ECLI:NL:TADRSHE:2026:11 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-617/DB/LI
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:11 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-01-2026 |
| Datum publicatie: | 26-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-617/DB/LI |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat bij een Catshuisregeling (KOT)-procedure. De raad acht de strategie van verweerder, gelet op het karakter van de procedures rondom de Catshuisregeling en de daarbij behorende bewijslastverdeling, niet evident onnavolgbaar. Dat verweerder klaagster aan haar lot heeft overgelaten door geen werkzaamheden te verrichten in haar dossier, is voor de raad niet komen vast te staan. Klacht ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 26 januari 2026
in de zaak 25-617/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 19 februari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 12 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-021 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 december 2025. Klaagster is daarbij, met voorafgaand bericht, niet aanwezig geweest. Verweerder heeft digitaal deelgenomen aan de zitting.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 7. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van klaagster van 12 september 2025 en 22 oktober 2025 en van verweerder van 16 oktober 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster wenst aangemerkt te worden als gedupeerde in het Kinderopvangtoeslagenschandaal, om in aanmerking komen voor de Catshuisregeling. Zij heeft zich daarvoor tot verweerder gewend om haar daarin bij te staan. Verweerder heeft een verzoek om een ‘Lichte Toets’ ingediend. Nadat de beslistermijn op de Integrale Beoordeling niet is gehaald, heeft verweerder de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) in gebreke gesteld.
2.3 Op 4 augustus 2024 heeft klaagster gevraagd of verweerder nog contact heeft gehad met de Belastingdienst. Diezelfde dag heeft verweerder gemeld een zienswijze, verzoek om het dossier en een ingebrekestelling te hebben ingediend en dat zij dit kon vinden in haar digitaal raadpleegbare dossier.
2.4 De ‘Lichte Toets’ is in september 2024 afgewezen. Verweerder heeft namens klaagster bezwaar gemaakt tegen deze afwijzende beschikking. Ook heeft hij een aanvraag om een ‘Integrale Beoordeling’ gedaan. Nadat de beslistermijn op de Integrale Beoordeling niet is gehaald, heeft verweerder de UHT opnieuw in gebreke gesteld en vervolgens een beroep wegens het niet tijdig beslissen (BNTB) ingediend bij de rechtbank.
2.5 Op 8 november 2024 heeft een oudergesprek plaatsgevonden tussen klaagster, bijgestaan door verweerder, en de UHT.
2.6 Klaagster heeft nadien, ondanks advies van verweerder om dat niet te doen, veelvuldig buiten hem om gecommuniceerd met de persoonlijk zaakbehandelaar bij de UHT. Verweerder is daarbij in de cc opgenomen bij diverse van deze e-mails.
2.7 Op 30 december 2025 heeft de persoonlijk zaakbehandelaar aan klaagster, zonder verweerder in de cc, geschreven:
“(…) Als ik het goed heb begrepen zal uw advocaat inhoudelijk reageren op de brief binnen 2 weken (de zienswijze termijn). Zodra u de brief hebt ontvangen kunnen wij bellen om deze te bespreken mocht u daar behoefte aan hebben.”
2.8 Op 7 januari 2025 heeft verweerder aan klaagster geschreven:
“De stand van zaken kunt u op ieder moment inzien in uw digitale dossier. Op dit moment
heb ik nog geen uitspraak van de rechtbank mogen ontvangen. Ik heb inmiddels wel al
om een uitspraak verzocht.”
2.9 Op 30 januari 2025 heeft de persoonlijk zaakbehandelaar aan klaagster en verweerder geschreven:
“Tot op heden heb ik geen reactie van u ontvangen op de vooraankondiging, de zienswijzetermijn
is inmiddels voorbij. Heeft u alles begrepen en bent u het ermee eens? Dan kan ik
namelijk de definitieve beschikking aanvragen.”
2.10 Op 4 februari 2025 heeft klaagster aan de persoonlijk zaakbehandelaar, met verweerder in de cc, geschreven:
“Tot heden heb ik niets vernomen van mijn advocaat. Helaas.. Ik ben hier enigszins
teleurgesteld over, vanuit daar heb ik het besluit genomen dan maar het gesprek zonder
ondersteuning aan te gaan. [Naam persoonlijk zaakbehandelaar], wij hebben elkaar kort
telefonisch gesproken. Fijn dat er nog mogelijkheid is om de zienswijze na verloop
van de termijn te kunnen doen, dankjewel. (…)”
2.11 Op 19 februari 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder. Diezelfde dag heeft zij aan de Raad voor Rechtsbijstand verzocht om een nieuwe advocaat:
“Graag krijg ik een andere advocaat toegewezen die mij bijstaat in proces mbt onderzoek
toeslagen affaire. De advocaat [verweerder] die mij zou bijstaan laat tot heden niets
meer weten waardoor ik nu alleen in proces alles dien te doen. Mij is zo o.a. ook
gezegd dat ik een klacht mag en kan indienen, wat ik ook overweeg... ik vind het echt
wel een beetje lastig en kan niet begrijpen hoe het kan dat een advocaat op deze manier
de zaak verwaarloost gezien de kwetsbaarheid van mij en andere gedupeerden.”
2.12 Op 5 maart 2025 heeft een medewerker van de Raad voor Rechtsbijstand aan klaagster geschreven:
“(…) De klachtenprocedure is wat onduidelijk. Er is wel een klachtregeling [website
verweerder] en ik zou de klacht sturen naar hun mailadres [e-mailadres verweerder].
Dan maar even afwachten en contact opnemen met de orde. (…)”
2.13 Op 10 maart 2025 heeft verweerder aan klaagster geschreven:
“Met verbazing heb ik kennisgenomen van het feit dat u de deken heeft gecontacteerd en stelt dat ik u niet op de hoogte zou houden van uw zaak. Uw beweringen zijn aantoonbaar onjuist en ik kan alleen maar constateren dat er op dit moment geen vertrouwensband voorhanden is. Om deze reden leg ik dan ook per direct mijn werkzaamheden neer en adviseer u om een andere advocaat te benaderen zodat ik uw dossier kan overdragen. Voor de goede orde wijs ik u erop dat ik dus geen werkzaamheden meer zal uitvoeren en verweerder zal berichten dat ik u niet langer bijsta.”
2.14 Verweerder werkt met een softwareprogramma waarin zijn dossiers voor cliënten zichtbaar zijn door middel van een link. Verweerder heeft deze link ook op verzoek nagestuurd aan klaagster. Daarnaast heeft verweerder als automatisch antwoord bij zijn e-mailadres ingesteld dat e-mailberichten zonder vragen onbeantwoord blijven en dat gestelde vragen binnen maximaal vijf dagen worden beantwoord, bij uitblijven waarvan een reminder gestuurd dient te worden of telefonisch contact opgenomen dient te worden.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.
a) Verweerder is sinds november 2024 niet meer bereikbaar geweest, waardoor de Belastingdienst klaagsters dossier bijna heeft gesloten en klaagster de procedure zelf moet voeren;
b) Verweerder heeft geen mogelijkheid om een klacht in te dienen bij zijn kantoor.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a)
5.2 Mede gelet op zijn toelichting ter zitting en het gebrek van een betwisting daarvan door klaagster, heeft verweerder inzichtelijk gemaakt dat hij als een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat de belangen van klaagster heeft behartigd. Verweerder heeft toegelicht dat hij de benodigde aanvragen heeft gedaan bij de UHT en dat het vervolgens, door de enorme achterstanden bij de UHT, nu eenmaal lang duurt voordat er schot in de zaak komt. Waar nodig heeft hij ingebrekestellingen verstuurd en BNTN-procedures gestart. De uitkomst daarvan diende vervolgens te worden afgewacht. Anders dan klaagster stelt, was het niet mogelijk dat de UHT deze dossiers zou sluiten bij gebrek aan een reactie, omdat de aanvraag liep en de UHT als bestuursorgaan vervolgens verplicht is om daarop te beslissen. Het eenzijdig sluiten van deze dossiers is niet mogelijk. Verder heeft verweerder toegelicht dat hij klaagster heeft gewaarschuwd dat zij niet rechtstreeks en op eigen initiatief met de UHT diende te corresponderen in afwachting van de besluiten. De raad is het met verweerder eens dat het hem niet kan worden verweten dat zijn advies in de wind is geslagen. Mogelijk had verweerder dit advies kunnen herhalen aan klaagster nadat zij toch herhaaldelijk contact heeft opgenomen met de UHT, maar dit doet er niet aan af dat hij haar daarover adequaat heeft geadviseerd. Verweerder heeft er in dat verband ook op gewezen dat klaagster hem niet rechtstreeks vragen heeft gesteld in de betreffende periode, onder verwijzing naar een schermafbeelding van zijn Outlook, en dat er ook geen inkomende telefoontjes van klaagster zijn geregistreerd bij zijn provider. Voor zover de zienswijze in het kader van de Integrale Toets niet is ingediend, heeft verweerder daarover naar voren gebracht dat het aan de UHT is om te bewijzen welke brieven er 15 jaar geleden zijn gestuurd en dat het zijn strategie is om die bewijslast zoveel als mogelijk bij de UHT te houden, omdat dit betere kansen schept voor het toewijzen van de aanvragen van zijn cliënten. Waar nodig dient hij wel zienswijzen in. In dat verband heeft hij erop gewezen dat hij zich niet hoeft te houden aan de termijnen die de UHT stelt aan het indienen daarvan, omdat de UHT bij het nemen van een besluit alle informatie moet meewegen die daar voorafgaand bekend is. Ook na de afloop van de termijn kan er dus nog een zienswijze worden ingediend. Verweerder heeft toegelicht dat de UHT in álle zaken te laat is met beslissen en die mogelijkheid dus ook voldoende aanwezig is.
5.3 De raad acht ook dat, gelet op het karakter van de procedures rondom de Catshuisregeling en de daarbij behorende bewijslastverdeling, geen evident onnavolgbare strategie. Dat verweerder klaagster aan haar lot heeft overgelaten door geen werkzaamheden te verrichten in haar dossier, is voor de raad niet komen vast te staan. Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b)
5.4 De raad stelt vast dat klaagster door de medewerker van de Raad voor Rechtsbijstand is gewezen op de klachtregeling van verweerder. Klaagster kan er dan ook niet in worden gevolgd dat het voor haar niet mogelijk was om een klacht in te dienen. Klachtonderdeel b) is daarom ongegrond. Overigens geldt dat in beginsel slechts de deken een rechtstreeks betrokken belang heeft bij het klagen over het ontbreken van een kantoorklachtenregeling, zoals artikel 6.28 van de Verordening op de advocatuur van advocaten vereist om te hebben.
Conclusie
5.5 De klacht is in het geheel ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. H.M.S. Cremers en U.T. Hoekstra,
leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 26 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 januari 2026