ECLI:NL:TADRSHE:2026:105 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-073/DB/LI 26-243/DB/LI
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:105 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-08-2026 |
| Datum publicatie: | 24-08-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening door en financiële afspraken met de eigen advocaat. Klachten deels niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. Verweerder heeft herhaaldelijk nagelaten belangrijke informatie schriftelijk vast te leggen. Zo is niet gebleken welke werkzaamheden hij heeft verricht en heeft hij in (nieuwe) zaken geen opdrachtbevestigingen verstuurd. Verweerder heeft onvoldoende zorgvuldig onderzocht of klaagster in aanmerking kwam voor een toevoeging, heeft geen deugdelijke tijd- en kosteninschattingen gegeven en heeft een financiële afspraak gemaakt waardoor zijn onafhankelijkheid in het gedrang is gekomen. Verweerder heeft vervolgens diverse facturen gestuurd die (ver) boven het afgesproken vaste bedrag van € 5.000,- reikten. Eén factuur die is verstuurd was niet bedoeld om daadwerkelijk te incasseren. Dat heeft verweerder niet als zodanig kenbaar gemaakt aan klaagster, maar ook is gepoogd om de rechtsbijstandsverzekeraar daarmee te misleiden. Schorsing van 8 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 24 augustus 2026
in de zaken 26-073/DB/LI en 26-243/DB/LI
naar aanleiding van de klachten van:
klaagster
gemachtigde: mr. G.F.M.G. Heutink
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 3 september 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder (zaaknummer: 26-073/DB/LI).
1.2 Op 11 september 2025 heeft klaagster bij de deken een tweede klacht ingediend over verweerder (zaaknummer: 26-243/DB/LI).
1.3 Verweerder is per 1 januari 2026 met zijn kantoor verhuisd van het arrondissement Limburg naar het arrondissement Noord-Holland.
1.4 Op 23 januari 2026 heeft de raad het eerste klachtdossier met kenmerk K25-080 van de deken ontvangen (zaaknummer: 26-073/DB/LI).
1.5 Op 24 maart 2026 heeft de raad het tweede klachtdossier met kenmerk K25-085 van de deken ontvangen (zaaknummer: 26-243/DB/LI).
1.6 De klachten zijn gezamenlijk behandeld op de zitting van de raad van 13 juli 2026. Daarbij waren klaagster, haar gemachtigde en verweerder aanwezig.
1.7 De raad heeft kennisgenomen van de genoemde klachtdossiers en van de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van klaagster van 24 februari 2026, in de zaak 26-073/DB/LI, en van 30 maart 2026, in de zaak 26-243/DB/LI.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
Zaaknummer 26-073/DB/LI
2.2 Klaagster heeft zich met diverse kwesties tot verweerder gewend voor rechtsbijstand. Op 15 januari 2024 hebben klaagster en verweerder een intakegesprek gehouden.
2.3 Op 29 januari 2024 heeft verweerder een opdrachtbevestiging verstuurd aan klaagster. Daaruit volgt, voor zover relevant, het volgende:
“(…) Hoewel mijn laagst reduceerde tarief 200 euro betref zal ik me n jouw geval bij het door [de familierechtadvocaat] gehanteerde uurtarief van 180 euro exclusief aansluiten
Dit is het uitgangspunt voor een vast bedrag, met voorwaarden, hetgeen ik in rekening breng voor de zaken die ik met je ben overeengekomen te weten:
- Uitzoeken van de hypotheekkwestie.
- het adviseren en begeleiden van een schriftelijke klacht bij de Orde
- het bestuderen van de mogelijkheden van een Letselschade procedure
- het bekijken van mogelijke oplichtingspraktijken van boekhouder [naam].
Wat betreft de eigendommen in Marokko betreft heb ik al contact gehad met een deskundig jurist. Maar zoals we afgelopen vrijdag al aangaven heeft de Nederlandse rechter al bepaald dat deze eigendommen in de gemeenschap vallen. We willen daarvoor wel graag de besproken waardebepaling hebben en ik zal uitzoeken hoe dit traject in Marokko , waar de rechter zich dient te houden aan de uitspraak van de Nederlandse rechter, zal dienen te verlopen.
Voor deze werkzaamheden zal ik , gebaseerd op het uurtarief van 180 euro, een vast bedrag van 5000 euro exclusief btw in rekening brengen.
Dit betekend dat dit is gebaseerd op maximaal 28 uur werk voor 180 euro ex.
Deze afspraak geldt totdat de dagvaarding voor de letselschadezaak is opgesteld. Voor het traject van procedure daarna zullen we dan opnieuw financiële afspraken dienen te maken.
Ik weet op voorhand dat ik ruim over de 28 uren heen zal gaan maar op deze wijze heb je een houvast.
(…)
Concreet gezegd betekent het financiële voorstel voor jou het volgende.
Tot en met opstelling dagvaarding van de letschade zaak ben je totaal , samen met de andere genoemde werkzaamheden ,50000 ex kwijt hetgeen gebaseerd is op 28 uur werk tegen het tarief van 180 ex.
Alle meer werkzaamheden in uren, die er zeker zullen zijn en die ik ook gespecificeerd noteer, neem ik voor mijn rekening maar wel onder de volgende voorwaarde.
Mocht er uiteindelijk uit de letschade- of hypotheekzaak zaak een vergoeding betaald worden dan zullen we dan, met terugwerkende kracht alle daadwerkelijk gemaakte uren afrekenen tegen mijn normaal gehanteerde, niet gereduceerde uurtarief ,van 350 euro exclusief btw.
Dus stel:
Er volgt een letselschade procedure waaruit uiteindelijk een vergoeding volgt en ik heb aan het einde van de rit in totaal 100 uren gewerkt aan alle zaken samen dan breng ik 35000 euro exclusief in rekening waarmee de vooraf betaalde 5000 euro exclusief uiteraard verrekend zal worden.
Komt het in de zaken uiteindelijk niet tot een financiële vergoeding dan heb ik pech gehad met dien verstande dat we voor de letselschadezaak na het opstellen van de dagvaarding voor het vervolgtraject, tussentijds, nog nieuwe afspreken dienen te maken.
Uiteraard worden alle werkzaamheden nauwkeurig genoteerd en krijg je daarover de beschikking. (…)”
2.4 Op 7 februari 2024 heeft klaagster haar akkoord gegeven op de opdrachtbevestiging. Verweerder heeft diezelfde dag een nota van € 5.000,- exclusief btw verstuurd voor ‘diverse werkzaamheden’. Klaagster heeft hiervan € 2.000,- betaald.
2.5 Klaagster heeft nadien bij verweerder opgemerkt dat zij ook een rechtsbijstandsverzekering had. Verweerder heeft vervolgens contact gezocht met de rechtsbijstandsverzekeraar over het verlenen van dekking voor de zaken.
2.6 Op 22 april 2024 heeft verweerder een factuur van € 10.408,42,- inclusief btw verstuurd, met vermelding van 25,3 uur aan werkzaamheden tegen een uurtarief van € 340,- exclusief btw. Daarbij is verzocht om binnen 14 dagen te betalen.
2.7 Op 21 mei 2024 heeft verweerder een betalingsherinnering verstuurd aan klaagster voor een factuur van 17 april 2024 van eveneens € 10.408,42,- inclusief btw. Verweerder verzoekt daarbij om binnen 5 dagen te betalen, waarbij hij klaagster op voorhand in gebreke stelt en aankondigt zich dan tot de deurwaarder te zullen wenden.
2.8 Op 3 juni 2024 heeft verweerder aan de rechtsbijstandsverzekeraar geschreven een verzoek van 30 mei 2024 niet te hebben ontvangen en heeft hij de factuur van 17 april 2024 toegezonden.
2.9 Op 10 september 2024 heeft verweerder een nota aan klaagster gestuurd van € 5.308,88 inclusief btw voor de werkzaamheden in verband met het opstarten van de procedure tegen de notaris.
2.10 Op 15 november 2024 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar aan verweerder medegedeeld dat er voor zowel de kwestie tegen de notaris als voor de kwestie tegen de advocaat een kostenmaximum van € 8.000,- geldt.
2.11 Op 6 december 2024 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar aan verweerder medegedeeld dat er een kostenmaximum van € 50.000,-, minus de reeds gemaakte kosten van € 8.000,- geldt voor het voeren van een gerechtelijke aansprakelijkheidsprocedure tegen de notaris, nadat diens verzekeraar de aansprakelijkheid heeft afgewezen. De rechtsbijstandsverzekeraar heeft verweerder verzocht om een prognose van de verwachte tijd die hij daarvoor nodig zal hebben.
2.12 Op 9 december 2024 heeft verweerder aan de rechtsbijstandsverzekeraar laten weten een uurtarief van € 325,- te hanteren en dat hij om en nabij 40 uren nodig zal hebben.
2.13 Op 9 januari 2025 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar aan verweerder bevestigd dat een uurtarief van € 275,- is afgesproken.
2.14 Op 10 februari 2025 heeft verweerder aan de rechtsbijstandsverzekeraar gevraagd waar hij zijn tussentijdse declaratie naar toe kan zenden.
2.15 Op 12 februari 2025 heeft verweerder een nota van € 4.591,95 inclusief btw verstuurd aan de rechtsbijstandsverzekeraar voor 13,8 uur aan werkzaamheden voor de aansprakelijkheidsprocedure tegen de notaris.
2.16 Op 11 maart 2025 heeft verweerder een nota van € 3.390,- inclusief btw verstuurd aan de rechtsbijstandsverzekeraar voor 10,2 uur aan werkzaamheden voor de aansprakelijkheidsprocedure tegen de notaris.
2.17 Op 7 augustus 2025 heeft de gemachtigde van klaagster zich tot verweerder gewend met diverse vragen over zijn declaraties aan en werkzaamheden voor klaagster. Op 8 augustus 2025 heeft verweerder daarop gereageerd geen mededeling te kunnen doen over de zaken en afspraken, maar dat hij wel bereid is om klaagster daarover zelf te informeren. De gemachtigde en verweerder hebben daarna nog diverse berichten gewisseld. Op 13 augustus 2025 heeft verweerder een machtiging van klaagster ontvangen. Op 15 augustus 2025 heeft verweerder vervolgens gereageerd dat hij, na overleg te hebben gehad met de deken, pas de week erna het dossier zal verstrekken.
2.18 Op 18 augustus 2025 heeft verweerder, via het e-mailadres ‘[naam verweerder] Strafrecht Advocaten’ aan klaagster verzocht of zij het dossier op 21 of 22 augustus 2025 kan ophalen. Ook heeft verweerder bevestigd zijn werkzaamheden te hebben gestaakt. Op 20 augustus 2025 heeft verweerder dit verzoek herhaald.
2.19 Klaagster heeft op 19 en 20 augustus 2025 aan het e-mailadres ‘Strafrecht Advocaten [naam verweerder]’ vijfmaal gevraagd om te bevestigen dat zij het dossier op 21 augustus om 9.00 uur kan ophalen.
2.20 Op 20 augustus 2025 heeft verweerder per brief aan klaagster geschreven:
“Op 29 januari 2024 kwamen wij een zeer gereduceerd uurtarief voor uw werkzaamheden van uiteindelijk 180 euro per uur exclusief BTW.
Mijn reguliere tarief betreft 325 tot 340 euro ex per uur maar ik had met u aanvankelijk , vanwege de omvangrijkheid van het dossier, uw financiële positie als ondernemer en de volstrekte onduidelijkheid van welke procedures er allemaal aan de orde zouden gaan komen , een tarief van 200 euro ex met u overeengekomen.
Omdat mijn collega [naam familierechtadvocaat] voor de familierechtelijke kant van uw dossier 180 ex met u had afgesproken heb ik me daar bij aangesloten.
De procedures welke u wilde voeren kwam niet voor gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking alleen al vanwege het feit dat u ondernemer bent zoals ik u had medegedeeld tijdens ons eerste gesprek.
Bovendien kwamen alle justitiële werkzaamheden die u verlangde al in het geheel niet voor gefinancierde bijstand in aanmerking omdat er van procedures geen sprake was.
Tot slot heb ik u voorafgaande mijn te verrichte werkzaamheden voor u duidelijk gemaakt dat zelfs indien u wel voor gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking had gekomen voor een van de te voeren juridische trajecten en/of procedures ik op die basis het dossier niet zou aannemen vanwege de complexiteit en volstrekte onduidelijkheid water allemaal komen zou.
Voor een procedure bij de Kamer voor het Notariaat wort geen toevoeging verstrekt en voor en klachtprocedure bij de Orde van advocaten wordt in uw geval ook geen toevoeging verstrekt hetgeen u allemaal is kenbaar gemaakt.
Daarom vond ik het in uw belang zeer fatsoenlijk om een zeer gematigd tarief met u overeen te komen.
Gaandeweg de werkzaamheden, nadat ik u een voorschotnota van 5000 euro ex had gezonden waarvan u in februari 2024 2000 euro heeft voldaan , meldde u mij dat uw rechtsbijstandsverzekeraar [naam] de kosten voor de procedures bij de Orde en de Kamer zou vergoeden.
Na zelf contact te hebben gezocht met [de rechtsbijstandsverzekeraar] bleek dit in beide gevallen 8000 inclusief Btw te zijn.
In de zomer van 2024 ontving ik het honorarium( 8000 euro inclusief) voor de adviezen aangaande de klachtprocedure bij de orde waaraan ik ruim 25 uur had besteed en welke nota in april 2024 door u was gezonden naar [de rechtsbijstandsverzekeraar]. Met [de rechtsbijstandsverzekeraar] was ik een tarief van 275 ex overeengekomen hetgeen niet volledig is betaald omdat zij voor deze procedure een maximaal tarief hanteren zoals hierboven vermeld.
Voor de procedure bij de Kamer voor het Notariaat ik in februari en maart 2025 de gelden , totaal 8000 eur inclusief btw ontvangen.
Voor beide procedures ben ik met [de rechtsbijstandsverzekeraar] 275 ex per uur overeengekomen met een maximum bedrag van 8000 inclusief.
Aan de advies van de Orde heb ik ruim 25 uren besteed en aan de zaak van de Kamer voor het notariaat ruim 76 uren hetgeen betekend dat ik voor deze werkzaamheden slechts 88 euro per uur heb verdiend.
Een en ander kunt u opmaken uit de verstrekte urenlijst.
Resumerend:
De nettobedragen in beide zaken betrof ( nagenoeg) 6650 euro per zaak hetgeen betekent dat ik in de Orde zaak heb gewerkt voor 266 euro ex BT hetgeen nagenoeg het overeengekomen bedrag is en voor de Kamer voor het Notariaat heb ik daarentegen voor een uurtarief van 88 euro exclusief BTW gewerkt hetgeen ver beneden het gereduceerde bedrag van 180 euro ex is hetgeen wij overeen waren gekomen.
Toch zal u dit verschil voor deze werkzaamheden niet in rekening brengen en voor eigen rekening nemen.
Daarentegen zijn er buiten de 2 vergoede zaken op uw verzoek zeer veel werkzaamheden verricht die ik heb ondergebracht als OM werkzaamheden waaronder zeer veel contacten en correspondentie richting politie en justitie, het doen van aangifte hetgeen u verlangde , contacten met [naam] in verband met mogelijke mensenhandel zaak omdat u door uw ex zou zijn uitgebuit, aangifte te doen door uw dochter vanwege vermeend seksueel misbruik door uw ex .
Daarnaast heeft u mij nog verzocht te bemiddelen in een huurincasso- en ontruimingszaak, een kwestie met een verzekeraar in verbande met een veronderstelde valselijk geclaimde schade en contacten met de gemeente in verband met vervangende woonruimte.
Kortom u heeft zeer veel aan mij verzocht en daarnaast een onuitputtelijke hoeveelheid aan e-mails en documenten gezonde die ik allemaal verzocht werd te lezen en commentaar te leveren.
U heeft tientallen uren gebeld voor overleg.
En dit ook op momenten dat ik met vakantie was en ik u nadrukkelijk verzocht had die week of weken mij alleen te berichten in noodzakelijke situaties stopten de mails, Whatsups en telefoontjes niet.
Ik ben in januari 2025 gestopt met het noteren van de tijden van al deze telefoontjes en gezonden berichten en documenten.
Nu staan wij aan het einde van de samenwerking (…). Deze breuk is ontstaan nadat u mij , ondanks herhaalde daartoe, niet alle relevante correspondentie met de notaris aangaande het transport van de akte van verdeling heeft gestuurd waardoor mij als advocaat wordt verweten dat ik bewust een verkeerde voorstelling van zaken heb gegeven door informatie achter te h ouden.
(…) Dit betekent wel dat dit het moment is om een afrekening te maken voor alle gemaakte kosten voor alle gewerkte uren, behalve de [rechtsbijstandsverzekeraars] uren, tegen het overeengekomen tarief van 180 euro per uur exclusief BTW.
Op mij genoteerde urenlijst staan 133,8 uren waarvan er in totaal 101,7 uur door [de rechtsbijstandsverzekeraar] zijn betaald.
De resterende 32,1 uur betreffen echter nog niet alle te verrekenen uren, omdat vanwege de Tsunami van berichte en telefoontjes per week maar gestopt ben om deze op de reguliere urenlijst te registreren omdat dit een allegaartje van zaken betreft.
Wel hebben ik deze werkzaamheden op andere wijze geregistreerd.
Het betreft
Bemiddeling incasso ;
- 19/2/2025 telefonisch overleg [naam] 0,6
- 2/2 /2025 correspondentie 1,1
- 9/3/2025 studie 0,9
-11/3 /2025 Tel [naam] 0,4
-14/3/2025 Studie 0,7
-18/3/2025 Tel. [naam] 0,4
Totaal 4.1 uur
Bemiddeling schade vloer medewerkster [rechtsbijstandsverzekeraar]:
Dit heeft aan een aantal tel 0,4 0,5 0,4 en 0,2 aan werkzaamheden gekost is totaal 1,5 uur.
Wat de meeste tijd heeft gekost, welke tijden ik niet apart heb opgenomen maar gehaal kan verantwoorden middels mijn mailbox en WhatsApp zijn de volgende tijden en werkzaamheden vanaf 1 januari 2025 tot heden:
117 ontvangen e-mails vaak vergezeld van ( uitgebreide ) documenten welke ik allemaal (snel) gelezen heb.
130 WhatsApp berichten
Ruim 11,5 uur aan telefoongesprekken per WhatsApp.
De uren aan gesprekken spreken voor zich.
Voor de in totaal 247 e-mails en WhatsApp berichten hanteer ik de zeer gereduceerde en meer dan fatsoenlijke gemiddelde tijd van 2 minuten per bericht is 490 minuten is 8 uren.
Daarmee komt bovenop de 32,2 niet betaalde uren geregistreerd op de uren lijst nog 4,1 uur voor de incassozaak plus 1,5 uur voor de schadeverzekeringszaak plus 11,5 uur telefoongesprekken en 8 uren aan het lezen van Whatsapp en e-mails is totaal 25,1 uur bovenop de resterende 32,2 uur totaal 57,3 uur.
Dus daarmee dient nog 57,3 maal 180 euro exclusief btw is 10.314 euro, is 12.479,94 inclusief btw betaald te worden.
Op dit bedrag dient 2000 euro in mindering te worden gebracht hetwelk je als deel op een gezonden voorschotnota hebt betaald in februari 2024 alvorens de mogelijkheid voor vergoeding door [de rechtsbijstandsverzekeraar] aan de orde was.
Dit betekent concreet dat het volgende nog voldaan dient te worden
12.479,94 euro minus 2000 euro is totaal 10.479,94 inclusief btw te voldoen.
De urenlijst is gevoegd.
De nota zult u zeer spoedig ontvangen.”
2.21 Op 21 augustus 2025 zijn klaagster en haar gemachtigde om 09.15 uur gearriveerd bij verweerders kantoor om de dossiers op te halen. Diezelfde dag heeft verweerder aan klaagster geschreven dat zij die ochtend zomaar voor de deur stond om het dossier op te halen en dat hij zich daarop niet had kunnen voorbereiden. Ook heeft verweerder aangegeven dat het hem is gebleken dat klaagster haar berichten aan een e-mailadres heeft gestuurd dat hij al jaren niet meer in gebruik had en wat zij ook nooit eerder had gebruikt. Verweerder heeft aangegeven de urenlijsten en declaraties van de rechtsbijstandsverzekeraar niet te hebben kunnen selecteren en kopiëren door de ‘overval’ en dat hij deze nog per e-mail zal sturen.
2.22 Op 22 augustus 2025 heeft verweerder het digitale dossier van de klachtzaak tegen de notaris per e-mail aan klaagster toegezonden.
2.23 Klaagster heeft tussen de stukken een dossier van een andere cliënt van verweerder aangetroffen, alsook diverse privébescheiden van verweerder. Zij heeft dit bij verweerder gemeld. Verweerder heeft de stukken op 25 augustus 2025 opgehaald.
2.24 Op 28 augustus 2025 heeft verweerder een einddeclaratie van €10.479,94 verzonden aan klaagster.
Zaaknummer 26-243/DB/LI
2.25 Op 7 oktober 2020 heeft de politierechter een vordering van € 949,48 van klaagster op haar ex-partner toegewezen.
2.26 In januari 2024 heeft klaagster zich gewend tot verweerder voor rechtsbijstand in diverse procedures. Bij de documenten die zij aan verweerder heeft overhandigd zaten onder andere medische stukken en het vonnis van de politierechter van 7 oktober 2020.
3 KLACHT
3.1 De klachten houden, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.
In zaaknummer 26-073/DB/LI
1) Verweerder bedient zich ten onrechte ter zake de naamgeving van zijn kantoor in meerdere opzichten van de aanduiding “advocaten”;
2) Verweerder hanteert meerdere kantoornamen, wat leidt tot verwarring;
3) Verweerder werkt samen met derden waaronder zijn boekhouder/accountant en zijn bloemist, zonder dat dezen een geheimhoudingsovereenkomst hebben getekend;
4) Verweerder beschikt als eenmanskantoor niet over een vervangingsregeling die betrekking heeft op alle door hem beoefende rechtsgebieden;
5) Verweerders privacyregeling voldoet niet aan de daarvoor geldende eisen;
6) Verweerder heeft zijn dossieradministratie niet op orde;
7) Verweerders kantoorklachtenregeling voldoet niet aan de geldende eisen;
8) Verweerder heeft in alle zaken die hij voor klaagster in behandeling heeft genomen nagelaten om voor aanvaarding van de opdracht en verder steeds tussentijds wanneer daartoe aanleiding bestond, overleg te voeren met klaagster of er termen zijn om te trachten door de overheid gefinancierde rechtshulp te verkrijgen;
9) Verweerder heeft de aanvaarde opdrachten niet conform de gedragsregels bevestigd;
10) Verweerder heeft – toen klaagster haar dossier kwam ophalen – ook een ordner met een dossier van een andere cliënt meegegeven;
11) Verweerder heeft geen geordend dossier overgedragen;
12) Verweerder heeft ten onrechte de datum voor het ophalen van de dossiers gewijzigd;
13) Verweerder heeft ten onrechte nagelaten zijn hiervoor onder klachtonderdeel 10 weergegeven fout te melden bij de cliënt en bij de Autoriteit Persoonsgegevens;
14) Verweerder is de vereisten volgens de AVG jegens klaagster niet nagekomen;
15) Verweerder heeft een volstrekt gefingeerde declaratie toegestuurd;
16) Verweerder heeft dubbel gedeclareerd door het verzenden van twee onderscheiden met verschillende data;
17) Verweerder heeft aan Achmea valselijk voorgespiegeld dat hij bij de civiele rechter een aansprakelijkheidsprocedure tegen de notaris ging starten;
18) Verweerder heeft op 10 september 2024 een declaratie toegezonden aan klaagster met de bedoeling om op onrechtmatige wijze geld uit de zak van de rechtsbijstandsverzekeraar te kloppen;
19) Verweerder heeft op 11 maart 2025 een declaratie toegezonden aan klaagster met de bedoeling om op onrechtmatige wijze geld uit de zak van de rechtsbijstandsverzekeraar te kloppen;
20) Verweerder heeft ten onrechte zaken vastgelegd in de afspraak van 29 januari 2024
21) Verweerder heeft in de opdracht gestelde zaak van 29 januari 2024 niks gedaan ten aanzien van de letselschade;
22) Verweerder heeft in de opdracht gestelde zaak van 29 januari 2024 niks gedaan ten aanzien van de mogelijke oplichtingspraktijk van de boekhouder;
23) Verweerder heeft ten onrechte de klachtzaak tegen mr. [D] gestaakt;
24) Verweerder heeft in strijd met de waarheid geschreven in zijn mail van 9 december 2024 aan Achmea;
25) Verweerder stelt in zijn brief van 20 augustus 2025 ten onrechte dat er een uurtarief van € 200,- ex. BTW is overeengekomen;
26) Verweerder doet in zijn e-mail van 21 augustus 2025 voorkomen alsof hij niet wist dat klaagster en haar gemachtigde papieren zouden ophalen op zijn kantoor;
27) Verweerder heeft geen antwoord gegeven op de in de brief van 7 augustus 2025 gestelde vragen;
28) Verweerder heeft ten onrechte de dossiers ongeordend afgeven;
29) Verweerder stelt ten onrechte dat hij klaagster wel duidelijk heeft gemaakt dat indien zij in aanmerking zou komen voor gefinancierde rechtsbijstand, hij het dossier niet zou aannemen op basis van complexiteit;
30) Verweerder stelt in zijn bericht van 20 augustus 2025 ten onrechte dat er een uurtarief van € 200,- ex. de BTW is overeengekomen;
31) Verweerder heeft ten onrechte met zijn declaratie van 28 augustus 2025 aanvullend nog een bedrag van € 12.479,94 in rekening gebracht in plaats van klaagster een bedrag terug te storten;
32) Verweerder heeft ten onrechte bij de overdacht van de bescheiden op 21 augustus 2025 twee dossiers niet compleet overgedragen.
In zaak 26-243/DB/LI:
33) Verweerder heeft na overname van klaagsters zaak niets gedaan met de incasso van de door de politierechter toegewezen civiele vordering van € 949,48.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Ontvankelijkheid
5.1 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
Klachten die raken aan het algemeen belang
5.2 Klachtonderdelen 1 tot en met 7 gaan over onderwerpen die raken aan het algemeen belang. Klaagster heeft daarbij geen eigen, rechtstreeks betrokken belang. Het is slechts aan de deken om hierover te klagen. De raad zal klaagster daarom niet-ontvankelijk verklaren in deze klachtonderdelen.
Klachten waarover klaagster niet kan klagen (bij de tuchtrechter)
5.3 Klachtonderdelen 10 en 13 gaat over het dossier van een derde, dat klaagster tussen haar stukken heeft gevonden. Als deze derde meent dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zijn of haar dossier aan klaagster mee te geven en geen melding te hebben gedaan daarvan, dan kan slechts deze derde (of de deken) daarover klagen. Klaagster heeft daarbij geen eigen, rechtstreeks betrokken belang. De raad zal haar daarom niet-ontvankelijk verklaren in deze klachtonderdelen.
5.4 Klachtonderdeel 14 gaat over een AVG-schending en de daarmee verband houdende verplichtingen. Het is niet aan de tuchtrechter om te beoordelen of daarvan sprake is. Dat oordeel is voorbehouden aan de Autoriteit Persoonsgegevens (zie Hof van Discipline 4 september 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:148). De raad zal zich dan ook onbevoegd verklaren wat betreft dit klachtonderdeel.
5.5 Klachtonderdelen 17 en 24 gaan over onjuistheden die verweerder aan de rechtsbijstandsverzekeraar zou hebben geschreven. Het is dan ook aan de rechtsbijstandsverzekeraar (of de deken) om daarover een klacht in te dienen. Klaagster heeft hierbij geen eigen, rechtstreeks betrokken belang. De raad zal haar ook daarin niet-ontvankelijk verklaren.
Algemeen toetsingskader
5.6 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.7 Deze klachten gaan ook over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Opdrachtbevestigingen (klachtonderdelen 8, 9 en 29)
Toepasselijke regelgeving
5.8 Gedragsregel 16 lid 1 luidt: De advocaat dient zijn cliënt op de hoogte te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen.
5.9 Artikel 7.5 van de Verordening op de advocatuur luidt:
1. De advocaat informeert zijn cliënt over de persoon, het samenwerkingsverband of de rechtspersoon met wie de cliënt de overeenkomst van opdracht sluit.
2. De advocaat informeert de cliënt wie betrokken is bij de uitvoering van de opdracht.
5.10 Gedragsregel 18 luidt:
- Tenzij een advocaat goede gronden heeft om aan te nemen dat zijn cliënt niet in aanmerking kan komen voor door de overheid gefinancierde rechtshulp, is hij verplicht met zijn cliënt vóór de aanvaarding van de opdracht en verder steeds tussentijds wanneer daartoe aanleiding bestaat, te overleggen of er termen zijn om te trachten door de overheid gefinancierde rechtshulp te verkrijgen.
- (…)
- Wanneer de cliënt mogelijk in aanmerking komt voor door de overheid gefinancierde rechtshulp en niettemin de keuze maakt daarvan geen gebruik te maken, dient de advocaat dat schriftelijk vast te leggen.
Beoordeling
5.11 Verweerder heeft in zijn opdrachtbevestiging van 29 januari 2024 vier kwesties genoemd die hij zou behandelen. Uit de brief van verweerder van 20 augustus 2025 blijkt dat hij nadien nog vele andere kwesties is gaan behandelen voor klaagster. Voor die kwesties heeft verweerder geen opdrachtbevestigingen verstuurd, zoals hij ook ter zitting heeft erkend. Verweerder heeft daarmee niet voldaan aan het vereiste om belangrijke afspraken schriftelijk vast te leggen, zoals is neergelegd in gedragsregel 16 en artikel 7.5 van de Verordening op de advocatuur (hierna: Voda). Klachtonderdeel 9 is in zoverre gegrond.
5.12 Ook is het de raad onvoldoende gebleken dat verweerder klaagster op adequate wijze heeft voorgelicht over het (eventueel) in aanmerking komen voor gefinancierde rechtsbijstand. Dat licht de raad als volgt toe.
5.13 Verweerder heeft erop gewezen dat hij bij het gesprek van 15 januari 2024 een brief aan klaagster heeft overhandigd waarin het volgende, voor zover relevant, vermeld staat:
“Ik heb u vooraf gemeld dat u als ondernemer zeer waarschijnlijk niet voor gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking zult komen.
Ook heb ik u gemeld dat voor strafrechtelijke procedures, zoals aangiftes in een strafrechtelijk voor traject, zo wie zo niet voor een toevoeging in aanmerking komen. Hetzelfde geldt voor een klachtprocedure tegen een notaris.
Daarom heb ik u duidelijk gemaakt alleen voor u te kunnen en willen werken tegen een betalend uurtarief.”
5.14 De ontvangst van de brief van 15 januari 2024 is door klaagster betwist. Verweerder heeft niet kunnen aantonen dat hij deze brief heeft overhandigd, door bijvoorbeeld een ontvangstbewijs. Evenmin heeft verweerder deze brief als bijlage bij zijn opdrachtbevestiging van 29 januari 2024 gevoegd of daarnaar verwezen. Dat lag wel op zijn weg, gelet op gedragsregel 16. De raad dient er dan ook vanuit te gaan dat verweerder niet of althans onvoldoende de toevoegingsmogelijkheden met klaagster heeft besproken. Voor zover verweerder dit wél besproken zou hebben met klaagster, zoals in de brief van 15 januari 2024 vermeld staat, overweegt de raad nog dat verweerder daarbij tekort is geschoten in zijn zorgplicht richting klaagster. Zo stelt de raad vast dat de kwesties waarvoor klaagster hulp zocht niet louter van zakelijke aard zijn, maar ook (deels) lijken te zien op privékwesties. Daarvoor zou klaagster mogelijk wel recht hebben op gefinancierde rechtsbijstand. Niet in geschil is dat klaagster op dat moment wel in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtsbijstand, aangezien zij in die periode ook voor haar familierechtelijke kwesties werd bijgestaan op basis van een toevoeging. Ook in zoverre is verweerder dus tekortgeschoten in zijn onderzoeks- en informatieplicht.
5.15 Verweerder heeft, mede ter zitting, toegelicht dat hij aan klaagster duidelijk zou hebben gemaakt dat hij haar vanwege de complexiteit van de dossiers enkel op betalende basis bij zou willen staan. Dat is op zichzelf niet ontoelaatbaar, maar verweerder dient dit wel goed vast te leggen en zich ervan te vergewissen dat zijn cliënte weet welk recht daarmee wordt prijsgegeven en welke consequenties dit heeft. Dat heeft verweerder niet gedaan. Zoals hiervoor is overwogen, is de schriftelijke vastlegging onvoldoende geweest. Ook is de raad van oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht om na te gaan dat klaagster begreep wat de consequenties waren, aangezien zij door verweerder onjuist is geadviseerd over de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een toevoeging. Als zij niet kon weten dat zij in aanmerking kwam voor een toevoeging, dan kon zij dit gegeven onvoldoende betrekken in haar keuze om alsnog op betalende basis door verweerder te worden bijgestaan. Ook klachtonderdelen 8 en 29 zijn gegrond.
Financiële afspraken (klachtonderdelen 15, 16, 18, 19, 20, 25, 30 en 31)
Toepasselijke regelgeving
5.16 Gedragsregel 17 luidt:
1. Bij het vaststellen van zijn declaratie behoort de advocaat een, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijk honorarium in rekening te brengen.
2. De advocaat draagt er zorg voor dat bij het aanvaarden van de opdracht duidelijke afspraken zijn gemaakt over zijn honorarium, de doorbelasting van kosten, en de wijze van declareren.
3. Zodra de advocaat voorziet dat de declaratie aanmerkelijk hoger zal worden dan de aanvankelijk aan de cliënt opgegeven schatting stelt hij zijn cliënt daarvan op de hoogte.
4. De advocaat richt zijn declaratie aldus in, dat de cliënt eenvoudig kan vaststellen hoeveel wordt gerekend voor honorarium, verschotten en omzetbelasting en in hoeverre voorschotten worden verrekend. De advocaat declareert zijn honorarium in beginsel periodiek en deugdelijk gespecificeerd onder opgave van tarief en tijdsbesteding of een andere overeengekomen grondslag.
(…)
Toelaatbaarheid financiële afspraken uit de opdrachtbevestiging
5.17 Verweerder heeft in zijn opdrachtbevestiging de afspraak neergelegd dat hij voor de vier kwesties die hij zou gaan behandelen een vast bedrag van € 5.000,- exclusief btw in rekening zou brengen. Dit heeft hij berekend aan de hand van een gereduceerd uurtarief van € 180,- per uur. Daarbij is afgesproken dat hij zijn hogere uurtarief in rekening mocht brengen en voor de daadwerkelijk gemaakte uren, mochten de letselschadezaak en/of de hypotheekkwestie tot uitbetaling van een vergoeding leiden.
5.18 Het is vaste rechtspraak van het Hof van Discipline dat het geoorloofd is om bij het uitblijven van een positief resultaat te declareren op basis van een laag uurtarief, maar dat hij een positief resultaat een hoger uurtarief in rekening wordt gebracht. Van een resultaatgerelateerd honorarium, zoals dat verboden is in artikel 7.7 onder a van de Voda, is niet gebleken. Evenwel kan de kernwaarde onafhankelijkheid van de advocaat in het gedrang komen als hij of zij een significant eigen belang heeft bij de wijze waarop het geschil tussen zijn cliënte en de wederpartij tot een oplossing wordt gebracht en het daarmee te behalen resultaat. Wat als redelijke verhouding heeft te gelden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en complexiteit van de zaak, de inhoud van het te behalen resultaat en de mate waarin de advocaat specifieke (onderzoeks)kosten voor zijn rekening neemt (zie HvD 7 september 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:178, onder 5.18).
5.19 Verweerder heeft als ondergrens een vast bedrag van € 5.000,- afgesproken voor alle vier de zaken. Daarbij is hij, aldus zijn opdrachtbevestiging, uitgegaan van een verwachte 28 uur aan werkzaamheden op basis van een tarief van € 180,- per uur. De raad ziet geen aanleiding om dit tarief niet als kostendekkend en voorziend in een bescheiden salaris te beschouwen. Verweerder heeft echter nagelaten om inschatting van een bovengrens te geven aan klaagster, op basis van de te verwachten tijdsbesteding, het totaal aan te verwachten kosten en, voor zover in redelijkheid mogelijk, het te verwachten resultaat (zie HvD 7 september 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:178, onder 5.18, en zoals verweerder ook verplicht is om te doen op basis van gedragsregel 17 lid 2 en het arrest van het Hof van Justitie van 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14). Daar komt bij dat verweerder gaandeweg in steeds meer zaken de belangen van klaagster is gaan behartigen. Voor die zaken zijn geen nieuwe opdrachtbevestigingen verstuurd, financiële afspraken gemaakt of ureninschattingen gegeven. Uit de brief van 20 augustus 2025 volgt dat verweerder de uren die hij aan die nieuwe zaken heeft besteed ook meende te kunnen declareren op basis van de afspraken van 29 januari 2024.
5.20 De raad is van oordeel dat gelet op het voorgaande geen redelijke verhouding meer bestaat tussen de onder- en bovengrens. Door dermate veel zaken (met bijbehorende, vooralsnog ongelimiteerde uren) te koppelen aan de positieve uitkomst van slechts een of twee zaken, heeft verweerder een significant belang kregen bij de wijze waarop laatstgenoemde zaken worden behandeld. Slechts bij een positieve uitkomst in die zaken zou hij namelijk meer kunnen declareren dan het maximum van € 5.000,- dat voor alle zaken gezamenlijk geldt. De kernwaarde onafhankelijkheid komt daarmee in het gedrang. De raad acht de door verweerder gemaakte financiële afspraken onder deze omstandigheden dan ook tuchtrechtelijk niet toelaatbaar.
Facturen van 17 en 22 april 2024
5.21 Verweerder heeft aan klaagster op 22 april 2024 een factuur van € 10.408,42 inclusief btw verzonden. Richting de rechtsbijstandsverzekeraar spreekt verweerder over een factuur van 17 april 2024 van hetzelfde bedrag. Beide facturen gaan over eenzelfde bedrag voor dezelfde werkzaamheden, zodat de raad ervan uitgaat dat er slechts bedoeld is één factuur te sturen maar dat daarin een fout is geslopen. Dat foutje acht de raad niet klachtwaardig. Klachtonderdeel 16 is ongegrond.
5.22 Wel acht de raad het klachtwaardig dat verweerder deze factuur heeft verstuurd. Voor de werkzaamheden is een vast bedrag van € 5.000,- exclusief btw afgesproken aldus de opdrachtbevestiging van 29 januari 2024. Daarvoor heeft verweerder op 7 februari 2024 al een factuur gestuurd. Verweerder had dan ook geen factuur in april 2024 voor nog eens € 10.408,42 inclusief btw moeten sturen, met een sommatie deze binnen 14 dagen te betalen. Datzelfde geldt voor zijn betalingsherinnering van 21 mei 2024, waarin hij bovendien ook nog dreigt met het inschakelen van de deurwaarder. Verweerder heeft hiermee niet financieel integer gehandeld.
5.23 Verweerder heeft in deze procedure toegelicht dat de factuur uit april 2024 verstuurd is, met als uurtarief € 340,- exclusief btw, om verweerders gewoonlijke uurtarief te presenteren om daarmee een ‘reëel uurtarief’ met de rechtsbijstandsverzekeraar af te spreken. Voor zover verweerder daarmee bedoeld heeft dat klaagster deze factuur niet heeft hoeven betalen, heeft verweerder dat niet deugdelijk vastgelegd. Ook is onduidelijk waarom hij in mei 2024 dan ook nog een betalingsherinnering voor de factuur stuurt onder dreiging van het inschakelen van de deurwaarder. Kwalijker nog acht de raad dat verweerder met deze factuur kennelijk moedwillig de rechtsbijstandsverzekeraar heeft proberen te misleiden om een hoger uurtarief te krijgen. Dat raakt aan valsheid in geschrifte. Dat het volgens verweerder niet uitmaakt, omdat er toch sprake is van een forfaitair bedrag kan de raad niet volgen. Er was immers een kostenmaximum van € 8.000,- per zaak gegeven, wat geen forfaitair bedrag is. Bovendien blijkt uit de stukken dat het kostenmaximum voor de letselschadeprocedure nadien is verhoogd tot € 50.000,-.
Eindfactuur
5.24 Ook het versturen van de einddeclaratie van 28 augustus 2025, zoals door verweerder toegelicht in zijn brief van 20 augustus 2025, acht de raad tuchtrechtelijk verwijtbaar. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft verweerder een vast bedrag afgesproken met klaagster voor zijn werkzaamheden. Verweerder heeft echter in totaal een bedrag van € 12.479,94 gedeclareerd bij klaagster. Ook heeft verweerder zijn factuur niet gebaseerd op de werkelijk door hem gemaakte uren, waarvan hij heeft erkend deze op enig moment niet meer te hebben bijgehouden, maar heeft hij een schatting gemaakt. De raad acht de einddeclaratie dan ook niet deugdelijk gespecificeerd, hetgeen in strijd is met gedragsregel 17 lid 4. Het is de raad overigens niet gebleken dat verweerder daarbij heeft gerekend met een tarief van € 200,- exclusief btw, maar juist met de afgesproken € 180,- exclusief btw. De (gelijkluidende) klachtonderdelen 25 en 30 zijn daarom wel ongegrond.
5.25 De raad verklaart klachtonderdelen 15, 18, 19, 20 en 31 gegrond. Klachtonderdelen 16, 25 en 30 zijn ongegrond.
Verrichte werkzaamheden (klachtonderdelen 21, 22 en 23)
5.26 Ook wordt verweerder verweten, kort samengevat, niets te hebben gedaan in de letselschadezaak, de kwestie over de boekhouder en het begeleiden bij het indienen van een tuchtklacht.
5.27 Over de letselschadezaak heeft verweerder in reactie op de klacht toegelicht dat hij hier niets mee heeft gedaan, omdat er geen documenten werden aangeleverd, ondanks zijn verzoek daartoe, waaruit aansprakelijkheid zou blijken. Over de kwestie van de boekhouder heeft verweerder toegelicht er niets mee te hebben gedaan omdat er geen enkele aanwijzing of bewijs werd aangeleverd dat sprake was van oplichting door de boekhouder. Over de tuchtklacht heeft verweerder toegelicht dat hij vanaf het begin af aan duidelijk is geweest dat hij de tuchtklacht nooit inhoudelijk zou behandelen of becommentariëren. Wel heeft hij de klacht een aantal malen herschreven voor klaagster en heeft hij veel tijd gestoken in het uitzoeken en adviseren over de reglementen, tuchtrechtelijke regels en jurisprudentie.
5.28 De raad stelt vast dat verweerder de drie hiervoor genoemde zaken heeft aangenomen in zijn opdrachtbevestiging van 29 januari 2024. In het dossier bevinden zich geen aanknopingspunten welke werkzaamheden verweerder concreet heeft verricht in de letselschadezaak en de kwestie over de boekhouder. Mede gelet op gedragsregel 16 lag het op verweerders weg om deugdelijk vast te leggen wat hij precies voor klaagster heeft gedaan. Bij gebrek aan deze schriftelijke vastlegging, kan de raad verweerder hierin niet volgen. Klachtonderdelen 21 en 22 zijn daarom gegrond.
5.29 Wat betreft de begeleiding bij het indienen van de tuchtklacht, heeft verweerder toegelicht zijn werkzaamheden te hebben beëindigd nadat hij, conform de opdrachtbevestiging, klaagster van advies en begeleiding heeft voorzien voorafgaand aan het indienen van de tuchtklacht. Het stond hem dan ook vrij om zijn werkzaamheden daarna neer te leggen. Dat is niet klachtwaardig. Klachtonderdeel 23 is ongegrond.
Geen antwoord geven op vragen van klaagsters gemachtigde (klachtonderdeel 27)
5.30 De gemachtigde van klaagster heeft op 7 augustus 2025 diverse vragen gesteld aan verweerder. Verweerder heeft daarop gereageerd geen antwoord te kunnen geven, gelet op zijn geheimhoudingsplicht. Dat acht de raad zorgvuldig, aangezien de gemachtigde op dat moment ook geen machtiging heeft laten zien dat hij namens klaagster mocht optreden. Klachtonderdeel 27 is ongegrond.
Overdracht dossiers (klachtonderdelen 11, 12, 26, 28 en 32)
5.31 Verweerder wordt verweten de dossiers ongeordend en niet compleet te hebben overhandigd aan klaagster en dat hij niet correct zou hebben gecommuniceerd met klaagster bij het afspreken van een ophaalmoment. Ook wordt verweerder verweten tegen de dossiers aan te hebben geschopt.
5.32 De raad stelt op basis van het dossier vast dat klaagster en verweerder langs elkaar heen hebben gemaild in de periode van 18 tot en met 20 augustus 2025 over het afspreken van een ophaalmoment. Klaagster heeft haar e-mails gericht aan een e‑mailadres van verweerder dat nog wel actief was, maar hij feitelijk niet (meer) gebruikte. Zoals verweerder heeft toegelicht, is dat e-mailadres daarvoor niet eerder door klaagster gebruikt. De raad acht het dan ook niet klachtwaardig dat verweerder die e-mails niet heeft gezien. Daarbij betrekt de raad ook dat verweerder in die periode meermaals aan klaagster (en haar gemachtigde) – vanaf het wel door hem gebruikte e‑mailadres – heeft gemaild over een ophaalmoment.
5.33 Omdat verweerder niet wist dat klaagster en haar gemachtigde in de ochtend van 21 augustus 2025 op de stoep zouden staan voor het ophalen van het dossier, acht de raad het niet klachtwaardig dat hij de dossiers op dat moment nog niet geordend had. Verweerder had juist gevraagd om een ophaalmoment te plannen zodat hij de dossiers voorafgaand nog kon ordenen. Dat hij daar nog niet aan toe was gekomen acht de raad onder deze omstandigheden niet klachtwaardig. Het is de raad bovendien niet gebleken dat de dossiers dermate ongeordend waren dat dit op zichzelf klachtwaardig zou moeten zijn. Dat is door klaagster gesteld maar niet onderbouwd. Het enkele feit dat haar gemachtigde enkele uren bezig is geweest met het (her)structureren van de dossiers is daarvoor onvoldoende.
5.34 De raad acht het gelet op de geschetste omstandigheden ook niet klachtwaardig dat de fysieke dossiers op het moment van de overdracht nog niet volledig waren, omdat er nog digitale stukken geprint moesten worden. Verweerder heeft die ontbrekende stukken binnen redelijke tijd nagezonden.
5.35 Tot slot kan de raad niet vaststellen hoe de overdracht op 21 augustus 2025 heeft plaatsgevonden en of verweerder uit boosheid tegen dossiers heeft geschopt. Dat is door verweerder betwist. Klaagster en haar gemachtigde hebben daarover een verklaring opgesteld, maar de raad hecht hier geen doorslaggevende waarde aan omdat er geen aanvullend (onafhankelijk) bewijs is dat de verklaring ondersteunt.
5.36 Klachtonderdelen 11, 12, 26, 28 en 32 zijn ongegrond.
Incassoprocedure (klachtonderdeel 33)
5.37 Niet in geschil is dat verweerder niets heeft gedaan met het incasseren van de toegewezen vordering van € 949,48. De raad is van oordeel dat dit verweerder niet tuchtrechtelijk kan worden aangerekend. Verweerder heeft klaagster in de strafzaak niet bijgestaan. Uit het dossier volgen geen aanknopingspunten dat verweerder ermee bekend had moeten zijn dat de vordering ruim vier jaar later nog niet betaald was. Het kan van een advocaat niet worden verwacht dat deze dit bij het overnemen van een dossier nauwgezet uitzoekt. Klaagster heeft evenmin aan verweerder verzocht om de vordering te incasseren of na te gaan of dat reeds gebeurd was. De raad zal klachtonderdeel 33, en daarmee de klacht met zaaknummer 26-243/DB/LI, ongegrond verklaren.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft klaagster ongeveer anderhalf jaar bijgestaan. In deze periode heeft hij herhaaldelijk nagelaten belangrijke informatie schriftelijk vast te leggen. Zo is niet gebleken welke werkzaamheden hij heeft verricht en heeft hij in (nieuwe) zaken geen opdrachtbevestigingen verstuurd. De wijze waarop verweerder is om gegaan met de financiële afspraken en zijn declaraties acht de raad nog zorgelijker. Zo heeft verweerder onvoldoende zorgvuldig onderzocht of klaagster voor een toevoeging in aanmerking kwam, heeft hij geen deugdelijke tijd- en kosteninschattingen gegeven aan klaagster voor de diverse dossiers die hij zou gaan behandelen en heeft hij een financiële afspraak gemaakt waardoor zijn onafhankelijkheid in het gedrang is gekomen. Verweerder heeft vervolgens diverse facturen verstuurd die (ver) boven het afgesproken vaste bedrag van € 5.000,- reikten. Eén van die facturen was volgens verweerder niet bedoeld om daadwerkelijk te incasseren, maar heeft hij enkel verstuurd om een hoger uurtarief met de rechtsbijstandsverzekeraar af te kunnen spreken. Dat is ten eerste zorgelijk omdat verweerder dat niet als zodanig kenbaar heeft gemaakt aan klaagster, terwijl hij wel een betalingsherinnering voor die factuur heeft gestuurd en heeft gedreigd met het inschakelen van een deurwaarder. Eveneens is ernstig dat verweerder daarmee heeft gepoogd om de rechtsbijstandsverzekeraar te misleiden. De kernwaarde (financiële) integriteit is daarmee op grove wijze geschonden.
6.2 De raad is gelet op het voorgaande van oordeel dat het opleggen van een schorsing passend en geboden is. Verweerder heeft fout op fout gestapeld waardoor het vertrouwen in de advocatuur op ernstige wijze is geschaad. Hij heeft de verplichtingen die voor een advocaat (al vele jaren) gelden wat betreft de financiële afspraken en de schriftelijke vastlegging op grove wijze niet nageleefd. Verweerder zal daar een substantiële verbetering in moeten tonen. De raad zal de op te leggen schorsing grotendeels voorwaardelijk opleggen, als prikkel voor verweerder om die verbetering ook te laten zien. De raad acht een schorsing van acht weken, waarvan zes weken voorwaardelijk noodzakelijk.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht met zaaknummer 26-073/DB/LI gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klaagster,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
In de zaak 26-073/DB/LI
- verklaart de raad onbevoegd ten aanzien van klachtonderdeel 14;
- verklaart klachtonderdelen 1 tot en met 7, 10, 13, 17 en 24 niet-ontvankelijk;
- verklaart klachtonderdelen 11, 12, 16, 23, 25, 26, 27, 28, 30 en 32 ongegrond;
- verklaart klachtonderdelen 8, 9, 15, 18, 19, 20, 21, 22, 29 en 31 gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van acht weken op, waarvan zes weken voorwaardelijk.
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder een of meer van de navolgende algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;
- stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt.
- bepaalt dat het onvoorwaardelijk gedeelte van de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat:
- de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen,
- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat
- de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven];
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 0verweging 7.4;
- bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot twee jaar.
In de zaak 26-243/DB/LI
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. H.M.S. Cremers en I.K. Decupere, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 24 augustus 2026