrekening vrijgegeven aan zijn cliënten, wat in strijd is met de ter zitting gemaakte afspraken. Niet in geschil is dat de gemaakte schikking onvolledig was doordat er geen termijn was gebonden aan de afspraken. Dat laat onverlet dat verweerder vervolgens niet eigenhandig heeft kunnen beslissen om de gelden alsnog vrij te geven aan zijn cliënten, zonder dat daarmee was ingestemd aan de zijde van klaagster of dat er een onherroepelijk rechterlijk oordeel aan te pas was gekomen. Dat de wederpartij niet binnen de door verweerder gestelde termijn had gereageerd, levert geen instemming op. Het was immers niet aan verweerder (of zijn cliënten) om eenzijdig die termijn te stellen. Als verweerder en zijn cliënten de zaak te lang vonden duren, dan had het op hun weg gelegen om een procedure te beginnen om alsnog vast te laten stellen wie de rechthebbende op het geld was. In zijn verweer heeft verweerder nog betoogd dat hij gehouden is om de gelden zo spoedig mogelijk over te maken aan de rechthebbende(n), maar daarmee miskent verweerder dat nog niet in rechte vaststond dat zijn cliënten daadwerkelijk de rechthebbenden waren. Klachtonderdeel b) is gegrond.

6    MAATREGEL

6.1    Verweerder heeft niet integer gehandeld met zijn derdengeldenrekening, door de gelden in depot vrij te geven aan zijn cliënten, terwijl niet vaststond dat zij de rechthebbenden waren. Dat is in strijd met artikel 6.19 van de Voda. Ook heeft hij daarmee in strijd gehandeld met ter zitting gemaakte schikkingsafspraken. Dit levert een grove schending op van de kernwaarde (financiële) integriteit. Verweerder heeft geen blijk gegeven in te hebben gezien dat hij onbetamelijk heeft gehandeld door de gelden vrij te geven. Hij heeft met name benadrukt dat het volgens hem om een uitzonderlijke situatie ging en dat hij ervan overtuigd was dat zijn cliënten ook verhaal kunnen bieden als uiteindelijk zou blijken dat zij niet de rechthebbenden zijn. De raad acht een stevige maatregel dan op zijn plaats, om verweerder te laten beseffen dat hij niet juist heeft gehandeld. De raad acht een geheel voorwaardelijke schorsing van zes weken daarvoor passend en geboden.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 25,- reiskosten van klaagster(s gemachtigde),
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdeel a) ongegrond;

-  verklaart klachtonderdeel b) gegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van zes weken op;

-    bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder de navolgende voorwaarde niet heeft nageleefd;

-     stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig             maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;

-     stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt.

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn       als hiervóór bepaald in overweging 7.3; 

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op     de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.4;

- bepaalt dat de in art. 8a lid 3 Advocatenwet bepaalde termijn wordt verkort tot 2 jaar.

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. A.J.C. Perdaems en M. de Maaré, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026.


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 5 oktober 2026