ECLI:NL:TADRSHE:2026:109 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-723/DB/LI

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:109
Datum uitspraak: 09-09-2026
Datum publicatie: 09-09-2026
Zaaknummer(s): 26-723/DB/LI
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Tul
Beslissingen: Tenuitvoerlegging
Inhoudsindicatie: Ambtshalve beslissing tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke schorsing.

Ambtshalve beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ’s Hertogenbosch
van 9 september 2026 
in de zaak 26-723/DB/LI

tot tenuitvoerlegging van de bij beslissing van 6 maart 2023 (zaaknummer 22-775/DB/LI/D) aan

verweerder 

opgelegde voorwaardelijke schorsing op grond van artikel 48e van de Advocatenwet, met als belanghebbende

de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg
 

deken

1    FEITEN EN PROCESVERLOOP

1.1    Bij beslissing van 6 maart 2023 (ECLI:NL:TADRSHE:2023:28) heeft de raad aan verweerder een schorsing opgelegd voor de duur van 6 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk. Daarbij is bepaald dat het voorwaardelijk gedeelte van de maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd.

Als algemene voorwaarde is gesteld dat verweerder zich binnen de proeftijd van twee jaar, ingaande op de dag dat de beslissing onherroepelijk is geworden, niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging.

Als bijzondere voorwaarde is gesteld dat verweerder binnen vier weken na de beslissing alsnog de gevraagde financiële bescheiden bij de deken zal aanleveren.

1.2    Tegen de beslissing van 6 maart 2023 is geen hoger beroep ingesteld. De beslissing is onherroepelijk geworden op 6 april 2023. De proeftijd van de voorwaardelijke schorsing heeft gelopen van 6 april 2023 tot 6 april 2025.

1.3    Bij beslissing van 13 juli 2026 (ECLI:NL:TADRSHE:2026:84) is beslist op drie klachtzaken over verweerder (25-684/DB/LI; 26-031/DB/LI en 26-230/DB/LI). 

1.4    Op 14 augustus 2026 heeft de raad ambtshalve besloten om een eventuele tenuitvoerlegging van de op 6 maart 2023 opgelegde voorwaardelijke schorsing op 24 augustus 2026 ter zitting te behandelen. Verweerder en de deken zijn in de gelegenheid gesteld om tot uiterlijk 20 augustus 2026 een zienswijze in te dienen.

1.5    De deken heeft op 18 augustus 2026 een zienswijze ingediend, waarin hij zich op het standpunt heeft gesteld dat verweerder zich gedurende de proeftijd meermaals schuldig heeft gemaakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging.

1.6    Verweerder heeft op 24 augustus 2026 om 10.21 uur een zienswijze ingediend:

“Ten aanzien van de door Deken verzochte TUL. Ik zal op zeer korte termijn mijzelf schrappen van het tableau. Ik ben in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van 13 juli jl. vanwege 1 zaak in het bijzonder (M). Aangezien het één uitspraak betreft ben ik in het geheel in hoger beroep gegaan. 
 

Dat laat onverlet dat ik mij uiterlijk op 31 augustus a.s. van het tableau zal schrappen. 
 

Gelijk zoals in het strafrecht op grond van de wet, jurisprudentie, het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel diende een mogelijke overtreding in de periode van de proeftijd aanhangig gemaakt te worden bij Uw Raad. Dat is niet alleen niet gebeurd, de mijn verweten gedragingen in de genoemde periode zijn subjectief te noemen en zijn niet aanhangig gemaakt, of zijn van latere periode. Dat betekent dat de vordering TUL ten alle tijden in dit geval afgewezen dient te worden. 
 

Ik begrijp het standpunt van de Deken, echter zoals ik al meermaals met de Deken heb besproken zal ik op zeer korte termijn stoppen. Het lijkt mij het meest raadzaam om het hoger beroep in te trekken tegen Uw uitspraak van 13 juli jl. (behalve M) en dat ik mijzelf al schrap en dat ook de uitspraak van schrapping definitief is. Een dubbele schrapping is dan uiteraard overbodig. De zaak van mw. M zal ik ten alle tijden doorzetten.”

1.7    De eventuele tenuitvoerlegging is behandeld op de zitting van de raad van 24 augustus 2026 om 12.30 uur. Daarbij was de deken aanwezig. Verweerder is niet verschenen. 

2    BEOORDELING

2.1    Over het dossier 26-031/DB/LI is geoordeeld dat verweerder op grove wijze tekort is geschoten in de belangenbehartiging van en de communicatie met de klager. De klacht is gegrond verklaard. Uit de feiten van deze klachtzaak volgt dat de tekortschietende belangenbehartiging en communicatie hebben plaatsgevonden vanaf in ieder geval 25 september 2024 tot ruim na de proeftijd. De raad concludeert dan ook dat verweerder zich gedurende de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging.

2.2    Over het dossier 26-230/DB/Li is geoordeeld dat verweerder ernstig tekort is geschoten in communicatie met en de bijstand en advisering van de klager. De klacht is gegrond verklaard. Uit de feiten van deze klachtzaak volgt dat de tekortschietende communicatie heeft plaatsgevonden vanaf 28 maart 2025 tot ruim na de proeftijd. De raad concludeert ook hier dat verweerder zich gedurende de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een in artikel 46 van de Advocaten bedoelde gedraging.

2.3    Over het dossier 25-684/DB/LI is geoordeeld dat verweerder tussen 28 maart 2025 en 30 maart 2025 niet heeft voldaan aan zijn (verdergaande) plicht om de juistheid van de door hem gepresenteerde informatie te controleren, waardoor hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De raad concludeert dat verweerder ook op dit punt zich gedurende de proeftijd schuldig heeft gemaakt een aan in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging. 

2.4    Het betoog van verweerder dat een mogelijke overtreding van artikel 46 van de Advocatenwet binnen de proeftijd aanhangig gemaakt moet zijn om als basis voor een tenuitvoerlegging te dienen, wordt niet gevolgd. Uit de beslissing van 6 maart 2023 volgt dat verweerder zich binnen de proeftijd niet schuldig mag maken aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging. Het moet dus gaan om handelen tijdens de proeftijd. Dat pas na afloop van de proeftijd wordt vastgesteld dat het handelen tuchtrechtelijk verwijtbaar is geweest, vormt geen reden om niet tot een tenuitvoerlegging over te kunnen gaan.

2.5    Op grond van het bovenstaande zal de raad, met toepassing van artikel 48e van de Advocatenwet, de tenuitvoerlegging gelasten van de bij de beslissing van 6 maart 2023 voorwaardelijk aan verweerder opgelegde schorsing voor de duur van vier weken.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    gelast de tenuitvoerlegging van de bij beslissing van 6 maart 2023 voorwaardelijk opgelegde schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken;

- bepaalt dat de schorsing ingaat op 16 september 2026 met dien verstande dat:

a.    de schorsing pas ingaat na afloop van eventueel eerder onherroepelijk geworden schorsingen;

b.    verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar ten uitvoer worden gelegd;

c.    de schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven. 


Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. A.J.C. Perdaems en M. de Maaré, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 9 september 2026