ECLI:NL:TADRSHE:2026:104 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-342/DB/OB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:104
Datum uitspraak: 24-08-2026
Datum publicatie: 24-08-2026
Zaaknummer(s): 26-342/DB/OB
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een erfrechtelijke kwestie. Geen sprake van onnodig grievende uitlatingen. Klacht gegrond over aankopen die verweerder als particulier bij klaagster heeft gedaan. Voldoende aanknopingspunten met de uitoefening van het beroep van advocaat. Verweerder heeft een miniatuurklok van klaagster gekocht op het moment dat hij haar dochter bijstond in een geschil tegen klaagster. Verweerder heeft niet gemeld dat hij de advocaat van klaagsters dochter was, terwijl hij de aankoop mede deed ter voorbereiding van de erfrechtkwestie. Strijd met de kernwaarde integriteit en gedragsregel 9. Mede gelet op het tuchtrechtelijk verleden van verweerder en omdat hij zich tijdens de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan tuchtrechtelijk laakbaar handelen, legt de raad een langdurige schorsing op als laatste kans. Schorsing van 25 weken, waarvan 13 weken voorwaardelijk.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 24 augustus 2026

in de zaak 26-342/DB/OB

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

gemachtigde:

over:

verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 30 juli 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 20 april 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 48|25|122K van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 juli 2026. Daarbij waren de gemachtigde van klaagster en verweerder aanwezig.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 01 tot en met 08.

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2 De echtgenoot van klaagster handelde in antiek. Hij restaureerde onder meer klokken. Klaagster en haar echtgenoot waren al enige tijd bezig met het verkopen van hun (antiquaire) spullen om op termijn kleiner te gaan wonen toen klaagsters echtgenoot op 5 november 2022 is overleden. Klaagster heeft het verkopen van de spullen uit de woning daarna voortgezet. Zo heeft zij onder meer een Spaanse appelklok en een miniatuurklok via Marktplaats aangeboden.

2.3 Verweerder is naast advocaat ook een liefhebber van antiquaire voorwerpen. Verweerders vrouw heeft de Spaanse appelklok eind juni 2023 op Marktplaats zien. Ze heeft een bod gedaan en dat is door klaagster geaccepteerd. Op 25 juni 2023 hebben verweerder en zijn vrouw de Spaanse appelklok opgehaald bij klaagster thuis. Verweerders vrouw heeft de overdracht met klaagster geregeld op de oprit van klaagsters woning. Verweerder is in de auto blijven zitten.

2.4 Een van klaagsters dochters heeft verweerder vervolgens benaderd voor rechtsbijstand in een geschil met haar moeder.

2.5 Op 7 juli 2023 heeft verweerders vrouw de Marktplaats-advertentie voor de miniatuurklok gezien. Zij heeft opnieuw een bod gedaan en ook dat bod is door klaagster geaccepteerd. Verweerder en zijn vrouw hebben de miniatuurklok op 9 juli 2023 opgehaald in de woning van klaagster. Verweerder wist op dat moment dat klaagster de moeder was waarmee zijn cliënte een geschil had, maar heeft dat niet kenbaar gemaakt. De overdracht voor de miniatuurklok heeft plaatsgevonden in de woning. Verweerder en zijn vrouw hebben ook een rondleiding gekregen van klaagster, waarbij zij diverse andere voorwerpen heeft laten zien die te koop stonden. Verweerder heeft vervolgens ook een boek gekocht van klaagster, waarin de miniatuurklok vermeld stond.

2.6 Op 14 juli 2023 heeft klaagster een brief, met als dagtekening 12 juli 2023, ontvangen van verweerder, waarin hij kenbaar maakt namens de dochter op te treden. Er is in de periode daarna gecorrespondeerd over de boedel van de nalatenschap van klaagsters echtgenoot.

2.7 Verweerder heeft namens de dochter een procedure bij de rechtbank gestart. Op 1 juli 2025 heeft een zitting plaatsgevonden. Verweerder heeft een pleitnota voorgedragen op deze zitting, waarin hij onder meer heeft opgenomen:

(…) Ondergetekende heeft, mede ter voorbereiding op deze zaak, een klok en een boek over klokken gekocht van gedaagde. De klok werd pas ná procesinbreng erkend als behorend tot de nalatenschap; het boek blijft tot op heden verzwegen. (…)”

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.

  1. Verweerder heeft zich in correspondentie onnodig kwetsend uitgelaten;
  2. Verweerder is in contact getreden met klaagster zonder daarbij kenbaar te maken dat hij als advocaat van de wederpartij optrad;
  3. Verweerder heeft zich onder valse voorwendselen de toegang tot klaagsters woning verschaft;
  4. Verweerder heeft door zijn handelen de privacy en het gevoel van veiligheid van klaagster aangetast en haar vertrouwen in de advocatuur geschonden.

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

Toetsingskader

5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

Klachtonderdeel a)

5.2 Klaagster heeft toegelicht dat zij de processtukken van verweerder als onnodig grievend heeft ervaren voor zover daarin (zakelijk samengevat) wordt gesteld dat sprake is van fundamentele tekortkomingen, klaagster haar verplichtingen structureel zou negeren en dat er goederen bewust buiten de verdeling zouden worden gehouden.

5.3 De raad is van oordeel dat verweerder zich niet onnodig grievend heeft uitgelaten. Verweerder vertolkt als advocaat het standpunt van zijn cliënte. Volgens zijn cliënte zou de afwikkeling van de nalatenschap niet correct zijn verlopen en zouden er goederen ontbreken. Dat mocht verweerder dan ook naar voren brengen. De raad begrijpt dat dergelijke verwijten bij klaagster hard aan kunnen komen, maar verweerder mocht dit functioneel achten voor de belangenbehartiging van zijn cliënte. Klachtonderdeel a) is ongegrond.

Klachtonderdelen b) tot en met d)

5.4 Klachtonderdelen b) tot en met d) gaan over de aankopen die verweerder heeft gedaan bij klaagster. Verweerder heeft deze aankopen als particulier gedaan. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid, zoals in privéhoedanigheid, kan het tuchtrecht volledig gelden als er voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. De raad is van oordeel dat dit het geval is. Op het moment dat verweerder de miniatuurklok kocht, stond hij de dochter van klaagster al bij. Zoals verweerder ook op de zitting heeft bevestigd, wist hij op het moment dat hij de miniatuurklok kocht, dat klaagster de moeder van zijn cliënte was, met wie zij een geschil had. Verweerder heeft nog gesteld dat de boedelbeschrijving op dat moment nog niet in geschil was, maar dat hij enkel was ingeschakeld door de dochter omdat klaagster meende een vordering vanwege een lening te hebben op haar dochter. Daarover zou de brief van 12 juli 2023 ook gaan. De raad volgt verweerder daar niet in, aangezien hij dit niet heeft onderbouwd met stukken en klaagster heeft ontkend dat de brief zou gaan over een lening. Bovendien, en nog meer doorslaggevend, heeft verweerder in zijn pleitnota van 1 juli 2025 zelf opgemerkt de aankopen mede ter voorbereiding op deze zaak te hebben gedaan. Verweerder heeft daarover in zijn reactie op de klacht toegelicht dat die formulering achteraf bezien ongelukkig gekozen was, maar de raad ziet niet in wat daarmee anders bedoeld had kunnen zijn dan het door verweerder is opgeschreven.

5.5 De raad stelt dus vast dat verweerder op 9 juli 2023 niet heeft gemeld dat hij de advocaat van klaagsters dochter was, terwijl hij de aankoop mede deed ter voorbereiding op de erfrechtkwestie over de boedel. De raad is van oordeel dat verweerder daarmee niet integer heeft gehandeld. Ook is dat in strijd met gedragsregel 9, waaruit volgt dat hij ervoor zorg dient te dragen dat geen misverstand kan ontstaan over de hoedanigheid waarin hij in de gegeven situatie optreedt. Hoewel de raad ervan overtuigd is dat verweerder ook daadwerkelijk interesse had in de miniatuurklok, kan de raad er niet om heen dat verweerder de aankoop niet uitsluitend om die reden heeft gedaan. De raad beschouwt daarom ook het klachtonderdeel gegrond dat verweerder zich onder valse voorwendselen de toegang tot klaagsters woning heeft verschaft. Hoewel verweerder erin kan worden gevolgd dat dit is gebeurd omdat klaagster hem zelf binnen uitnodigde, is de raad van oordeel dat verweerder misbruik heeft gemaakt van de situatie door dat aanbod te aanvaarden zonder duidelijk te zijn over zijn hoedanigheid. Tot slot is de raad ook van oordeel dat verweerder met zijn handelen zowel klaagsters privacy als het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.

5.6 De raad zal klachtonderdelen b) tot en met d) daarom gegrond verklaren.

6 MAATREGEL

6.1 Verweerder heeft de kernwaarde integriteit op ernstige wijze geschonden, door niet helder te zijn geweest dat hij de dochter van klaagster bijstond op het moment dat hij bij haar thuis de miniatuurklok kwam kopen. De raad is van oordeel dat het verweerder volstrekt duidelijk had moeten zijn dat hij daarmee onbetamelijk handelde.

6.2 Bij het bepalen van de op te leggen maatregel weegt de raad ook mee dat verweerder in het verleden veelvuldig in aanraking is gekomen met het tuchtrecht. Zo is aan hem in de periode van 2010 tot en met 2016 een waarschuwing, viermaal een berisping en een schorsing van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk opgelegd. Ook recenter zijn aan hem waarschuwing (eind 2021) en schorsing van 8 weken waarvan 4 weken voorwaardelijk opgelegd. De laatstgenoemde schorsing is bij beslissing van het Hof van Discipline van 17 januari 2023 (ECLI:NL:TAHVD:2023:3) onherroepelijk geworden, waarna er een proeftijd van twee jaar is ingegaan. Tijdens deze proeftijd heeft verweerder zich opnieuw schuldig gemaakt aan tuchtrechtelijk laakbaar handelen door incognito bij klaagster thuis langs te gaan. De raad heeft dan ook grote vraagtekens bij verweerders integriteit en lerend vermogen. De vraag is op tafel gekomen of er voor verweerder nog wel een plek is in de advocatuur, nu hij er blijk van blijft geven niet integer te handelen. De raad biedt verweerder een laatste kans om te laten zien dat hij wel in lijn met de kernwaarde integriteit kan handelen en zal daarom een langdurige schorsing opleggen die deels voorwaardelijk is, als stok achter de deur voor verweerder om deze – wat de raad betreft laatste – kans aan te grijpen. De raad acht een schorsing van vijfentwintig (25) weken, waarvan dertien (13) weken voorwaardelijk passend en geboden.

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 50,- reiskosten van (de gemachtigde van) klaagster,

b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c) € 500,- kosten van de Staat.

7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart klachtonderdeel a) ongegrond;

- verklaart klachtonderdelen b) tot en met d) gegrond;

- legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van vijfentwintig (25) weken op, waarvan dertien (13) weken voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder de navolgende voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;

- stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt.

- bepaalt dat het onvoorwaardelijk gedeelte van de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat:

- de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen,

- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat

- de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;

- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.4.

Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. H.M.S. Cremers en I.K. Decupere, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026.

Griffier                                                                            Voorzitter

Verzonden op: 24 augustus 2026