ECLI:NL:TADRSHE:2026:112 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-413/DB/LI/D
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:112 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-10-2026 |
| Datum publicatie: | 05-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-413/DB/LI/D |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Dekenbezwaar. Verweerder onttrekt zich stelselmatig aan het toezicht door de deken. Ook zijn er grote zorgen rondom de financiële continuïteit van zijn kantoor en heeft verweerder niet voldaan aan zijn verplichtingen uit de Voda. Schrapping. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 5 oktober 2026
in de zaak 26-413/DB/LI/D
naar aanleiding van het dekenbezwaar van:
de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg
deken
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 12 mei 2026 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend over verweerder.
1.2 Verweerder is in de gelegenheid gesteld om tot uiterlijk veertien dagen voor de zitting schriftelijk te reageren op het dekenbezwaar. Verweerder heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
1.3 Het dekenbezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 24 augustus 2026. Daarbij was de deken aanwezig, bijgestaan door zijn stafjurist. Verweerder is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerder voert een zelfstandige praktijk in de vorm van een eenmanszaak.
2.3 Bij beslissing van 6 maart 2023 (ECLI:NL:TADRSHE:2023:28) is beslist op een eerder dekenbezwaar over verweerder. Daarbij is aan verweerder de maatregel opgelegd van schorsing voor de duur van 6 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk. De raad heeft in die beslissing geoordeeld dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld doordat hij stelselmatig in gebreke is gebleven de door de deken gevraagde bescheiden te verschaffen, hetgeen strijdig is met het bepaalde in gedragsregel 29 en hij heeft gehandeld in strijd met de uit artikel 6.5 lid 1 sub b Voda voortvloeiende administratieplicht.
2.4 Op 24 mei 2024 is er voor een bedrag van € 1.476,10 executoriaal derdenbeslag gelegd op verweerders tegoeden bij de Raad voor Rechtsbijstand. De Raad voor Rechtsbijstand heeft dit op 12 juni 2024 bij de deken gesignaleerd. De deken heeft verweerder daarop verzocht om een toelichting te geven over de vordering en het gelegde beslag, een print te sturen met de standen van de lopende bankrekeningen en ervoor zorg te dragen dat de jaarrekening over 2023 binnen 14 dagen aan de deken ter beschikking is gesteld.
2.5 Op 17 juni 2024 heeft verweerder een schermafbeelding van de lopende bankrekening toegezonden en verklaard dat het beslag is gelegd door de Raad voor de rechtspraak wegens te laat betaalde griffierechten. Ook heeft verweerder toegelicht zijn bedrijfsvoering inmiddels aan te hebben gepast.
2.6 Op 30 september 2024 heeft verweerder zijn financiële kengetallen over 2023 aangeleverd bij de deken. Daaruit kwam een bedrag van € 118.036,- aan debiteuren en een samenstelling van overige schulden van € 61.185,-. De deken heeft hierover vragen gesteld.
2.7 Op 15 januari 2025 heeft verweerder toegelicht dat zijn boekhouder aanvullend en inhoudelijk zou reageren. Op 17 januari 2025 is verweerder verzocht deze reactie binnen drie weken te verstrekken. Op 7 februari 2025 heeft verweerder aan de deken laten weten wegens ziekte nog niet inhoudelijk te hebben kunnen reageren, maar dat hij de stukken uiterlijk de daaropvolgende week zou aanleveren. Op 17 februari 2025 heeft verweerder aan de deken bericht dat hij een afspraak heeft gemaakt met zijn accountant. Op 20 februari 2025 heeft verweerder een reactie van de accountant doorgestuurd, waaruit volgt dat de accountant in de eerste week van maart 2025 een tussentijds rapport zou opsturen. Op 26 februari 2025 is verweerder gevraagd wanneer zijn accountant de vragen van de deken kan beantwoorden. Ook is die dag een uitvraag kantooronderzoek verzonden. Op 12 maart 2025 heeft verweerder medegedeeld dat zijn accountant ten aanzien van de schuldenpositie suppleties heeft ingediend bij de Belastingdienst en dat er een bedrag klaarstaat ter integrale betaling van de gehele schuld. Over de debiteurenlijst heeft verweerder toegelicht dat er in juli 2024 een betaling is gedaan van € 36.800,- en dat hij ervan uit gaat dat een deel zal worden afgeschreven.
2.8 Op 26 maart 2025 heeft verweerder zijn CCV-opgave ingediend. Daaruit volgt dat verweerder niet heeft voldaan aan de kwaliteitstoetsen en de in dat kader vereiste acht punten niet heeft behaald.
2.9 Op 2 april 2025 heeft de Limburgse Orde een factuur verstuurd aan verweerder voor betaling van de hoofdelijke omslag over 2025.
2.10 Op 10 april 2025 heeft de deken aan verweerder laten weten dat zijn kantoorklachtenregeling niet volledig is en dat de website niet voldoet aan de Verordening op de advocatuur (hierna: Voda). Ook is gevraagd om binnen twee weken aanvullende informatie en de tussentijdse rapportage van de accountant te verstrekken.
2.11 Op 14 april 2025 heeft de deken een signaal ontvangen van de intervisiebegeleider van verweerder, dat verweerder twee facturen van € 169,40 en € 84,70 ondanks meerdere betalingsherinneringen niet heeft voldaan.
2.12 Op 24 april 2025 heeft de deken een datum voor het kantoorbezoek kenbaar gemaakt. Verweerder is daarbij verzocht om de op 10 april 2025 verzochte informatie binnen één week aan te leveren. Verweerder heeft op 1 mei 2025 laten weten de website met voorrang te laten bouwen en aan te passen. In een telefoongesprek van 7 mei 2025 heeft verweerder toegezegd de deken op de hoogte te brengen van de tussentijdse rapportage van de accountant zodra die bekend is.
2.13 Op 9 mei 2025 is opnieuw executoriaal derdenbeslag gelegd op verweerders tegoeden bij de Raad voor Rechtsbijstand, voor een bedrag van € 730,58. De Raad voor Rechtsbijstand heeft dit op 12 mei 2025 bij de deken gesignaleerd.
2.14 De deken heeft verweerder op 20 mei 2025 opnieuw een rappel gestuurd, met een termijn tot 1 juni 2025 om de gevraagde stukken aan te leveren en acties te verrichten.
2.15 Op 27 mei 2025 heeft de Limburgse orde een betalingsherinnering verstuurd voor de hoofdelijke omslag over 2025.
2.16 Op 1 juni 2025 heeft de deken enkele financiële overzichten, opgesteld door de accountant, ontvangen van verweerder. Verweerder heeft daarbij opgemerkt serieus te overwegen om in loondienst te gaan werken, omdat ondernemen volgens hem niet voor iedereen is weggelegd.
2.17 Op 19 juni 2025 heeft een kantoorbezoek plaatsgevonden bij verweerder. Tijdens het kantoorbezoek zijn afspraken gemaakt over de financiën, omdat de deken zorgen had over de financiële continuïteit van de praktijk van verweerder en een mogelijk faillissement. Zo heeft verweerder toegezegd met een bankafschrift inzichtelijk te maken dat hij privé € 100.000,- op een rekening heeft staan, dat hij de hoofdelijke omslag en facturen van de intervisiecoach zou betalen en ervoor zou zorgen dat het beslag onder de Raad voor Rechtsbijstand zou worden opgeheven. Ook is afgesproken dat verweerder zich uiterlijk 1 januari 2026 zou laten schrappen van het tableau. De deken heeft deze afspraken op 26 juni 2025 aan verweerder bevestigd.
2.18 Op 3 juli 2025 heeft verweerder de hoofdelijke omslag en intervisiefacturen betaald. Ook heeft hij de deken een bankafschrift verstuurd van een rekening op naam van zijn kind, waarop een bedrag van € 70.000,- staat. Verweerder heeft toegelicht dat de overige € 30.000,- in aandelen en cryptogeld zit. De deken heeft daarop gereageerd dat daaruit niet blijkt dat de financiële continuïteit gewaarborgd is omdat het geld niet aan verweerder toebehoort. Op 5 augustus 2025 heeft verweerder zijn standpunt herhaald dat het geld aan hem toebehoort en direct te gebruiken is. De deken heeft diezelfde dag een termijn van één week gesteld om de gevraagde informatie te verstrekken.
2.19 Op 15 september 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden op het Ordebureau. Tijdens dit gesprek heeft verweerder een schermafbeelding overgelegd waaruit volgt dat € 71.440,80 naar zijn rekening is overgemaakt.
2.20 Op 2 december 2025 en 11 december 2025 heeft de deken verweerder gevraagd naar de stand van zaken rondom het neerleggen van zijnadvocatenpraktijk Op 18 december 2025 heeft verweerder gereageerd zich bewust te zijn van de deadline en dat hij hoopt voor de kerst daarover definitief te kunnen berichten. Op 23 december 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden op het Ordebureau. Verweerder heeft tijdens dit gesprek toegelicht dat het hem geen goede optie leek om verder te gaan als advocaat-medewerker. Er is vervolgens aan nieuwe termijn voor het neerleggen van de praktijk afgesproken, te weten 1 februari 2026. Op 2 februari 2026 heeft verweerder medegedeeld zich nog niet te hebben laten schrappen, aangezien hij nog zaken moest afwikkelen. Op 23 februari 2026 heeft de deken verzocht om een concrete datum van uitschrijving te noemen, waarbij de deken melding heeft gemaakt van de vier tuchtklachten die op dat moment over verweerder waren ingediend en waarvan er al twee waren doorgezonden aan de raad. De deken heeft daarbij vermeld dat bij het uitblijven van een concrete uitschrijvingsdatum, hij zich genoodzaakt voelt om zelf actie te ondernemen. Verweerder heeft op 2 maart 2026 gereageerd zich vóór 3 april 2026 te laten schrappen.
2.21 Op 19 maart 2026 heeft de deken kenbaar gemaakt over te zullen gaan tot het indienen van een dekenbezwaar, vanwege een nieuwe tuchtklacht met kenmerk K25 091 (bij de raad bekend met zaaknummer 26-230/DB/LI). Op 7 april 2026 heeft op verzoek van verweerder een gesprek plaatsgevonden op het Ordebureau. Daarin is afgesproken dat vereerder uiterlijk 8 april 2026 een verzekeringsbewijs van zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en een betaalbewijs van de premie zou aanleveren. Verweerder heeft op 8 april 2026 een bericht van de verzekeraar doorgestuurd aan de deken, waaruit volgt dat verweerder verzekerd was maar dat hij zijn premie nog niet had betaald. Uit het bericht van de verzekeraar volgt ook dat verweerder zou worden geroyeerd als de betaling vóór 17 april 2026 niet zou zijn verricht. Verweerder heeft de premie uiteindelijk op 16 april 2026 om 21.00 uur betaald. Op 23 april 2026 heeft de adjunct-secretaris van de deken verweerder herinnerd aan de gemaakte afspraken en verzocht om de CCV-opgave over 2025 in te dienen, waarvan de deadline op 3 april 2026 reeds was verstreken. Daarbij is een voornemen tot een last onder dwangsom aangekondigd. Verweerder heeft op 28 april 2026 gereageerd op het aangekondigde dekenbezwaar en medegedeeld dat hij zich uiterlijk 18 mei 2026 zal laten schrappen. Op 29 april 2026 heeft hij de CCV-opgave over 2025 ingediend. Uit de CCV-opgave volgt dat verweerder geen opleidingspunten heeft behaald in het kader van de vakbekwaamheid en dat hij slechts vier van de vereiste acht uur aan intercollegiaal overleg heeft gevolgd. De deken heeft op 6 mei 2026 gereageerd vast te houden aan zijn beslissing om een dekenbezwaar te gaan indienen.
2.22 Bij beslissing van 13 juli 2026 (ECLI:NL:TADRSHE:2026:84) is door de raad beslist op drie klachtzaken over verweerder. Aan verweerder is de maatregel van schrapping opgelegd. Verweerder heeft hiertegen op 12 augustus 2026 hoger beroep ingesteld.
2.23 Op 17 juli 2026 heeft de deken verweerder aangeschreven over het tekort aan opleidingspunten en bestede uren aan kwaliteitstoetsen.
2.24 Op 24 augustus 2024 om 10.21 uur heeft verweerder, in het kader van een procedure over een eventuele tenuitvoerlegging van de op 6 maart 2023 opgelegde voorwaardelijke schorsing (zaaknummer: 26-723/DB/LI) aan de raad en de deken medegedeeld zich uiterlijk op 31 augustus 2026 van het tableau te zullen laten schrappen. Daarbij heeft hij toegelicht enkel tegen één klachtzaak uit de beslissing van 13 juli 2026 zijn hoger beroep te zullen handhaven, dat hij het hoger beroep voor het overige zal intrekken en dat het hem overbodig lijkt om een dubbele schrapping op te leggen, omdat hij zichzelf al zal schrappen en de schrapping van 13 juli 2026 definitief zal worden.
2.25 Vanaf 2022 zijn er elf tuchtklachten over verweerder ingediend, waarvan het merendeel afkomstig is van zijn eigen cliënten. Deze klachten zijn onder meer afkomstig van de heren [B], [G] en [L]. De klacht van [B] is ingediend op 5 april 2024. Uit de dekenvisie op die klacht, van 23 april 2025, volgt dat is geklaagd over het laten verstrijken van termijnen en het slecht of niet communiceren en dat door verweerder is erkend dat hij de belangen van zijn cliënt niet naar behoren heeft behartigd.
3 DEKENBEZWAAR
3.1 Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerder het volgende.
a) Verweerder blijft stelselmatig in gebreke om de door de deken gevraagde bescheiden te verschaffen, wat in strijd is met gedragsregel 29;
b) Er zijn langdurig en ernstige zorgen over de financiële soliditeit van verweerders praktijkvoering en er is een groot risico van faillissement. Verweerder slaagt er niet in zijn praktijk op orde te brengen of aan te tonen in privé over voldoende spaartegoeden te beschikken om het faillissementsrisico te ondervangen. Verweerder komt zijn toezeggingen niet na en levert financiële gegevens standaard te laat aan. Niet kan worden vastgesteld dat de continuïteit van verweerders praktijk afdoende gewaarborgd is teneinde de behartiging van de belangen van cliënten niet in gevaar te laten komen;
c) Verweerder komt de regelgeving uit de Voda rondom kwaliteitstoetsen en opleidingspunten niet na;
d) Verweerder is meermaals ernstig tekortgeschoten in de belangenbehartiging van zijn (voormalige) cliënten, waardoor de kernwaarden (financiële) integriteit en deskundigheid en gedragsregels 1, 6, 12 ,14 en 16 zijn geschonden.
3.2 De deken verzoekt de raad om de maatregel van schrapping op te leggen aan verweerder.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft, behoudens zijn bericht van 24 augustus 2026 om 10.21 uur, geen verweer gevoerd tegen de klacht.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. De deken vertegenwoordigt met het dekenbezwaar het algemeen belang, waaronder het belang van bewaking en bevordering van de kwaliteit van de dienstverlening van de advocatuur. Voor de beoordeling van het dekenbezwaar wordt bij deze maatstaf aansluiting gezocht.
Klachtonderdeel a)
5.2 Gedragsregel 29 luidt: Bij een tuchtrechtelijk onderzoek, een verzoek om informatie van de deken dat met een mogelijk tuchtrechtelijk onderzoek verband houdt of een verzoek om medewerking op grond van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, is de betrokken advocaat verplicht alle gevraagde inlichtingen aanstonds aan de deken te verstrekken, zonder zich op zijn geheimhoudingsplicht te kunnen beroepen, behoudens in bijzondere gevallen.
5.3 Uit het feitenverloop volgt dat verweerder stelselmatig niet (tijdig) heeft gereageerd op informatieverzoeken van de deken. Dit is door verweerder ook niet weersproken. Klachtonderdeel a) is gegrond.
Klachtonderdeel b)
5.4 De deken heeft uitvoerig toegelicht welke financiële zorgen er zijn rondom de financiële continuïteit van verweerder. Zo heeft de deken inzichtelijk gemaakt dat verweerder een hoge schuldenpost heeft, terwijl daartegenover niet voldoende (inbare) inkomsten zijn gebleken om een mogelijk faillissement het hoofd te bieden. Zorgelijk is het dat verweerder meermaals niet in staat is geweest om facturen van relatief beperkte bedragen (€ 169,40 en € 84,70) (tijdig) te voldoen, de hoofdelijke omslag tijdig te betalen en dat er meermaals executoriaal derdenbeslag is gelegd onder de Raad voor Rechtsbijstand door de Raad voor de rechtspraak, omdat verweerder niet in staat is om de griffierechten tijdig te voldoen. Niet alleen komt daardoor de kernwaarde onafhankelijkheid in het gedrang, omdat verweerder door financiële zorgen kwetsbaar wordt in het aannemen en afwijzen van zaken, maar heeft verweerder ook het vertrouwen geschaad dat de Rechtspraak moet kunnen hebben in advocaten dat zij de in hun zaken geheven griffierechten betalen. Verweerder beschikt privé kennelijk over grotere bedragen, in cryptogeld dan wel op bankrekeningen van zijn zoon, maar desalniettemin spelen er al langere tijd financiële zorgen rondom zijn praktijk en heeft hij voornoemde financiële verplichtingen niet of pas na lang aandringen voldaan. Verweerder heeft het dekenbezwaar ook op dit punt niet weersproken. Klachtonderdeel b) is gegrond.
Klachtonderdeel c)
5.5 De deken heeft gesteld dat uit de CCV-opgaves van verweerder volgt dat hij niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit artikel 4.3a dan wel artikel 4.3b en artikel 4.4 van de Voda. Dit is evenmin weersproken door verweerder. Klachtonderdeel c) is gegrond.
Klachtonderdeel d)
5.6 De deken heeft ter onderbouwing van dit klachtonderdeel gewezen op de klachten die hij heeft ontvangen van [B] (zaaknummer 26-746/DB/LI), [G] (zaaknummer 26-031/DB/LI) en [L] (zaaknummer 26-230/DB/LI). Op de twee laatstgenoemde klachtzaken is reeds beslist door de raad, in de beslissing van 13 juli 2026 die heeft geleid tot een schrapping. Verweerder heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld. Hoewel in strikte zin nog geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 47b lid 1 van de Advocatenwet – de beslissing van 13 juli 2026 is immers nog niet onherroepelijk – is de raad van oordeel dat deze twee klachtzaken niet opnieuw aan de orde kunnen worden gesteld in dit dekenbezwaar, vanwege het ne bis in idem-beginsel zoals dat voortvloeit uit artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.7 De eerstgenoemde klachtzaak, die op 23 november 2026 ter zitting zal worden behandeld, leidt in deze procedure ook niet tot een gegrondverklaring van dit klachtonderdeel. De deken heeft ter onderbouwing van dit verwijt gewezen op zijn dekenvisie en de klacht. De raad beschikt in deze procedure echter niet over het gehele klachtdossier, zodat niet in volle omvang beoordeeld kan worden beoordeeld of hetgeen verweerder daarin verweten is juist is. Het is voor de raad dan ook niet met voldoende zekerheid vast te stellen dat verweerder daarin heeft gehandeld zoals hem hier door de deken wordt verweten. Klachtonderdeel d) is ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door stelstelmatig de deken te negeren en niet te voldoen aan zijn informatieverzoeken. Uit verweerders verklaringen die zich in het dossier bevinden, is het verweerder zelf (ook) gebleken dat hij niet geschikt is als advocaat, maar desondanks is hij zijn toezegging om zich te laten schrappen van het tableau iedere keer weer niet nagekomen. De deken is hierdoor aan het lijntje gehouden door verweerder. De raad kan dit gedrag niet anders bestempelen dan het zich onttrekken aan en het frustreren van het toezicht door de deken. Ook richting de raad heeft verweerder zich niet verantwoord, anders dan een korte e-mail enkele uren voorafgaand aan de zitting, waarop hij ook niet is verschenen. In die e-mail heeft verweerder toegezegd zich uiterlijk 31 augustus 2026 uit te laten schrijven, maar ook dit is niet gebeurd. De raad acht verweerders woord dan ook niet geloofwaardig.
6.2 Hier komt bij dat er ernstige zorgen zijn over de financiële continuïteit en daarmee ook de kernwaarde onafhankelijkheid van (de praktijk van) verweerder. Ook hier heeft de deken verweerder vaak moeten aanspreken om de door hem gevraagde financiële gegevens te krijgen en om verweerder aan te sporen om aan zijn verplichtingen te voldoen. Dit versterkt het beeld dat verweerder zich niets of nauwelijks wat aantrekt van de deken. Dat geldt ook voor het nakomen van zijn verplichtingen op basis van de Voda, zoals het behalen van voldoende opleidingspunten en deelname aan kwaliteitstoetsen.
6.3 Ook valt het nodige te zeggen over de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder, waarvan hij ook zelf heeft erkend dat hij steken heeft laten vallen. De raad weegt bij het bepalen van de hoogte van de maatregel mee dat verweerder reeds door de raad is geschrapt vanwege tekortschietende kwaliteit van de dienstverlening (zie de beslissing van 13 juli 2026). Ook daar heeft de raad meegewogen dat verweerder herhaalde verzoeken van de deken onbeantwoord heeft gelaten en zich niet ter zitting heeft verantwoord. Verweerder heeft in deze kwestie vergelijkbaar gehandeld. Van enige reflectie is de raad niet gebleken, anders dan de conclusie die verweerder kennelijk voor zichzelf heeft getrokken dat hij geen toekomst meer heeft in de advocatuur. De raad komt ook tot dat oordeel. Het is niet verantwoord dat verweerder de praktijk nog langer uitoefent met de grote zorgen die er zijn rondom zijn praktijkvoering en waarbij hij zich onttrekt aan het toezicht van de deken. De door de deken verzochte schrapping is daarom de enige passende maatregel.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel
48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.2 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdelen a) tot en met c) gegrond;
- verklaart klachtonderdeel d) ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van schrapping op;
- ingaande op de tweede dag na het onherroepelijk worden van deze beslissing;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.2;
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. A.J.C. Perdaems en M. de Maaré,
leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 5 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 5 oktober 2026