ECLI:NL:TADRSHE:2026:108 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-745/DB/LI

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:108
Datum uitspraak: 28-08-2026
Datum publicatie: 28-08-2026
Zaaknummer(s): 26-745/DB/LI
Onderwerp: Artikel 60 b e.v., subonderwerp: Artikel 60 b Advocatenwet
Beslissingen: 60b
Inhoudsindicatie: Verzoek op grond van artikel 60b Advocatenwet toegewezen. Onmiddellijke schorsing en treffen van voorzieningen.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 28 augustus 2026
in de zaak 26-745/DB/LI

naar aanleiding van het verzoek op grond van artikel 60b, subsidiair artikel 60ab van de Advocatenwet van:

de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg
deken

over:

verweerster

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 20 augustus 2026 heeft de deken een verzoek op grond van artikel 60b, subsidiair artikel 60ab van de Advocatenwet ingediend over verweerster.

1.2    Op 23 augustus 2026 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

1.3    Het verzoek is behandeld op de zitting van de raad van 24 augustus 2026. Daarbij waren de deken, bijgestaan door zijn stafjurist, en verweerster aanwezig.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Verweerster is advocaat in [plaats]. Zij voert een praktijk in de vorm van een eenmanszaak. Zij behandelt onder meer strafzaken.

2.3    Bij beslissing van 4 maart 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:40) is aan verweerster de maatregel van waarschuwing opgelegd.

2.4    In de nacht van 2 juni 2024 is verweerster aangehouden wegens rijden onder invloed met een alcoholpromillage van 2,254. 

2.5    Op 7 augustus 2025 heeft een kantoorbezoek bij verweerster plaatsgevonden. Tijdens dit kantoorbezoek is de financiële continuïteit van verweersters praktijk besproken, omdat verweerster had verzocht om een betalingsregeling voor de hoofdelijke omslag. Verweerster heeft tijdens het kantoorbezoek toegelicht een administratieve achterstand te hebben en moest declareren bij de Raad voor Rechtsbijstand. Ook is het fiscale rapport van 2024 besproken, waaruit volgde dat verweerster een negatief ondernemingsvermogen had en dat de totale jaaromzet € 44.000,- bedroeg. De omzet moest volgens de deken tenminste verdubbelen om een financieel gezonde praktijk te voeren en daarvan te kunnen leven. 

2.6    Op 16 maart 2026 heeft de deken een signaal ontvangen van de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Limburg. Uit het signaal volgt dat verweerster diezelfde ochtend twintig minuten te laat is geweest bij een OM hoorzitting van haar minderjarige cliënte, de behandelend officier van justitie een alcoholfoetor merkte bij verweerster toen zij het woord nam en dat verweerster ook gespannen en enigszins verward overkwam. Verweerster heeft vervolgens al snel om overleg met haar cliënt gevraagd, wat door de officier van justitie is goedgekeurd. De officier van justitie heeft vervolgens tijdens de onderbreking van het verhoor van een bode vernomen dat deze twijfels had of het wel goed ging met verweerster, omdat het de bode was opgevallen dat zij zeer gehaast en verward binnen was komen stormen. Ook had verweerster voorafgaand aan de hoorzitting telefonisch aan de bode doorgegeven dat zij te laat was in verband met persoonlijke omstandigheden en dat zij de hele nacht niet had geslapen. De bode heeft tot slot aangegeven ook een ‘enorme alcohollucht’ bij verweerster te hebben geroken.

De officier van justitie heeft verweerster vervolgens alleen in het bijzijn van de OM-griffier gesproken. Tijdens dit gesprek heeft verweerster bevestigd dat zij de nacht daarvoor alcohol had gedronken. In reactie op een opmerking van de officier van justitie dat het niet goed ging met haar, heeft verweerster verklaard te maken te hebben gehad met een aantal overlijdens in een korte periode. De officier van justitie heeft vervolgens aangegeven dat het niet verantwoord was dat verweerster de minderjarige verdachte in haar toenmalige staat zou blijven bijstaan. Een andere advocaat heeft de zaak vervolgens overgenomen. Deze advocaat heeft de officier van justitie verteld dat hij het idee had dat verweerster niet helder was en dat zij naar alcohol rook.

Ook de tolk van de minderjarige verdachte heeft aan de officier van justitie verklaard dat verweerster verward was in het overleg en dat er geen touw aan vast te knopen was.

De hoofdofficier van justitie heeft verder vernomen dat verweerster bij aankomst in het gerechtsgebouw de beveiliging om een pepermuntje heeft gevraagd.

2.7    De deken heeft verweerster op 17 maart 2026 geconfronteerd met het signaal van de hoofdofficier en medegedeeld dat hij met haar in gesprek wilde gaan over het voorval. 

2.8    Op 18 maart 2026 heeft verweerster gereageerd dat het relaas dat de deken heeft ontvangen klopt, dat zij zich bewust is van de ernst van wat er is voorgevallen en de impact daarvan op haar cliënte en het vertrouwen in de advocatuur en dat het incident haar diep heeft geraakt en een harde wake-up call voor haar was. Verweerster is in de middag van 16 maart 2026 op zoek gegaan naar juiste hulp en heeft in de ochtend van 18 maart 2026 de knoop doorgehakt om zich aan te melden bij een zorgaanbieder. Haar huisarts heeft al een verwijzing gegeven en er zou binnen een week een intakegesprek worden gepland.

2.9    Op 24 maart 2026 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen verweerster en de deken, waarvan een gespreksverslag is opgesteld. Verweerster heeft tijdens dit gesprek verklaard veel mee te hebben gemaakt. Zij heeft twee overlijdens meegemaakt in een periode van vijf dagen en ook was haar relatie stukgelopen. Zij heeft vervolgens veel alcohol gedronken, heeft geen slaap gehad en is de zitting vergeten. Verweerster was op dat moment niet tot het inzicht gekomen dat zij niet in staat was om de strafzaak te behandelen. Verder heeft verweerster toegelicht dat zij op 26 maart 2026 een intakegesprek heeft bij een speciale kliniek voor verslavingen en dat er ook een gesprek met een psycholoog zal worden gevoerd. De deken heeft vervolgens aangegeven na ampel beraad geen dekenklacht in te dienen, maar dat verweerster zich wel (op eigen kosten) moet laten begeleiden door een coach. Verweerster zou haar waarnemer daartoe benaderen. De deken heeft daarbij de eis gesteld dat hij eens per drie maanden een verslag ontvangt over de coaching en wat de stand van zaken is.

2.10    Op 25 maart 2026 heeft verweerster aan de deken bericht dat de waarnemer bereid is om als coach op te treden.

2.11    Op 7 april 2026 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen verweerster, de deken en de waarnemer. Tijdens het gesprek is afgesproken dat er ook wordt gecoacht wat betreft de financiële kant van de praktijkvoering, omdat verweerster volgens de deken een lage omzet heeft en daardoor kwetsbaar kan zijn.

2.12    Op 24 april 2026 heeft verweerster een bericht geplaatst op een sociaal mediakanaal over de laatste stagedag van haar (student)stagiair. Daarbij zijn foto’s geplaatst waarop verweerster met de stagiair op een terras zit. Aan verweersters kant van de tafel staat een glas wijn.

2.13    Op 21 juni 2026 heeft de deken opnieuw een signaal ontvangen van de hoofofficier. Op 18 juni 2026 bevond zich op het hoofdbureau een aangehouden verdachte, die werd bijgestaan door verweerster. Na de aanhouding heeft verweerster vijftien keer gebeld naar het cellencomplex. De dienstdoende agenten hebben de indruk gekregen dat verweerster alcohol had gedronken vanwege haar spraak. Die indruk is aan verweerster voorgehouden, waarop zij de agent heeft verteld dat zij twee glaasjes had gedronken. De agent heeft gereageerd dat verweerster sprak op een manier alsof er meer genuttigd was, waarop verweerster heeft geantwoord dat het ging om twee flessen. De politie heeft van dit voorval een interne melding gedaan.

Ook heeft verweerster diezelfde dag en avond zes keer gebeld naar de afdeling ZSM van het openbaar ministerie. Ook bij de medewerkers van het openbaar ministerie is de indruk ontstaan dat verweerster alcohol had gedronken. De medewerkers hebben dit aan verweerster voorgehouden, waarop zij heeft toegegeven alcohol te hebben gedronken. 

Uit de interne melding (mutatierapport) van de politie over het voorval van 18 juni 2026 volgt dat verweerster omstreeks 20.45 uur telefonisch contact heeft gezocht met het cellencomplex, waarbij de agent hoorde dat verweerster met een dubbele tong sprak en moeilijk uit haar woorden kwam. Omstreeks 22.00 uur heeft verweerster opnieuw telefonisch contact gezocht, waarbij zij tegen de agent heeft gezegd dat zij ruzie heeft gemaakt met ZSM en dat het haar niks interesseert wat de agent van haar vindt. Nadat de agent heeft gevraagd wat verweerster daarmee bedoelde, heeft verweerster gereageerd dat zij vijf à zes glazen wijn op had en dat de agent haar maar gewoon moest doorverbinden met haar cliënt. Ook tegen een andere agent heeft verweerster verteld dat zij een fles wijn op had en dat zij niet wist of zij haar cliënt fatsoenlijk te woord kon staan. 

2.14    Op 22 juni 2026 heeft een digitaal gesprek plaatsgevonden tussen verweerster, de deken en de coach naar aanleiding van het signaal van 21 juni 2026. De deken heeft het signaal van de hoofdofficier en de interne melding van de politie aan verweerster voorgehouden tijdens dit gesprek. Verweerster heeft hierop gereageerd zich niet te herkennen in de hoeveelheid alcohol die zou zijn genuttigd en dat het twee glazen betrof. Ook heeft zij gezegd zich niet voor te kunnen stellen vijftien keer met het cellencomplex te hebben gebeld. Verweerster heeft tijdens het gesprek ook erkend dat zij twee jaar daarvoor is betrapt op rijden onder invloed. Volgens haar psycholoog zou het drinken van alcohol een coping mechanisme zijn van verweerster.

De deken heeft verweerster gevraagd waarom zij überhaupt nog alcohol drinkt, laat staan tijdens werk en in een afkickperiode. De deken heeft verweerster vervolgens de optie voorgehouden zichzelf te laten schrappen als advocaat totdat zij haar problemen heeft opgelost, waarna zij wellicht kan terugkeren als advocaat. Anders zal de deken overgaan tot het indienen van een verzoek op grond van artikel 60b van de Advocatenwet. Verweerster zou uiterlijk in de ochtend van 25 juni 2026 met een antwoord komen op de door de deken voorgestelde schrapping.

2.15    Op 24 juni 2026 heeft verweerster de deken geïnformeerd dat zij zich zal laten schrappen, waarbij zij heeft verzocht om dit per 18 augustus 2026 te mogen doen zodat zij haar werkzaamheden kan afbouwen en ook een jubileum als advocaat zou halen. De deken heeft daarmee ingestemd. Er is vervolgens gecorrespondeerd over de praktische kant van het afbouwen van de praktijk en het aanleveren van een lijst met lopende zaken.

2.16    Diezelfde dag heeft verweerster op een sociaal mediakanaal een bericht geplaatst waarin zij aankondigt te stoppen als advocaat. In het bericht bedankt zij onder meer de deken voor de ruimte die zij krijgt om haar praktijk zorgvuldig af te ronden. Bij het bericht is een foto geplaatst van een geopende fles en een ingeschonken glas cava. De foto is gemaakt door verweerster in haar eigen tuin.

2.17    Op 29 juni 2026 heeft verweerster verzocht om extra tijd, tot 18 juli 2026, voor het aanleveren van de lijst met lopende zaken, vanwege een reeds geplande vakantie met haar moeder tot uiterlijk 17 juli 2026. Op 30 juni 2026 is dit verzoek gehonoreerd. Op 11 juli 2026 heeft verweerster medegedeeld dat zij de termijn van 18 juli 2026 niet zou gaan halen, omdat haar moeder een ongeluk op de vakantie heeft gehad en zij voor haar moest zorgen. De deken heeft 20 juli 2026 als nieuwe termijn gesteld en verzocht per ommegaande te bevestigen dat verweerster zich per 18 augustus 2026 zal uitschrijven. De termijn van 20 juli 2026 is niet gehaald. Op rappels van 27 juli 2026 en 10 augustus 2026 heeft verweerster niet gereageerd.

2.18    Op 18 augustus 2026 heeft verweerster de deken bericht haar vrijwillige schrapping te hebben heroverwogen en dat zij niet meer bereid is om zich te laten schrappen. Daarbij heeft verweerster toegelicht dat zij zich onvoldoende heeft kunnen verweren tegen het voorstel van de deken om zich ofwel zelf te laten schrappen, dan wel een tuchtrechtelijke route te volgen. Daarbij heeft voor verweerster meegespeeld dat er door de deken is verwezen naar informatie waarvan verweerster geen kennis heeft kunnen nemen. Wel heeft verweerster daarbij opgemerkt dat zij niet ontkent een bijzonder moeilijke periode achter de rug te hebben en dat er zaken zijn geweest waarop terecht kritiek kon worden uitgeoefend. Verweerster heeft daarvoor verantwoordelijkheden genomen en waar nodig maatregelen getroffen. Dat betekent wat haar betreft niet dat zonder meer vaststaat dat zij definitief geen advocaat meer zou kunnen of mogen zijn. Een fout of zware periode kan iemand wat haar betreft niet diskwalificeren en een verstrekkende maatregel vereist een zorgvuldige, individuele en proportionele beoordeling. Het is wat verweerster betreft aan de bevoegde tuchtrechter om te oordelen of de omstandigheden, zoals de deken meent, een tuchtrechtelijke maatregel, voorziening of schorsing rechtvaardigen.

2.19    Diezelfde dag heeft verweerster op een sociaal media-kanaal een bericht geplaatst haar afscheid van de advocatuur te hebben heroverwogen, haar standpunt daarover schriftelijk aan de Orde kenbaar te hebben gemaakt en dat zij nog zal delen wat dat precies betekent zodra zij daar zorgvuldig en volledig over kan vertellen.

2.20    Op 19 augustus 2026 heeft de deken kenbaar gemaakt over te zullen gaan tot het verzoeken om het treffen van spoedmaatregelen bij de raad. Ook heeft de deken verweerster verteld het onfatsoenlijk te achten dat hij door haar op oneigenlijke gronden aan het lijntje is gehouden.

2.21    Op 20 augustus 2026 heeft de deken onderhavig verzoek ingediend.

3    VERZOEK

3.1    De deken acht het gezien de problematiek, bestaande uit het voeren van een marginale praktijk en een alcoholprobleem of -verslaving, niet verantwoord dat verweerster op dit moment de praktijk uitoefent. Dat klemt wat de deken betreft nog meer daar met verweerster geen bindende afspraken te maken zijn, wat een grove schending is van de kernwaarde integriteit. De deken acht het pas weer verantwoord dat verweerster de praktijk weer uitoefent, zodra een medisch deskundige verklaart dat verweerster is genezen van haar verslaving. In de toestand van verweerster kunnen belangen van cliënten niet aan verweerster worden toevertrouwd. Bovendien is het optreden in rechte (tot ten minste tweemaal toe) in beschonken toestand een affront voor de balie en niet acceptabel. De deken heeft coulance willen tonen, maar het heeft er alle schijn van dat deze bereidheid en welwillendheid door verweerster is misbruikt. De deken heeft sterk de indruk gekregen dat hij door verweerster aan het lijntje is gehouden. Hij acht dat gedrag dat past bij een verslaving.

3.2    De deken verzoekt daarom primair om verweerster op grond van artikel 60b van de Advocatenwet met onmiddellijke ingang voor onbepaalde tijd te schorsen in de uitoefening van de praktijk, omdat zij er geen blijk van heeft gegeven de praktijk behoorlijk uit te kunnen oefenen. Daarbij verzoekt de deken om als voorzieningen te treffen dat:

-    de schorsing eerst wordt opgeheven indien aan de deken een rapport wordt uitgebracht of overgelegd door een arts of een instantie in de verslavingszorg is opgesteld, waaruit op basis van een deugdelijke medische onderbouwing blijkt dat verweerster gedurende één jaar geen alcohol heeft gebruikt en tevens therapie heeft gevolgd. Dit is overeenkomstig de handelswijze in CBR-zaken. Verweerster dient met de deken te overleggen over de identiteit van de aan te wijzen arts of deskundige, waarbij de voorkeur uitgaat naar een CBR-psychiater.

-    dat de deken of een door de deken aan te wijzen gemachtigde de bevoegdheid heeft zich, zo nodig met behulp van de sterke arm, toegang te verschaffen tot de ruimte(s) waarin de praktijk van verweerster wordt gevoerd en tot de daarbij behorende voorzieningen, opdat de deken in het belang van de cliënten van verweerster al die maatregelen kan nemen, waartoe verweerster als advocaat zelf bevoegd zou zijn en de dossiers in overleg met de cliënten van verweerster onder kan brengen bij andere advocaten of rechtsbijstandsverleners en alle overige voorzieningen kan treffen die de deken nodig acht met het oog op de behartiging van de belangen van die cliënten;

-    verweerster op te dragen de deken alle medewerking en gevraagde inlichtingen te verschaffen die de deken nodig heeft voor de uitvoering van zijn dekenale taak, waarbij de noodzaak daartoe uitsluitend wordt bepaald door de deken;

-    te bepalen dat indien de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg gehouden is aan de door de deken aan te wijzen gemachtigde kosten te voldoen, zij gerechtigd is deze terug te vorderen van verweerster.

3.3    Subsidiair verzoekt de deken om verweerster op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet met onmiddellijke ingang te schorsen. De deken verzoekt daarbij ook de drie in overweging 3.2 laatstgenoemde voorzieningen te treffen. 


4    VERWEER 

4.1    Verweerster heeft, zakelijk weergegeven, het navolgende verweer gevoerd tegen het verzoek.

Betwisting alcoholverslaving

4.2    Verweerster bagatelliseert de gebeurtenissen van 16 maart 2026 en juni 2026 niet. Waar haar eigen handelen tekort is geschoten, neemt zij daarvoor de verantwoordelijkheid. Evenwel kan uit die gebeurtenissen zonder nadere feitelijke en deskundige onderbouwing niet worden afgeleid dat zij alcoholverslaafd is, structureel niet integer handelt, geen bindende afspraken kan maken of dat cliëntbelangen thans niet aan haar kunnen worden toevertrouwd. Verweerster betwist dat sprake is van een alcoholverslaving of een vastgestelde stoornis in het gebruik van alcohol. Zij gebruikt incidenteel alcohol. Zij wijst op een psychiatrisch CBR-rapport van december 2024, wat ondersteunt dat bij onderzoek van 18 november 2024 geen stoornis in het gebruik van alcohol is vastgesteld. Ook is er op 30 juli 2026 en 19 augustus 2026 bloedonderzoek uitgevoerd in verband met een medische kwestie, waaruit volgt dat haar leverwaarden binnen de referentiegebieden vallen. Hoewel verweerster daarmee niet stelt dat normale leverwaarden op zichzelf het bestaan van een stoornis in het gebruik van alcohol uitsluiten, dient dat gegeven wel als zodanig meegewogen te worden. Ook de uitlatingen van verweerster op sociale media waarop een glas wijn te zien is, bewijst niet hoeveel zij heeft gedronken en of daardoor de praktijkuitoefening is beïnvloed.

Incidenten moeten in context worden geplaatst 
 

Rijden onder invloed in juni 2024

4.3    Over het rijden onder invloed in juni 2024, heeft verweerster toegelicht dat zij zich op dat moment in een acute noodsituatie bevond. Zij was die nacht in een café met een vriend, die nuchter zou blijven en haar met de auto zou vervoeren. Een voormalig partner van verweerster, die haar stalkte, was die nacht ook in het café binnengekomen en is gaan vechten met een man waar verweerster toen mee praatte. Ook heeft de voormalige partner doodsbedreigingen geuit richting verweerster. Zij durfde daardoor niet langer in het café te blijven. De vriend die haar naar huis zou rijden was, wilde haar echter niet thuisbrengen omdat hij een vrouw aan het versieren was. Een taxi of Uber was ook niet mogelijk, omdat die niet in het dorp waar het café zich bevond te vinden waren of veel te duur waren. Verweerster heeft vervolgens tweemaal de politie gebeld omdat zij zich onveilig voelde, maar de politie wenste haar niet te helpen omdat zij niet afkwamen op uitgaansgelegenheden. Verweerster is toen in paniek geraakt en heeft, onder invloed van de alcohol, de keuze gemaakt om in haar auto te stappen om thuis te komen. Daar had zij vanwege iemand die haar van 2022 tot 2024 zowel privé als zakelijk stalkte, mede op advies van de Nederlandse Orde van Advocaten, een alarminstallatie met noodknop waar de politie wel op zou acteren. Verweerster acht de veiligheidscontext relevant bij de vraag of het incident, op zichzelf en als onderdeel van het totaalbeeld, zonder meer kan worden geduid als aanwijzing voor structureel alcoholmisbruik of een stoornis in het gebruik van alcohol. Die duiding vergt meer dan de vaststelling dat een aanhouding heeft plaatsgevonden. De strafzaak is tot op heden ook niet inhoudelijk door een strafrechter beoordeeld. 

Zitting van 16 maart 2026

4.4    Over het incident van 16 maart 2026, heeft verweerster toegelicht dat zij in die periode te maken heeft gehad met twee sterfgevallen: een ex-partner en haar stiefopa. Ook werd zij de dag voor de zitting door een (andere) ex-partner met wie de relatie net uit was, ermee geconfronteerd dat hij intieme beelden van haar had gedeeld met derden. Zij heeft vervolgens de emotie proberen te verdoven met alcohol en heeft ook niet geslapen. Zij had daardoor niet meer in het vizier dat zij de ochtend erna een zitting had. Die ochtend heeft zij ten minste vijf collega-advocaten gevraagd of zij de zaak konden waarnemen. Omdat niet iedereen bereikbaar was of daartoe beschikbaar was, heeft verweerster uiteindelijk besloten om zelf naar de zitting te gaan. Zij is toen door haar stagiair opgehaald en heeft niet zelf gereden. Verweerster heeft diezelfde dag nog actie ondernomen en hulp gezocht. Verweerster wijst erop dat zij dit niet aanvoert als rechtvaardiging, maar als context bij de vraag of uit deze acute ontsporing een structurele stoornis kan worden afgeleid zonder deskundige beoordeling. Voor het toewijzen van een artikel 60b dan wel artikel 60ab-verzoek is bovendien van belang welk concreet cliëntbelang door dit incident is geraakt. De deken beschrijft in zijn verzoekschrift het te laat verschijnen en het bijstaan tijdens de zitting, maar verweerster verzoekt de raad om de concrete processuele gevolgen voor de cliënt afzonderlijk vast te stellen. 

4.5    Na het incident van 16 maart 2026, heeft verweerster in maart 2026 contact gehad met haar huisarts en de praktijkondersteuner, heeft zij zich aangemeld bij zorgaanbieders en heeft zij intakes doorlopen. De toegang tot een voorgesteld behandeltraject werd mede bepaald door indicatie- en verzekeringskwesties. Een aanvraag voor een omvangrijker traject werd afgewezen, omdat op basis van de MATE-uitkomsten een kortdurend ambulant traject aangewezen werd geacht. Verweerster heeft hulp dus niet categorisch geweigerd.

Telefonisch contact met politie van 18 juni 2026

4.6    Over het incident van 18 juni 2026, heeft verweerster toegelicht zich bezig te hebben gehouden met de medische situatie van haar gedetineerde cliënt, die hartklachten had. Verweerster heeft herhaaldelijk contact gezocht met ZSM en betrokken instanties om een medische beoordeling te laten plaatsvinden. Uiteindelijk is de cliënt ook naar het ziekenhuis gebracht voor een beoordeling. Dat concrete cliëntbelang en de feitelijke tijdlijn dienen te worden betrokken bij de vraag of verweersters optreden die avond heeft geleid tot een concreet nadeel voor de cliënt. Verweerster erkent dat zij die avond thuis wijn had gedronken. Wel betwist zij dat uit telefonische waarnemingen zonder meer kan worden afgeleid dat zij als zodanig onder invloed was dat zij haar cliënt niet behoorlijk kon bijstaan en betwist te meer dat daaruit een diagnose van alcoholverslaving volgt. De opmerking over ‘twee flessen wijn’, was sarcastisch bedoeld uit frustratie dat de agenten haar niet wilden doorverbinden naar haar cliënt en omdat zij haar verweten met een dubbele tong te spreken. Verweerster erkent dat die reactie onverstandig en professioneel onwenselijk was, maar daaruit kan geen betrouwbare, letterlijke betekenis over de hoeveelheid alcohol worden herleid. Ook betwist verweerster de inhoud van het mutatierapport waarin staat dat zij ‘5 à 6 glazen wijn’ zou hebben verklaard te hebben gedronken. Zij herkent zich niet in die hoeveelheid. Ook is het mutatierapport niet consistent, omdat verschillende verbalisanten diezelfde avond verschillende hoeveelheden aan haar hebben toegeschreven: eerst ‘5 à 6 glazen wijn’ en later ‘een fles wijn’. 

4.7    Verweerster heeft daarnaast toegelicht dat zij twee dagen na de gebeurtenissen staande is gehouden na een verhoor van haar cliënt. Uit de controle volgde een negatieve drugstest en de alcoholcontrole gaf geen aanleiding om haar verdere deelname aan het verkeer te verhinderen.

Overige aangevoerde omstandigheden 

4.8    De deken heeft gewezen op het tuchtrechtelijk verleden van verweerster, te weten een waarschuwing die in 2024 is opgelegd. Deze waarschuwing betrof geen alcoholproblematiek en kan dus niet dienen als bewijs voor de medische kwalificatie uit het verzoek van de deken.

4.9    Uit het kantoorbezoek van 2025 geldt dat de gestelde financiële zorgen niet zonder meer als objectieve maatstaf kunnen dienen voor de beoordeling van de praktijkuitoefening. Ook gaat het niet om geactualiseerde gegevens. Een fiscaal rapport over 2024 en een verzochte betalingsregeling voor de hoofdelijke omslag zeggen niet zonder nadere actuele gegevens dat in augustus 2026 termijnen of de dossierbehandeling in gevaar liepen. 

4.10    Verweerster erkent dat zij de lijst met lopende zaken niet op tijd heeft aangeleverd. Daarmee is zij wel daadwerkelijk bezig geweest, maar tijdens een reis is haar moeder gevallen waarbij zij een gebroken ruggenwervel heeft opgelopen. Verweerster heeft door de terugreis naar Nederland en ook het verzekeringswerk om uitstel moeten verzoeken.

4.11    Over haar heroverweging om zich uit te laten schrijven als advocaat, ontkent verweerster niet dat dit voor de deken onverwachts was en dat het praktische gevolgen had. Wel betwist zij dat daaruit volgt dat eerdere afspraken te kwader trouw zijn gemaakt, dat haar integriteit daardoor is geschonden of dat deze heroverweging een symptoom van verslaving is.

Proportionaliteit en subsidiariteit

4.12    Verweerster benadrukt dat zij zich constructief en toetsbaar opstelt. Zonder enige diagnose, tekortkoming of noodzaak van een specifieke medische maatregel te erkennen, is zij bereid redelijke en proportionele aanbevelingen serieus te nemen als deze aantoonbaar zijn gericht op een behoorlijke praktijkuitoefening en het vertrouwen daarin. In het bijzonder staat verweerster open voor voortzetting of aanscherping van coaching, concrete evaluatiemomenten, gerichte rapportage over praktijkvoering en andere passende waarborgen. Het doel daarvan is volgens verweerster niet het erkennen van een verslavingsprobleem, maar het wegnemen van redelijke twijfel over haar professionele functioneren. Verweerster wijst er ook op dat daarbij, vanuit proportionaliteit en subsidiariteit, voor de minst ingrijpende maatregel moet worden gekozen.

Geen spoedeisend belang

4.13    Verweerster betwist dat de vereiste spoed voor het treffen van de verzochte spoedschorsing aanwezig is. De deken heeft niet toegelicht welk feit na 22 juni 2026 het vereiste onmiddellijke en onbeheersbare gevaar hebben doen ontstaan om daartoe over te gaan. Tot aan haar heroverweging op 18 augustus 2026 heeft zich geen nieuw alcohol gerelateerd incident voorgedaan. Datzelfde geldt voor een incident in de inhoudelijke cliëntbehandeling. Voor zover de spoed zou worden ontleend aan het feit dat de vrijwillige schrapping niet is geëffectueerd, levert dat geen zelfstandige materiële grond voor onmiddellijke schorsing op. 

4.14    Verweerster wijst erop dat de deken na het incident van 16 maart 2026 juist besloten heeft om geen dekenbezwaar in te dienen, maar in te zetten op coaching. Het eerste evaluatiemoment had nog niet plaatsgevonden op het moment dat de deken haar de keuze gaf tussen een vrijwillige schrapping of een schorsingsverzoek. Ook de deken heeft zijn eigen traject niet de gelegenheid gegeven om te werken, voordat hij naar zijn ultimatum overstapte. Verweerster is bereid dit coachingstraject voort te zetten en, indien de raad dat nodig acht, te laten voorzien van een duidelijke opdracht, een concreet evaluatiemoment en een begrensde rapportage over de professionele praktijkvoering.

Subsidiair verzoek artikel 60ab van de Advocatenwet

4.15    Verweerster acht de gebeurtenissen van maart en juni 2026 ernstig genoeg om te bespreken of een situatie bestaat waarin enig door artikel 46 van de Advocatenwet beschermd belang zodanig ernstig wordt bedreigd dat onmiddellijk optreden noodzakelijk is. De actuele spoed kan echter niet uitsluitend uit de ouderdom en ernst van de gebeurtenissen worden afgeleid. Ook hier wijst verweerster erop dat er na 22 juni 2026 geen nieuwe alcohol gerelateerde incidenten hebben plaatsgevonden en de deken een afwikkelingsperiode tot 18 augustus 2026 heeft geaccepteerd. Verweerster verzoekt de raad om vast te stellen welk concreet cliëntbelang op 20 augustus 2026 onmiddellijk gevaar liep en waarom dat gevaar niet met een minder ingrijpende voorziening kon worden afgedekt. Bij gebreke van een toereikende beantwoording moet het verzoek op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet worden afgewezen.

Reactie op gevraagde voorzieningen

4.16    De deken verzoekt om als voorziening te treffen dat de schorsing wordt opgeheven wanneer uit een medisch rapport blijkt dat verweerster gedurende één jaar geen alcohol heeft gebruikt en therapie heeft gevolgd. Daarbij wijst hij naar de handelswijze in CBR-zaken. Die analogie kan volgens verweerster niet worden gedragen zonder nadere onderbouwing, omdat die procedure een eigen wettelijk en medisch beoordelingskader heeft. Het verzoek van de deken noemt geen specifieke wettelijke bepaling of medische richtlijn waaruit volgt dat binnen het tuchtrecht, zonder vooraf gestelde stoornis, juist één jaar abstinentie en therapie noodzakelijk is. Bovendien wijst verweerster erop dat zij eerder door een psychiater is onderzocht en dat daarbij geen stoornis in het gebruik van alcohol is vastgesteld.

4.17    Verweerster verzoekt de overige verzochte voorzieningen te toetsen op wettelijke grondslag, concrete noodzaak, geschiktheid, duur en proportionaliteit. Indien de raad enige voorziening nodig acht, dient dit volgens haar limitatief en controleerbaar te worden omschreven. Een open bevoegdheid waarvan de omvang en noodzaak eenzijdig door één procespartij worden bepaald, gaat verder dan nodig indien de cliëntbelangen met concreet omschreven maatregelen kunnen worden geborgd.

5    BEOORDELING
 

Toetsingskader

5.1    In deze beslissing beoordeelt de raad zowel het artikel 60ab-verzoek als het artikel 60b-verzoek. De raad gebruikt daarbij de hierna te noemen toetsingskaders. 

5.2    Voor het verzoek op grond van artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet:

Op grond van artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet kan de raad op verzoek van de deken een advocaat die tijdelijk of blijvend geen blijk geeft zijn praktijk behoorlijk uit te kunnen oefenen, voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk schorsen dan wel een of meer voorzieningen met betrekking tot de praktijkuitoefening van de betrokken advocaat treffen die hij geboden acht. De raad kan tegelijkertijd met het opleggen van een schorsing een voorziening treffen. 

5.3    Voor het verzoek op grond van artikel 60ab lid 1 van de Advocatenwet:

Artikel 60ab Advocatenwet bepaalt dat de raad op verzoek van de deken een advocaat, jegens wie een ernstig vermoeden is gerezen van een handelen of nalaten waardoor enig door artikel 46 Advocatenwet beschermd belang is geschaad of dreigt te worden geschaad, met onmiddellijke ingang kan schorsen in de uitoefening van de praktijk of een voorlopige voorziening met betrekking tot diens praktijkuitoefening kan treffen, indien enig door artikel 46 van de Advocatenwet beschermd belang dit vergt.

Beoordeling verzoek op grond van artikel 60b van de Advocatenwet

Is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 60b van de Advocatenwet?

5.4    De raad stelt voorop dat niet is komen vast te staan dat verweerster een stoornis in het gebruik van alcohol heeft. Dat is een diagnose die noch door de tuchtrechter, noch door de deken gesteld kan worden. Desondanks is het de raad gebleken dat verweerster er door de wijze waarop zij omgaat met alcohol blijk van heeft gegeven dat zij haar praktijk niet behoorlijk uit kan oefenen. Op momenten dat verweerster alcohol heeft gedronken, maakt zij structureel verkeerde keuzes in wat zij wel en niet kan. Daarbij doet zij voorkomen alsof zij slechts kan kiezen tussen twee kwaden, terwijl dat niet zo zwart-wit is als verweerster doet voorkomen. Uit het onderzoek van de psychiater uit eind 2024 komt weliswaar naar voren dat er geen stoornis in het gebruik van alcohol gediagnosticeerd is, maar verweerster heeft zelf verklaard dat alcohol drinken volgens haar psycholoog haar coping mechanisme is. Ook heeft de speciale kliniek voor verslavingen waarbij verweerster zich heeft aangemeld aanleiding gezien om een ambulant hulpverleningstraject op te starten, hetgeen niet zou gebeuren als er – zoals verweerster stelt – niets aan de hand was in maart 2026. De raad heeft er dan ook de ernstige vrees voor dat de voorvallen uit maart 2026 en juni 2026 geen losstaande incidenten zijn, maar dat zij mede gelet op haar alcoholgebruik als coping mechanisme gezien moeten worden als een structureel probleem dat van negatieve invloed is en zal blijven op verweersters (werkende) leven als daarop niet wordt ingegrepen. 

5.5    Zo is verweerster in juni 2024, in privésfeer, ernstig in de problemen geraakt door te besluiten om onder invloed te gaan rijden, met een alcoholpromillage van ruim 4,5 keer de toegestane hoeveelheid. Dat verweerster zich ernstig bedreigd heeft gevoeld door haar ex-partner, begrijpt de raad en daar wil de raad ook niets aan afdoen. Dat laat onverlet dat verweerster op dat moment, onder invloed van alcohol, de keuze heeft gemaakt om achter het stuur te stappen, zonder daarvan de gevaren voor zowel haarzelf als medeweggebruikers in te zien. 

5.6    Vervolgens heeft zich ruim anderhalf jaar later, in maart 2026, opnieuw een situatie voorgedaan waarbij verweersters coping mechanisme haar in de problemen heeft gebracht. Ook hier begrijpt de raad dat verweerster erg aangedaan is doordat haar ex-partner haar intieme foto’s heeft gedeeld met derden. Verweerster heeft, vanwege haar coping mechanisme, opnieuw veel alcohol gedronken en heeft ook, begrijpelijkerwijs door de situatie, niet of nauwelijks geslapen. Het is duidelijk dat het niet goed met haar ging. In die staat kon zij ook niet werken. Dat heeft verweerster de ochtend erna zelf ook ingezien, aangezien zij diverse collega-advocaten heeft benaderd om te proberen haar zitting te laten waarnemen. Toen dat niet lukte, heeft verweerster – in plaats van zich bijvoorbeeld ziek te melden en te verzoeken om aanhouding – besloten om de zitting toch te doen. Daaruit blijkt dat verweerster haar praktijk onvoldoende op orde heeft en onvoldoende voorzieningen heeft getroffen om ervoor te zorgen dat de belangen van haar cliënten worden gewaarborgd om de momenten dat zij niet in staat is om te werken.

5.7    Datzelfde geldt voor het incident van 18 juni 2026. Daargelaten hoeveel verweerster die avond precies heeft gedronken – twee glazen, vijf à zes glazen of twee flessen – verkeerde verweerster in dusdanige toestand dat zij voor medewerkers van de politie en het openbaar ministerie als verward of met een dubbele tong overkwam en heeft zij ook escalerend richting hen gehandeld. Verweerster heeft dus ook toen weer de keuze gemaakt om werkzaamheden te verrichten, terwijl zij daartoe niet in staat was na het drinken van alcohol. Dat de belangen van haar cliënt groot waren, namelijk zijn gezondheid vanwege hartproblematiek, maakt dat niet acceptabel. Ook hierbij geldt dat verweerster dan passende waarborgen had moeten inbouwen en gebruiken, zoals het inschakelen van een waarnemer, om de belangen van haar cliënt te waarborgen. 

5.8    Het is de raad bovendien niet gebleken dat verweerster de ernst van de situatie inziet. Weliswaar heeft zij zich na het incident van 16 maart 2026 aangemeld voor hulpverlening en is er een ambulant hulptraject gestart, maar volgt uit haar verklaringen niet dat zij inziet dat haar alcoholgebruik een behoorlijke praktijkvoering en adequate rechtsbijstand aan haar cliënten in de weg zit. Zo acht de raad het, net als de deken, zorgelijk dat verweerster een maand na het voorval op de zitting en de start van het hulpverleningstraject, een foto plaatst waarop te zien is dat zij weer alcohol drinkt. Datzelfde geldt voor het bericht van 24 juni 2026, waarin zij de beëindiging van haar praktijk heeft aangekondigd en voorzien van een zelfgemaakte foto in haar tuin met daarop wederom alcohol. Vervolgens heeft verweerster de ruimte van de deken gekregen om zichzelf pas uit te schrijven als advocaat op een jubileumdatum, zodat zij de eer aan zichzelf kon houden. Het is de raad niet gebleken dat verweerster daar serieus werk van heeft gemaakt. De raad begrijpt dat er doorgaans minder animo is onder advocaten om lopende toevoegingszaken over te nemen, maar van verweerster kon op zijn minst worden verwacht dat, als haar praktijkvoering op orde was, zij een lijst van lopende zaken ter beschikking had of snel had kunnen opsturen. Dat is niet gedaan, ondanks dat verweerster meerdere malen uitstel van de deken heeft gekregen. De raad merkt daarbij op dat verweerster heeft verklaard uitstel nodig te hebben gehad omdat haar moeder op vakantie zou zijn gevallen. Nadat de raad verweerster ermee op zitting heeft geconfronteerd dat uit het CBR-rapport volgde dat haar moeder al overleden was, heeft zij toegelicht dat het niet haar moeder was die was gevallen maar een voormalige buurvrouw die voor haar als een moeder aanvoelde. De raad acht het zorgelijk dat verweerster daarover niet open is richting de deken. Vervolgens is het de raad ook gebleken dat verweerster haar financiële administratie nog steeds niet op orde heeft en dat er, net als tijdens het kantoorbezoek van november 2025, nog het nodige gedeclareerd dient te worden bij de Raad voor Rechtsbijstand. Desondanks is verweerster drie weken op vakantie gegaan. De raad betwijfelt ook daarom sterk of verweerster wel de juiste keuzes kan maken in haar praktijkvoering.

5.9    De raad acht dan ook een situatie aan de orde die maakt dat ingrijpen via artikel 60b van de Advocatenwet noodzakelijk is.

Spoedeisendheid

5.10    Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat de spoedeisendheid niet is gebleken, aangezien de deken haar op 22 juni 2026 in de gelegenheid gesteld heeft om haar praktijkvoering nog binnen een termijn van twee maanden te beëindigden. Volgens verweerster had de deken op het moment dat zij haar keuze om te stoppen had heroverwegen, nieuwe feiten naar voren moeten brengen die maken dat ingrijpen via een spoedmaatregel aan de orde is.

5.11    De raad volgt verweerster hier niet in. De zorgen rondom de praktijkvoering van verweerster zijn nog altijd actueel, aangezien het risico van verweersters coping mechanisme nog altijd bestaat. De omstandigheid dat de deken verweerster de mogelijkheid heeft geboden om de eer aan zichzelf te houden en het tuchtrecht niet onnodig te belasten, maakt niet dat de spoedeisendheid is weggenomen. De deken heeft mogen vertrouwen op verweersters toezegging dat zij haar praktijk zou gaan afbouwen en neerleggen. Hij had er dus vanuit kunnen gaan dat verweerster geen inhoudelijke werkzaamheden meer zou verrichten. Daarmee waren zijn zorgen voor de belangen van rechtszoekenden weggenomen. Op het moment dat verweerster haar keuze had overwogen en het de deken duidelijk werd dat zij toch weer cliënten zou gaan bijstaan, zijn deze zorgen en daarmee ook de spoedeisendheid van onderhavige procedure teruggekeerd.

5.12    Voor zover door verweerster ook is betoogd dat de noodzaak voor het verzoek ontbreekt, omdat zij nog niet in staat was gesteld om een periode van drie maanden aan coaching te doorlopen toen de deken haar een mogelijk artikel 60b-verzoek voorhield, slaagt dat ook niet. De deken heeft toegelicht dat het voorval van juni 2026 maakte dat hij het coachingstraject niet meer af kon wachten. Die keuze heeft de deken kunnen maken en acht de raad navolgbaar. 

5.13    De raad is van oordeel dat er een spoedeisend belang bestaat bij het toewijzen van het artikel 60b-verzoek. De raad zal daartoe overgaan.

Schorsing en voorzieningen

5.14    Verweerster stelt terecht dat het ingrijpen via artikel 60b van de Advocatenwet moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De raad is echter van oordeel dat niet minder ingrijpend kan worden gehandeld dan door verweerster met onmiddellijke ingang en voor onbepaalde tijd te schorsen in de uitoefening van haar praktijk. Het risico dat verweerster teruggrijpt naar haar coping mechanisme en dit een negatief effect heeft op haar praktijkvoering is nog altijd aanwezig. Er bestaat dus een reëel risico dat verweerster opnieuw onder invloed van alcohol werkzaamheden gaat verrichten. De door haarzelf voorgestelde maatregelen, zoals het aanwijzen van een coach of meer administratieve controles, zullen dat niet voorkomen. Dat geldt des te meer nu verweerster onvoldoende onderkent dat haar alcoholgebruik de belangen van haar cliënten weldegelijk kan schaden. Pas zodra verweerster daaraan heeft gewerkt, zou een minder ingrijpende voorziening ter discussie kunnen worden gesteld.

5.15    De raad ziet geen aanleiding om de eerst verzochte voorziening, zijnde het minimaal één jaar abstinent zijn en het overleggen van een medische verklaring, toe te wijzen. Het is aan verweerster om, op grond van artikel 60b lid 7 van de Advocatenwet, te verzoeken om opheffing van de schorsing of getroffen voorzieningen als zij meent dat daartoe voldoende aanleiding is. Het is aan verweerster zelf om te bepalen op welke wijze zij dat wenst te beargumenteren en onderbouwen. Wel kan zij dat voorafgaand aan het doen van een opheffingsverzoek met de deken bespreken, om te bezien wat de deken aangetoond wenst te zien om zich achter een dergelijk opheffingsverzoek te kunnen scharen. De raad ziet op dit moment echter geen aanleiding om af te wijken van de wettelijke systematiek.

5.16    De door de deken verzochte opdracht aan verweerster om alle medewerking en gevraagde inlichtingen te verschaffen die de deken nodig heeft voor de uitvoering van zijn zaak, zal de raad niet toewijzen. Op verweerster rust op grond van gedragsregel 29 al een dergelijke plicht. Ook komen aan de deken als toezichthouder al de bevoegdheden uit hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht toe. Het treffen van een dergelijke voorziening heeft zodoende geen meerwaarde, althans dat is niet gesteld en is de raad ook niet gebleken.

5.17    De raad ziet geen aanleiding om de voorziening toe te wijzen dat de Limburgse Orde gerechtigd is om eventuele kosten voor een aan te wijzen gemachtigde terug te vorderen bij verweerster. Verweerster behandelt toevoegingszaken en heeft, zoals door de deken is aangevoerd, slechts een beperkte omzet. De raad kan niet overzien welke financiële lasten er gemoeid zouden zijn met het aanwijzen van een gemachtigde en hoe dit zich verhoudt tot de draagkracht van verweerster, die door deze schorsing (tijdelijk) geen inkomen meer zal hebben vanuit haar praktijk. De raad acht het overigens in de eerste plaats aan de deken en diens Ordebureau zelf om zorg te dragen voor de verdeling van verweersters cliënten, zoals door hem is verzocht.

5.18    De deken verzoekt daarnaast om als voorziening te treffen dat hij de bevoegdheid heeft om, zo nodig met behulp van de sterke arm, zich de toegang te verschaffen tot verweersters praktijkruimte en daarbij behorende voorzieningen, opdat hij in het belang van verweersters cliënten al die maatregel kan nemen waartoe verweerster als advocaat zelf bevoegd zou zijn en de dossiers in overleg met de cliënten onder kan brengen bij andere advocaten of rechtsbijstandsverlener. Het is de raad gebleken uit de gang van zaken sinds 22 juni 2026 tot aan 18 augustus 2026 dat verweerster onvoldoende medewerking heeft verleend aan de beëindiging van haar praktijk, zoals bijvoorbeeld met het aanleveren van een lijst van lopende zaken. De raad is van oordeel dat onvoldoende kan worden vertrouwd op het woord van verweerster dat zij nu wel zal meewerken met de deken. Een dergelijke toezegging is ook niet gedaan. De raad zal deze voorziening toewijzen, op de wijze zoals door de deken is verzocht. Dit is ook geen ongebruikelijke voorziening in het kader van een artikel 60b- of artikel 60ab-procedure (vergelijk RvD Den Haag 4 december 2024, ECLI:NL:TADRSGR:2024:207 en RvD 13 februari 2026, ECLI:NL:TADRSGR:2026:34). 

  
Beoordeling verzoek op grond van artikel 60b van de Advocatenwet

5.19   Omdat het verzoek op grond van artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet met onmiddellijke ingang wordt toegewezen, bestaat geen noodzaak (meer) om het verzoek op grond van artikel 60ab lid 1 van de Advocatenwet te bespreken1. De raad wijst dit verzoek dan ook af.


BESLISSING
 

De raad van discipline:

-    wijst het verzoek op grond van artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet toe en schorst verweerster voor onbepaalde tijd in de uitoefening van haar praktijk;

- treft als voorziening dat verweerster de deken tezamen met (een) aan te wijzen gemachtigde(en) toegang dient te verschaffen tot de kantoorruimte waarin de praktijk van verweerster wordt gevoerd, alsmede toegang tot haar (zakelijke) computer en/of laptop of anderszins haar (fysieke dan wel digitale) dossiers, teneinde in het belang van de cliënten van verweerster al die maatregelen te nemen waartoe verweerster als advocaat zelf bevoegd zou zijn, waarbij de dossiers in overleg met de cliënten van verweerster onder kunnen worden gebracht bij andere advocaten en de deken gemachtigd is alle voorzieningen te treffen die hij nodig acht, waaronder het inschakelen van een ICT-deskundige om toegang te krijgen tot de laptop en andere zakelijke gegevensdragers bij gebrek aan wachtwoorden en/of toegangscodes daarvan

- treft als voorziening dat de deken de bevoegdheid heeft om hiertoe, tezamen met (een) aan te wijzen gemachtigde(en), waar nodig met hulp van de sterke arm, zich de toegang te verschaffen tot de kantoorruimte waarin de praktijk van verweerster wordt gevoerd;

- wijst het verzoek op grond van artikel 60ab lid 1 van de Advocatenwet af.


Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. A.J.C. Perdaems en M. de Maaré, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 28 augustus 2026