ECLI:NL:TADRSHE:2026:107 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-586/DB/OB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:107
Datum uitspraak: 25-08-2026
Datum publicatie: 25-08-2026
Zaaknummer(s): 26-586/DB/OB
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in overige hoedanigheden
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat in de hoedanigheid van klachtenfunctionaris. Niet gebleken dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch
van 25 augustus 2026

in de zaak 26-586/DB/OB


naar aanleiding van de klacht van:

klager


over:

verweerder

De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 10 juli 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) met kenmerk 48|25|066K, van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 01 tot en met 09 en van de nagekomen e-mail van klager van 16 juli 2026.  

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Klager heeft zich in 2022 gewend tot verweerders kantoorgenoot mr. J voor rechtsbijstand in een erfrechtelijk geschil. Mr. J heeft klager vervolgens bijgestaan.

1.2 In april 2023 heeft klager zich beklaagd over het optreden van mr. J.

1.3 Verweerder is klachtenfunctionaris binnen zijn kantoor. Verweerder heeft klager bij e-mail van 28 april 2023 uitgenodigd om de klachten te bespreken.

1.4 Op 12 mei 2023 heeft tussen klager en verweerder een gesprek plaatsgevonden, waarbij de klachten zijn besproken. Bij e-mail van 12 mei 2023 heeft klager verweerder bedankt voor het gesprek. Klager en verweerder hebben afgesproken dat klager het gesprek zou laten bezinken en vervolgens aan verweerder zou laten weten hoe hij verder wilde.

1.5 Bij e-mails van 19 mei en 23 mei 2023 heeft klager verweerder gevraagd om een schriftelijk oordeel te geven over de klachten.

1.6 Bij e-mail van 1 juni 2023 heeft verweerder gemotiveerd aan klager kenbaar gemaakt dat naar zijn oordeel de klachten ongegrond waren.

1.7 Bij e-mail van 2 juni 2023 heeft klager aan verweerder bericht dat hij tevreden was over de wijze waarop verweerder de klachten had behandeld, maar dat hij niet tevreden was met de uitkomst.

1.8 Bij e-mail van 23 juni 2023 heeft klager aanvullende klachten over het optreden van mr. J geuit.

1.9 Bij e-mail van 27 juni 2023 heeft verweerder op de aanvullende klachten gereageerd en zijn standpunt, dat zijdens mr. J geen sprake was van klachtwaardig optreden, gehandhaafd.

1.10 Op 7 april 2025 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:

Verweerder is zowel procedureel als inhoudelijk tekortgeschoten in de behandeling van klagers klacht.

2.1 Toelichting

Verweerder is niet onafhankelijk en onvoldoende kritisch geweest in zijn rol van klachtenfunctionaris omdat het een klacht over een kantoorgenoot betreft en verweerder heeft niet getoetst aan de geldende gedragsregels en zorgvuldigheidsnormen. Ook is verweerder niet gespecialiseerd in het erfrecht, waarop klagers klacht betrekking had, hetgeen de vraag oproept in hoeverre hij in staat was om de klacht te beoordelen. Verweerder heeft geen melding gemaakt van de (voormalige) werkrelatie tussen zijn kantoorgenoot mr. LS en mr. D, zijnde de voormalige deken.

3 VERWEER

3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING

4.1Ontvankelijkheid

Het meest verstrekkende verweer van verweerder luidt dat klager niet in zijn klacht kan worden ontvangen omdat hij de klacht te laat heeft ingediend. Dit verweer wordt gepasseerd. De voorzitter overweegt dat een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht op ziet. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.

4.2 De klacht is ontstaan in 2023. Klager heeft zich op 7 april 2025 met een klacht over verweerder tot de deken gewend. Dit betekent dat de klacht binnen de in artikel 46g lid 1 Advocatenwet gestelde termijn van drie jaar is ingediend en dat klager in zijn klacht kan worden ontvangen.

4.3 Toetsingskader

De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerder in zijn hoedanigheid van klachtenfunctionaris. Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter slechts of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.

4.4 Beoordeling

Klager verwijt verweerder dat hij niet onafhankelijk en onvoldoende kritisch is geweest in zijn rol van klachtenfunctionaris omdat de klacht betrekking had op haar kantoorgenoot. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. Op grond van de Verordening op de Advocatuur (Voda) geldt nu juist als uitgangspunt van klachtbehandeling dat wanneer een cliënt een klacht heeft, deze klacht allereerst intern, dat wil zeggen door het kantoor van de betrokken advocaat, wordt behandeld. Dat verweerder een kantoorgenoot is van mr. J betekent niet automatisch dat hij in zijn rol van klachtenfunctionaris niet onafhankelijk en objectief kan optreden en vormt geen aanleiding voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt. Hetzelfde geldt voor het – vermeende – ontbreken van erfrechtelijke kennis zijdens verweerder. Voor het optreden als klachtenfunctionaris is in beginsel geen specialisatie vereist in het rechtsgebied waarop de klacht betrekking heeft. Dat verweerder over onvoldoende kennis over het erfrecht beschikte om klagers klacht als klachtenfunctionaris te kunnen behandelen is op basis van de overgelegde stukken niet gebleken.

4.5 Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerder de klacht op voortvarende en zorgvuldige wijze heeft behandeld en inhoudelijk met zowel klager als mr. J heeft besproken. Verweerder heeft zijn oordeel over de klacht gemotiveerd aan klager kenbaar gemaakt. Dat klager het met dat oordeel niet eens is, betekent niet dat verweerder van de inhoud van dat oordeel een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De voorzitter is op grond van de overgelegde stukken van oordeel dat verweerder van de wijze waarop hij de klacht heeft behandeld en beoordeeld geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dat verweerder geen melding heeft gemaakt van de (voormalige) werkrelatie tussen zijn kantoorgenoot mr. LS en mr. D, zijnde de voormalige deken, maakt dit niet anders. Dit verwijt mist feitelijke grondslag omdat mr. LS op het moment van de klachtbehandeling door verweerder nog niet werkzaam was op verweerders kantoor en mr. D op dat moment nog geen deken was, zodat niet valt in te zien wat verweerder aan klager had moeten melden. De voorzitter komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat klacht kennelijk ongegrond is.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.

Griffier                                                            Voorzitter

Verzonden op: 25 augustus 2026