ECLI:NL:TADRSHE:2026:106 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-385/DB/OB
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:106 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-08-2026 |
| Datum publicatie: | 24-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-385/DB/OB |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. zijn medeadvocaten, subonderwerp: Regels die betrekking hebben op de juridische strijd |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door haar stelbrief met verhinderdata niet zo spoedig mogelijk aan de advocaat van de wederpartij toe te zenden toen zij wel bekend raakte met zijn naam. Waarschuwing. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 24 augustus 2026
in de zaak 26-385/DB/OB
naar aanleiding van de klacht van:
klager
en
klaagster
gemachtigde:
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 8 juli 2025 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 1 mei 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 48|25|111K van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 juli 2026. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 01 tot en met 08. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van klagers van 24 juni 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Op 2 juni 2025 heeft klager, die advocaat is, namens klaagster een verzoekschrift op grond van artikel 1019w Rv ingediend bij de rechtbank. De rechtbank heeft dit verzoekschrift op 4 juni 2025 doorgezonden aan de wederpartij en gevraagd om de verhinderdata voor een mondelinge behandeling vóór 18 juni 2025 door te geven.
2.3 Op 17 juni 2025 om 22.15 uur heeft verweerster zich namens de wederpartij gesteld als advocaat. Daarbij heeft zij haar verhinderdata opgegeven en gevraagd om een afschrift van het volledige verzoekschrift.
2.4 Op 19 juni 2025 heeft de rechtbank het verzoekschrift aan verweerster toegezonden.
2.5 Op 25 juni 2025 heeft de rechtbank aan partijen verzocht om hun verhinderdata kritisch te bekijken en uiterlijk 9 juli 2025 door te geven. Op 26 juni 2025 heeft klager de rechtbank gebeld om te vragen of er zich een advocaat heeft gesteld namens de wederpartij.
2.6 Op 1 juli 2025 heeft klager een e-mail aan verweerster geschreven, waarin hij opmerkt het klachtwaardig te vinden dat verweerster heeft verzuimd zich bij hem te melden en afschriften van zijn berichten aan de rechtbank ook direct aan hem te zenden.
2.7 Op 2 juli 2025 heeft verweerster gereageerd dat het haar niet duidelijk was dat klager de advocaat van klaagster was, omdat zij van haar cliënt enkel een brief had gekregen waarin stond dat er voor een bepaalde datum moest worden gesteld. Zij heeft daarbij de stelbrief met verhinderdata die zij eerder aan de rechtbank had verzonden meegestuurd.
2.8 Op 3 juli 2025 heeft klager gereageerd dat hij verweersters stelling dat zij niet wist dat hij de advocaat van klaagster was er een van niks te vinden, dat het verzoekschrift aan alle kanten voorzien was van zijn naam en dat verweerster wist dat er sprake was van verplichte procesvertegenwoordiging en dus had moeten onderzoeken of klager als advocaat was betrokken bij de zaak.
2.9 Diezelfde dag heeft verweerster gereageerd alleen de brief van de rechtbank en niet het verzoekschrift van haar cliënt te hebben ontvangen, terwijl zij zich met spoed moest stellen. Ook heeft zij zich uitgelaten over de toonzetting van verweerder in zijn e-mail en verzocht om de communicatie netjes te houden. Verweerster heeft opgemerkt dat zij nieuwe verhinderdata gaat doorgeven aan de rechtbank en dat zij klager in de cc zal opnemen.
2.10 Op 8 juli 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerster het volgende.
a) Verweerster heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 21 lid 1, door zich eenzijdig te wenden tot de rechtbank en klager niet te melden dat zij zich heeft gesteld als advocaat van de wederpartij;
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.
5.2 Gedragsregel 21 lid 1 luidt: Het is de advocaat niet geoorloofd zich in een aanhangig geding anders dan tezamen met de advocaat van de wederpartij tot de rechter aan wiens oordeel of de instantie aan wier oordeel de zaak is onderworpen te wenden, tenzij schriftelijk en met gelijktijdige toezending van een afschrift van de mededeling aan de advocaat van de wederpartij en voorts zo tijdig dat die advocaat voldoende gelegenheid heeft om op de mededeling te reageren.
5.3 Gedragsregel 24 luidt: In het belang van de rechtzoekenden en van de advocatuur in het algemeen streven advocaten naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen.
5.4 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Beoordeling
5.5 De raad kan niet vaststellen dat verweerster op de hoogte was van de naam van klager op het moment dat zij zich namens haar cliënt stelde als advocaat. In zoverre kan haar niet worden verweten dat zij haar bericht aan de rechtbank niet in kopie aan klager heeft gestuurd. Op 19 juni 2025 was haar de naam van klager echter wel bekend, althans zou bekend moeten zijn, omdat zij toen het verzoekschrift had ontvangen via de rechtbank. De raad is van oordeel dat verweerster op dat moment ook bij klager had moeten nagaan of hij er inmiddels van op de hoogte was geraakt dat zij zich als advocaat had gesteld, ter naleving van de ratio achter gedragsregel 21 en ter waarborging van de onderlinge welwillendheid tussen advocaten uit gedragsregel 24. Dat het slechts om een stelbrief en verhinderdagen ging en zij zich niet inhoudelijk heeft uitgelaten richting de rechtbank, zoals door verweerster is aangevoerd, doet aan het voorgaande niet af.
5.6 Aanvankelijk stelde verweerster zich in reactie op de klacht op het standpunt dat zij niet bekend was met de naam van klager. Nadat klager had aangetoond dat zij al twee dagen na het versturen van haar stelbrief op de hoogte was geraakt van zijn naam, heeft verweerster haar standpunt tijdens de zitting gewijzigd. Zij zou van haar cliënt namelijk (nog) geen groen licht hebben gekregen om klager te informeren over haar stelbrief en verhinderdata. Ook dit vormt voor de raad echter geen reden waarom verweerster mocht afzien van het informeren van klager. Verweerster is zelf verantwoordelijk voor het naleven van de gedragsregels en het ontbreken van toestemming van een cliënt maakt dit onder deze omstandigheden niet verschoonbaar.
5.7 Voor zover verweerster in is gegaan op het handelen van klager, met onder meer de stelling dat klager evenmin zou hebben gestreefd naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen, is dat iets waar deze raad niet over kan oordelen. Als verweerster meent dat klager onbetamelijk heeft gehandeld, dan staat het haar vrij om daarover een klacht in te dienen bij de deken in het arrondissement waar verweerder kantoor houdt.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door haar stelbrief met verhinderdata niet zo spoedig mogelijk aan klager toe te zenden toen zij wel bekend raakte met zijn naam. De raad wijst verweerster erop dat zij zelf de verantwoordelijkheid draagt om volgens de in artikel 46 van de Advocatenwet gestelde norm te handelen en dat zij zich niet kan verschuilen achter haar cliënt. De raad zal daarom een waarschuwing opleggen.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klagers betaalde griffierecht van € 50,- aan hen vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klager,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klagers;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.4.
Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. H.M.S. Cremers en I.K. Decupere, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 24 augustus 2026