ECLI:NL:TADRSHE:2026:103 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-488/DB/ZWB/D

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:103
Datum uitspraak: 24-08-2026
Datum publicatie: 24-08-2026
Zaaknummer(s): 26-488/DB/ZWB/D
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Bezwaren van de deken
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Dekenbezwaar. Verweerder heeft stelselmatig en in een groot aantal zaken niet voldaan aan de zware zorgplicht die geldt bij het behandelen van gezamenlijke echtscheidingsverzoeken. Voor de hoogte van de maatregel weegt de raad mee dat de vaste rechtspraak over de zware zorgplicht voor ‘afhechtingsadvocaten’ al lange tijd helder was en verweerder ook wist dat de dekens extra toezicht zouden houden op ‘afhechtingsadvocaten’. De raad is er niet van overtuigd dat verweerder met de inmiddels doorgevoerde wijzigingen in zijn praktijkvoering wel zal voldoen aan de zware zorgplicht. Schorsing van 22 weken, waarvan 18 weken voorwaardelijk.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 24 augustus 2026

in de zaak 26-488/DB/ZWB/D

naar aanleiding van het dekenbezwaar van:

de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant

deken

over:

verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 11 juni 2026 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend over verweerder.

1.2 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 juli 2026. Daarbij waren de deken, bijgestaan door een stafjurist, en verweerder aanwezig.

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2 Verweerder werkt sinds 1 mei 2025 samen met [bedrijf 1], een echtscheidingsmediationbureau. Sindsdien heeft hij maandelijks ongeveer 150 gezamenlijke echtscheidingsverzoeken ingediend bij de rechtbank als ‘afhechtingsadvocaat’.

2.3 Op 21 januari 2026 heeft de deken een kantoorbezoek bij verweerder gehouden. Tijdens het kantoorbezoek heeft verweerder de werkwijze van zijn kantoor toegelicht. De deken heeft verweerder erop gewezen dat zijn werkwijze op gespannen voet staat met de gedragsregels en kernwaarden en heeft hij diverse aanbevelingen opgesomd.

2.4 Verweerder heeft zijn werkwijze na afloop van dit gesprek per e-mail aan de deken nader toegelicht. Daaruit volgt dat mediators zaken aanmelden bij [bedrijf 2] ([bedrijf 3]), waar verweerder zijn paralegals inhuurt. De stukken worden door een paralegal gescreend. Als er zaken opvallen dan wordt er met verweerder overlegd voorafgaand aan het videogesprek met partijen. De videogesprekken worden door de paralegals gehouden. Als tijdens dat gesprek ‘red flags’ naar voren komen, zoals wanneer er afstand wordt gedaan van partneralimentatie, pensioenen of als er een ongelijke verdeling is, dan worden deze besproken en stuurt de paralegal na afloop een explainer naar partijen. Verweerder ontvangt een melding als er een explainer wordt verstuurd. Verweerder controleert wekelijks steekproefsgewijs vijf tot tien zaken, waarbij hij de stukken en de opname van het videogesprek bekijkt. Na het videogesprek is er een wachttijd van zeven dagen voor partijen, tenzij sprake is van een spoedgeval; bij spoed wordt het videogesprek altijd door verweerder gedaan en wordt aan partijen benadrukt dat zij hun verzoek kunnen intrekken tot het moment van inschrijving bij de gemeente. De explainer en red flags voor de paralegals zijn waarborgen die verweerder zelf heeft ingebouwd nadat hij het werk per mei 2025 heeft overgenomen van een andere advocaat.

Ook heeft verweerder toegelicht dat hij voor een standaardzaak 150 euro ontvangt en voor spoedzaken 175 euro.

2.5 In een brief aan een van de klanten is na een onlinegesprek onder meer opgenomen dat (i) tijdens het onlinegesprek onder andere de identiteit en contactgegevens van partijen zijn geverifieerd, (ii) de opdracht zich beperkt tot de afwikkeling van de echtscheiding en uitdrukkelijk niet tot het opnieuw beoordelen van de inhoud van het convenant aan de hand van achterliggende documenten en financiële gegevens, (iii) de achterliggende documenten over bijvoorbeeld financiële gegevens of het totaaloverzicht van vermogen niet zijn verstrekt, en (iv) dat wordt verwezen naar de mediator over de kosten voor het inschakelen van verweerder.

2.6 Op 14 april 2026 heeft een tweede kantoorbezoek plaatsgevonden door de stafjurist en een lid van de Raad van de Orde met als specialisme personen- en familierecht.

2.7 Na het tweede kantoorbezoek met de deken heeft verweerder zijn werkwijze per 1 mei 2026 aangepast, na een overgangsmaand in april 2026, waarna hij (of een van de nieuw geworven advocaten) de onlinegesprekken zelf voert en ook de dossiers worden bekeken. Ook is het honorarium voor verweerder verhoogd naar € 175,- per afgeronde zaak.

3 DEKENBEZWAAR

3.1 Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerder het volgende.

  1. Verweerder heeft bij de behandeling van een grote hoeveelheid echtscheidingszaken niet de zorg in acht genomen die van een behoorlijk handelend advocaat verwacht mag worden. Hij heeft daarbij in strijd gehandeld met de kernwaarden integriteit, partijdigheid en deskundigheid, artikel 7.11 van de Voda en gedragsregels 1, 2, 12, 13, 14, 16, 17 en 18.

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd.

4.2 Voordat verweerder met het mediationbureau in zee is gegaan, heeft hij uitgebreid met het bureau over de werkwijze gesproken. Ook heeft hij zijn voorgangster gesproken, advocaat [naam], die in 2021 met de Rotterdamse deken gesprekken heeft gevoerd over de werkzaamheden en waaruit volgende dat zij haar werkzaamheden op zorgvuldige wijze behandelde. Na het starten van zijn werkzaamheden voor het mediationbureau, heeft verweerder een aantal wijzigingen doorgevoerd voor een betere controle. Zo heeft hij de paralegals geïnstrueerd om door te vragen bij ‘red flags’ en heeft hij ook de explainer geïntroduceerd. Ook heeft verweerder de modelbepalingen laten aanpassen.

4.3 Anders dan de deken aanvoert, werd en wordt gecontroleerd of cliënten in aanmerking komen voor gefinancierde rechtsbijstand.

4.4 Kennelijk bleken onderliggende stukken niet steeds aanwezig in het klantportaal, maar verweerder heeft het mediationbureau daarop aangesproken. Per 1 mei 2026 is dit weer standaard het geval.

4.5 Verweerder vindt het erg dat de indruk is ontstaan dat hij niet voldoende integer, onpartijdig of deskundig zou zijn. Het raakt hem diep, omdat hij de kwaliteit boven alles heeft staan. Verweerder heeft daarom de door de deken aanbevolen aanpassingen doorgevoerd en daar houdt hij stevig de hand aan. Hij heeft inmiddels een jurist die voorheen vFAS-advocaat was aangenomen die de dossiers nu ook screent. Ook heeft hij twee advocaten ingeschakeld voor het houden van de onlinegesprekken. Verweerder beschouwt de dienst van ‘afhechtingsadvocaat’ als een duidelijke behoefte in de markt en het is zijn ambitie om het afhechtingsproces heel zorgvuldig en correct in te richten, zodat juist de burger die (net) geen toevoeging kan krijgen recht wordt gedaan.

5 BEOORDELING

Toetsingskader

5.1 Advocaten vervullen een bijzondere positie in het rechtsbeding. Dat brengt voor een advocaat een zware verantwoordelijkheid mee om met zijn opdracht, privileges en bevoegdheden op zorgvuldige wijze om te gaan. Zijn optreden dient een goede rechtsbedeling te bevorderen, niet alleen in het belang van zijn cliënt, maar ook in het openbaar belang. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen, dient de tuchtrechter dit te toetsen aan e in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.

5.2 Ook is van belang dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, want wordt bijvoorbeeld ingeperkt door de artikelen 7.1 en 7.2 van de Verordening op de advocatuur en gedragsregel 16. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

5.3 Echtscheidingsverzoeken kunnen enkel worden ingediend bij de rechtbank door een advocaat. De achterliggende gedachte daarbij is dat de cliënt uitvoerig en correct wordt voorgelicht over zijn juridische positie en daardoor geïnformeerde beslissingen kan nemen. Op de advocaat rust dus een zware zorgplicht. De zorgplicht die in deze zaken op de advocaat rust weegt nog zwaarder als beide partijen zich door één advocaat laten bijstaan. Volgens vaste rechtspraak geldt daarbij het uitgangspunt dat de advocaat die voor beide partijen op hun gemeenschappelijk verzoek een echtscheidingsconvenant opstelt en een echtscheiding tot stand brengt, beide partijen goed voorlicht en dat hij zich ervan vergewist dat beide partijen een te treffen regeling begrijpen. Indien een partij met minder genoegen neemt dan waarop deze aanspraak kan maken, dan dient de advocaat zich ervan te vergewissen dat deze partij dat ook begrijpt en dat deze partij een dergelijke concessie welbewust aanvaardt (HvD 7 december 2012, ECLI:NL:TAHVD:2012:3; HvD 7 januari 2013, ECLI:NL:TAHVD:2013:44; en HvD 9 april 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:61). Het hiervoor geformuleerde uitgangspunt raakt de kernwaarde van de partijdigheid, die uitzondering lijdt in het geval een advocaat in een echtscheidingskwestie voor beide partijen optreedt. Juist omdat het optreden voor beide partijen een uitzonderingssituatie is, dient dat optreden met bijzondere waarborgen te worden omkleed. Een advocaat heeft zelf de volledige verantwoordelijkheid om de rechtsbijstand te verlenen op een wijze die recht doet aan de op de advocaat rustende verplichtingen.

5.4 Mediators die geen advocaat zijn, zijn niet bevoegd tot het indienen van echtscheidingsverzoeken bij de rechtbank. Mediators zijn daarom genoodzaakt om advocaten, zoals verweerder, in te schakelen voor het indienen van de (gemeenschappelijke) verzoeken tot echtscheiding met bijbehorende convenanten en eventuele ouderschapsplannen. Ten tijde van de ontvangst door de advocaat van een dergelijk van de mediator afkomstig verzoek heeft de advocaat in kwestie nog geen enkele inhoudelijke bemoeienis met de zaak van de cliënten gehad. De Raad voor Rechtsbijstand noemt deze advocaten “afhechtingsadvocaat”.

5.5 De hiervoor beschreven zorgplicht rust echter onverminderd op de advocaat als hij door een mediator wordt ingeschakeld om de hiervoor beschreven werkzaamheden als “afhechtingsadvocaat” te verrichten. Een advocaat mag daarom niet blind varen op wat de mediator hem aanlevert, hij mag nooit enkel als doorgeefluik fungeren. Het is de advocaat die het verzoekschrift namens beide cliënten indient en die zijn handtekening onder het verzoek zet, waarmee hij ook naar de rechtbank toe een waarborg vormt voor het feit dat beide partijen daadwerkelijk willen wat ze volgens de processtukken beweren te willen. Die verantwoording kan de advocaat niet waarmaken als hij geen inhoudelijk invulling geeft aan zijn taak om ervoor te zorgen dat dit proces zorgvuldig verloopt.

Beoordeling

5.6 Verweerder wordt verweten de hiervoor genoemde zware zorgplicht niet te zijn nagekomen. Volgens de deken is daarmee in strijd gehandeld met de kernwaarden integriteit, partijdigheid en deskundigheid, artikel 7.11 van de Voda en gedragsregels 1, 2, 12, 13, 14, 16, 17 en 18. De raad zal daarop hierna ingaan.

Zware zorgplicht bij gezamenlijke echtscheidingsverzoeken

5.7 Dit dekenbezwaar gaat over verweerders werkwijze tussen 1 mei 2025 en 1 mei 2026. De raad is van oordeel dat verweerder gedurende die periode niet heeft voldaan aan de zware zorgplicht die op hem rust bij het behandelen van gezamenlijke echtscheidingsverzoeken. Verweerder heeft zijn werkwijze zo ingericht dat al het inhoudelijke werk wordt gedaan door mediators van [bedrijf 1] en de controle achteraf wordt verricht door paralegals, die hij inleent via [bedrijf 2] of [bedrijf 3]. Zelf verricht hij geen werkzaamheden, anders dan een steekproefsgewijze controle achteraf of wanneer de paralegals opmerkelijkheden signaleren. Verweerder functioneert daarmee voornamelijk als stempelmachine, zonder zich ervan te vergewissen welke afspraken zijn cliënten precies maken, of de afspraken correct zijn vormgegeven en of zijn cliënten ook daadwerkelijk begrijpen waarmee zij instemmen. De explainer die verweerder laat versturen bij ‘red flags’ kan niet worden beschouwd als een redelijk alternatief, nu deze buiten verweerder om wordt verstuurd door de paralegals en evenmin is gebleken dat daarin concreet wordt ingegaan op de voor de betreffende zaak specifieke omstandigheden. Daar lijkt ook weinig ruimte voor te zijn binnen het verdienmodel van verweerder, enerzijds omdat hij een geringe vergoeding krijgt per dossier en anderzijds omdat zijn cliënten ook uitdrukkelijk werd voorgehouden dat de opdracht uitdrukkelijk niet bestaat uit het opnieuw beoordelen van de inhoud van het convenant aan de hand van de achterliggende documenten (zie de brief genoemd in overweging 2.5). Verweerder functioneert daarmee grotendeels als doorgeefluik voor het mediationbureau en verkoopt als het ware het aan hem toekomende procesmonopolie, waarbij hij onvoldoende verantwoordelijkheid neemt voor de belangen van zijn cliënten. De raad acht dit in strijd met de kernwaarde integriteit, partijdigheid en deskundigheid. Ook is dit in strijd met gedragsregels 1, 2, 12, 13, 14 en 16.

5.8 Verweerder wordt ook verweten niet te controleren of de cliënten die naar hem worden doorverwezen, mogelijk in aanmerking komen voor gefinancierde rechtsbijstand. Verweerder betwist dit en stelt dat dit wel wordt onderzocht, maar hij heeft dit niet concreet gemaakt met bewijsstukken. Daartegenover volgt uit de in overweging 2.5 genoemde brief dat verweerder simpelweg verwijst naar de mediator voor afspraken over de kosten. Daarbij wordt niet gerept over de eventuele mogelijkheid voor gefinancierde rechtsbijstand. De raad is van oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 7.11 van de Voda en gedragsregel 17 en 18.

6 MAATREGEL

6.1 Verweerder heeft stelselmatig en in een groot aantal zaken niet voldaan aan de zware zorgplicht die geldt bij het behandelen van gezamenlijke echtscheidingsverzoeken. De raad rekent dat verweerder zwaar aan. Voor de hoogte van de op te leggen maatregel weegt de raad ook mee dat op het moment dat verweerder in zee is gegaan met het mediationbureau en als ‘afhechtingsadvocaat’ is gaan optreden, de vaste rechtspraak over de zware zorgplicht al lange tijd helder was en dat de dekens ook extra toezicht zouden houden op ‘afhechtingsadvocaten’. Zie bijvoorbeeld het Jaarplan toezicht op de advocatuur uit 2024 en 2025. Verweerder was dan ook een gewaarschuwd mens en heeft desondanks deze zware zorgplicht niet nageleefd.

6.2 Ook weegt de raad mee dat verweerder beweert dat hij zijn werkwijze heeft aangepast nadat hij er door de deken op was gewezen dat hij (mogelijk) in strijd handelde met de gedragsregels en kernwaarden. De raad is er evenwel niet van overtuigd dat verweerder met de door hem aangebrachte wijzigingen wel zal voldoen aan de zware zorgplicht die op hem rust. Zoals door verweerder is toegelicht, zal hij per zaak € 175,- euro gaan verdienen. De raad heeft grote twijfels of verweerder met die beperkte financiële opbrengst wel de tijd kan besteden die iedere zaak nodig heeft. Zo zal hij per zaak al snel enkele uren nodig hebben voor het bestuderen van de onderliggende informatie, het controleren van de door de mediators opgestelde stukken, het voeren van een gesprek met zijn cliënten en het afwikkelen van de zaak. De raad beseft dat het aan verweerder is om met een beperkt inkomen genoegen te nemen maar zelfs als de raad enkel let op de kosten die gebruikelijk verbonden zijn aan het voeren van een advocatenpraktijk is het de raad niet aanstonds duidelijk hoe voornoemd tarief hem de ruimte biedt om aan de zware zorgplicht die op hem rust te voldoen.

6.3 De raad acht het op zijn plaats dat aan verweerder een onvoorwaardelijke schorsing wordt opgelegd omdat hij stelselmatig en in vele zaken niet heeft voldaan aan de zware zorgplicht die op hem rust. Hij had dat ook kunnen en moeten weten. Voor het bepalen van de hoogte van deze onvoorwaardelijke schorsing kijkt de raad naar vergelijkbare tuchtrechtelijke beslissingen over ‘afhechtingsadvocaten’. Bij beslissing van deze raad van 26 februari 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:35) en van de raad van discipline Den Haag van 3 november 2025 (ECLI:NL:TADRSGR:2025:215) zijn onvoorwaardelijke schorsingen van 4 weken opgelegd. De raad acht onderhavig feitencomplex vergelijkbaar met deze twee beslissingen, waarin de betreffende advocaten ook niet (zelf) gesprekken voerden met de cliënten om zich ervan te vergewissen dat wat partijen afspraken in het echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan daadwerkelijk was wat zij af wensten te spreken. Een lichtere maatregel van een onvoorwaardelijke schorsing van 2 weken is opgelegd in een recente beslissing van deze raad van 28 april 2026 (ECLI:NL:TADRSHE:2026:52) waarin de betrokken advocaat – anders dan verweerder – nog wel zelf sprak met de cliënten. De raad acht het dan ook passend en geboden om aan verweerder een onvoorwaardelijke maatregel van 4 weken op te leggen.

6.4 Daarbovenop acht de raad het van belang om aan verweerder een voorwaardelijke schorsing op te leggen, om ervoor te zorgen dat hij zijn zware zorgplicht in de toekomst wel zal naleven. De raad wijst volledigheidshalve nog op zijn twijfels zoals verwoord in overweging 6.2 De raad acht een voorwaardelijke schorsing van 18 weken daarvoor passend, zoals ook in de laatstgenoemde beslissing van 28 april 2026 is opgelegd.

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

b) € 500,- kosten van de Staat.

7.2 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart de klacht gegrond;

- legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van tweeëntwintig (22) weken op, waarvan achttien (18) weken voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder de navolgende voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;

- stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt.

- bepaalt dat het onvoorwaardelijk gedeelte van de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat:

- de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen,

- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat

- de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.2;

- bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot twee jaar.

Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. H.M.S. Cremers en I.K. Decupere, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026.

Griffier                                                                            Voorzitter

Verzonden op: 24 augustus 2026