ECLI:NL:TADRSHE:2026:102 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-351/DB/ZWB 26-356/DB/ZWB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:102
Datum uitspraak: 24-08-2026
Datum publicatie: 24-08-2026
Zaaknummer(s):
  • 26-351/DB/ZWB
  • 26-356/DB/ZWB
Onderwerp:
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klachten over de advocaat van de wederpartij. Klachten deels niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. Niet gebleken dat verweerder bewust onjuiste informatie heeft verstrekt of informatie heeft achtergehouden of tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld bij het verrichten van een heroverweging. Klachten in zoverre ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 24 augustus 2026

in de zaken 26-351/DB/ZWB en 26-356/DB/ZWB

naar aanleiding van de klachten van:

klaagster

(zaaknummer: 26-351/DB/ZWB)

en

klager

gemachtigde: [klaagster]

(zaaknummer: 26-356/DB/ZWB)

over:

verweerder

gemachtigde: mr. B. van Mieghem

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 18 juni 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 23 oktober 2025 heeft klager zich gevoegd als klagende partij.

1.3 Op 7 april 2026 heeft de raad de klachtdossiers met kenmerken K25-058a (zaaknummer: 26-351/DB/ZWB) en K25-058b (zaaknummer: 26-356/DB/ZWB) van de deken ontvangen.

1.4 De klachten zijn gezamenlijk behandeld op de zitting van de raad van 13 juli 2026. Daarbij waren klaagster, klager, verweerder en zijn gemachtigde aanwezig.

1.5 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.3 genoemde klachtdossiers en van de op de inventarissen genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van klagers van 24 juni 2026.

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2 Verweerder is advocaat in loondienst bij een zorgverzekeraar.

2.3 Klaagster verleent wijkverpleging aan klager, waarvan de kosten worden vergoed door de verzekeraar. De zorgverzekeraar is een fraudeonderzoek gestart. De zorgverzekeraar heeft de declaraties voor de verleende zorg sinds september 2024 niet uitbetaald. Volgens de zorgverzekeraar zou klager valse declaraties hebben ingediend omdat klaagster per maart 2024 arbeidsongeschikt zou zijn maar daarna wel voor door haar geleverde zorg heeft gedeclareerd. Ook heeft de zorgverzekeraar maatregelen getroffen ten aanzien van zowel klaagster als klager, waaronder opname in het EVR-register. Zowel klaagster als klager hebben hierover een eigen klacht ingediend bij de Stichting Klacht en Geschillen Zorgverzekeringen (hierna: SKGZ)

2.4 Bij brief van 14 november 2024 heeft de zorgverzekeraar aan de SKGZ toegelicht een signaal te hebben ontvangen van de gemeente Tilburg. Ook is om uitstel voor een reactie verzocht zodat het fraudeonderzoek afgerond kon worden.

2.5 Op 8 december heeft verweerder aan klaagster medegedeeld dat hij zich zal buigen over de klacht die door haar is ingediend, wat hij aanmerkt als een verzoek om heroverweging. Verweerder heeft klaagster in de gelegenheid gesteld om haar verzoek tot uiterlijk 19 december 2024 nader toe te lichten, waarna hij zich aan de heroverweging zal zetten op basis van de op dat moment beschikbare informatie.

2.6 Op 9 december 2024 heeft verweerder een gelijkluidend bericht aan klager verstuurd over diens klacht.

2.7 Op 18 december 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de SKGZ over de klacht van klager, waarbij verweerder namens de zorgverzekeraar aanwezig is geweest. Verweerder heeft tijdens deze hoorzitting toegelicht dat de heroverweging op 14 januari 2025 gereed kan zijn en dat hij gewacht heeft met een reactie over het heroverwegingsverzoek omdat hij pas op de hoorzitting wist dat er geen aanvullende informatie meer wordt aangeleverd anders dan op 1 december 2024 is aangeleverd.

2.8 Op 13 januari 2024 heeft verweerder een heroverweging verstuurd aan klager, waarin wordt geconcludeerd dat de zorgverzekeraar handhaaft dat sprake is van fraude en de maatregelen in stand worden gelaten. Ook staat daarin een passage “- de drie personen zijn u, uw vader en uw moeder

2.9 Op 19 maart 2025 heeft verweerder, na de hoorzitting van diezelfde dag, aan de SKGZ geschreven dat hij diezelfde dag door zijn secretariaat is geïnformeerd dat op 12 maart 2025 een e-mail was binnengekomen die ongelezen naar een map was versleept, waarin door klager om het controleplan is gevraagd. Verweerder heeft daarbij geschreven dat als hij de e-mail van 12 maart 2025 had gezien, hij het controleplan zou hebben nagestuurd en dat hij veronderstelde dat het controleplan al deel uitmaakte van het SKGZ-dossier. Verweerder heeft het controleplan diezelfde dag nagestuurd.

2.10 Op 31 maart 2025 heeft het bedrijfsbureau juridische zaken namens verweerder de heroverweging aan klaagster toegezonden. In de heroverweging staat onder andere dat de heroverweging door een intern misverstand niet eerder aan klaagster is toegezonden en dat de zorgverzekeraar de conclusie dat sprake is van fraude handhaaft. Het beëindigen van de zorgverzekeringsovereenkomst van klaagster wordt niet in stand gelaten, maar de overige getroffen maatregelen wel.

2.11 Op 23 april 2025 heeft de SKGZ een bindend advies gegeven, waarin is geoordeeld dat opzet tot fraude niet is komen vast te staan, dat de zorgverzekeraar de declaraties niet mocht terugvorderen en alsnog moet vergoeden en onder meer alle jegens klager getroffen maatregelen waaronder het opnemen van zijn persoonsgegevens in diverse registers ongedaan moet maken.

2.12 Op 6 mei 2025 heeft verweerder aan klaagster medegedeeld dat het bindend advies van SKGZ geen aanleiding vormt voor de zorgverzekeraar om bevindingen uit het uitgevoerde fraudeonderzoek te herzien en/of terug te komen op de getroffen maatregelen jegens haar. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat klaagster geen procespartij is bij het geschil en dat het advies expliciet geen betrekking heeft op de verhouding tussen klaagster en de zorgverzekeraar, en dat de uitspraak noch de onderliggende overwegingen afbreuk doen aan de feitelijke constateringen waarop de zorgverzekeraar zijn conclusies heeft gebaseerd. Over het herstel van de zorgverzekeringsovereenkomst heeft verweerder aangegeven daarop terug te komen en dat het kan zijn dat klaagster zich opnieuw als verzekerde zal moeten aanmelden.

2.13 Op 29 mei 2025 heeft klaagster gereageerd geen terugkoppeling te hebben ontvangen over het herstel van de zorgverzekering en dat zij onder meer zich het recht voorbehoudt om het onder de aandacht te brengen bij de Orde van Advocaten.

2.14 Op 30 mei 202 heeft verweerder aan klaagster gevraagd of zij al heeft geprobeerd om zich opnieuw aan te melden, wat naar hij begrepen heeft weer mogelijk is. Ook heeft hij opgemerkt dat klaagster een klacht moet indienen bij de Orde als zij daar redenen voor heeft, maar dat zij niet moet dreigen met het indienen van een klacht tegen verweerder omdat zij vindt dat de zorgverzekeraar tekortschiet.

2.15 Op 2 juni 2025 heeft verweerder op verzoek van klager bevestigd dat zijn EVR-registratie is verwijderd en heeft hij een overzicht gegeven van de partijen die kennis hebben genomen van de registratie.

2.16 Op 12 juni 2025 heeft klaagster een e-mail gestuurd aan verweerder met het verzoek om te bevestigen dat hij eerdere e-mails van haar van 26 mei 2025 en 10 juni 2025 heeft doorgestuurd aan de functionaris gegevensbescherming van de zorgverzekeraar. Klaagster heeft de berichten eerder ook aan de functionaris gegevensbescherming verstuurd via het daartoe bestemde formulier van de zorgverzekeraar.

2.17 Op 18 juni 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder. Diezelfde dag heeft zij ook een klacht bij de Autoriteit Persoonsgegevens ingediend over de zorgverzekeraar.

3 KLACHT

3.1 De klachten houden, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende.

  1. Verweerder heeft bewust onjuiste of misleidende informatie verstrekt aan SKGZ;
  2. Verweerder heeft essentiële documenten achtergehouden of pas na de zitting overgelegd;
  3. Verweerder heeft misbruik gemaakt van het procesrecht om klachtprocedures te vertragen of te neutraliseren;
  4. Verweerder heeft fundamentele toezeggingen structureel genegeerd;
  5. Verweerder heeft zonder rechtvaardiging persoonsgegevens van derden verwerkt of besproken;
  6. Verweerder heeft de toegang van klagers tot geschilbeslechting door SKGZ afgesneden;
  7. Verweerder heeft niet gereageerd op de verzoeken van klagers om berichten door te sturen naar de functionaris gegevensbescherming.

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

Bevoegdheid van de raad

5.1 Het is niet aan de tuchtrechter om te beoordelen of sprake is van een schending van de AVG. Dat oordeel is voorbehouden aan de Autoriteit Persoonsgegevens (zie HvD 4 september 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:148). De raad zal zich daarom onbevoegd verklaren ten aanzien van klachtonderdeel e.

Ontvankelijkheid

5.2 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen.

5.3 Klachtonderdelen a), b) gaan over de klachtprocedure van klager tegen de zorgverzekeraar bij de SKGZ. Klaagster heeft daarbij geen eigen, rechtstreeks betrokken belang. De raad zal klaagster daarom niet-ontvankelijk verklaren in deze klachtonderdelen. Hieronder zal de raad wel inhoudelijk ingaan op beide klachtonderdelen, omdat klager wel ontvankelijk is.

5.4Klachtonderdelen d), f) en g) gaan daarentegen over het herstel van de zorgverzekering van klaagster, haar klachtprocedure bij de SKGZ en haar verzoeken om berichten door te sturen aan de functionaris gegevensbescherming. Daarbij heeft klager geen eigen, rechtstreeks betrokken belang. Klager wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in deze klachtonderdelen. Ook hier zal de raad hierna echter inhoudelijk ingaan op de klachtonderdelen, omdat klaagster daarin wel ontvankelijk is.

Toetsingskader

5.5 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

Klachtonderdelen a) en b)

5.6 Verweerder wordt verweten bewust onjuiste informatie te hebben verstrekt over de reden waarom er een fraudeonderzoek naar klagers is uitgevoerd. Aanvankelijk heeft verweerder zich namens de zorgverzekeraar richting de SKGZ op het standpunt gesteld dat dit kwam door een melding vanuit de gemeente Tilburg. Uit het controleplan, dat ook niet voorafgaand aan de hoorzitting bij de SKGZ is overgelegd, zou volgen dat er een melding afkomstig was van een arbeidsongeschiktheidsverzekeraar. Dat het controleplan is achtergehouden, is ook een verwijt dat verweerder wordt gemaakt.

5.7 Het is de raad niet gebleken dat verweerder bewust onjuiste informatie heeft verstrekt over de aanleiding van het onderzoek. Verweerder heeft toegelicht dat het onderzoek is gestart naar aanleiding van een vordering van de gemeente Tilburg. Dat het volgens klagers zou gaan om een IKZ-melding, die ook te herleiden is tot dezelfde gemeente, berust volgens hem op een onjuiste lezing van de stukken. De raad ziet in het dossier geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder hierover onjuist, laat staan bewust onjuist heeft verklaard. Klachtonderdeel a) is ongegrond.

5.8 Evenmin heeft de raad kunnen vaststellen dat verweerder het controleplan heeft achtergehouden. Zoals volgt uit verweerders e-mail van 19 maart 2025, verkeerde hij in de veronderstelling dat het controleplan al onderdeel uitmaakte van het dossier en heeft hij dit vervolgens ook diezelfde dag nog ingediend in de procedure. Dat had wellicht zorgvuldiger gekund, maar tuchtrechtelijk verwijtbaar acht de raad dit niet. Klachtonderdeel b) is ongegrond.

Klachtonderdeel c)

5.9 De gegrondheid van dit klachtonderdeel is de raad niet gebleken. Dat verweerder namens de zorgverzekeraar heeft verzocht om de klachtprocedure bij de SKGZ aan te houden totdat de herbeoordeling was uitgevoerd, behoort tot de ruime vrijheid die hij als advocaat heeft ter behartiging van de belangen van zijn cliënte. Als klagers het daar niet mee eens waren, dan konden zij hun bezwaren daarover bij de SKGZ naar voren brengen.

5.10 Eveneens ziet de raad niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door ondoelmatig te hebben gehandeld bij het verrichten van de heroverweging. Verweerder had klagers tot 19 december 2024 de tijd gegeven om aanvullende informatie toe te sturen. Dat hij daarop nog in afwachting was op 18 december 2024, is dan ook niet klachtwaardig. Vervolgens is de heroverweging van klager ook binnen de toegezegde termijn verstuurd. De heroverweging van klaagster heeft kennelijk langer op zich laten wachten met het versturen daarvan door een interne miscommunicatie. Ook dat had dus zorgvuldiger gekund, maar is op zichzelf nog niet als tuchtrechtelijk verwijtbaar te kwalificeren. Bovendien is het de raad niet gebleken dat verweerder een dergelijke toezegging ook aan klaagster had gedaan.

5.11 Klachtonderdeel c) is ongegrond.

Klachtonderdeel d)

5.12 Het ligt niet binnen verweerders macht of verantwoordelijkheid om de zorgverzekering van klaagster te herstellen. Dat was immers aan de zorgverzekeraar om te doen. Het betreft dus een feit dat niet aan verweerder toegerekend kan worden. Klachtonderdeel d) is ongegrond.

Klachtonderdeel f)

5.13 Klaagster heeft toegelicht dat haar zorgverzekering formeel is hersteld vlak voordat de SKGZ een bindend advies zou geven. Daardoor was er formeel geen geschil meer waarover het SKGZ moest oordelen. Verweerder heeft volgens klaagster de toegang tot geschilbeslechting door SKGZ afgesneden.

5.14 De raad ziet niet in hoe verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door namens zijn cliënte tegemoet te komen aan wat klaagster wilde bereiken. Als de klachtprocedure bij de SKGZ daardoor in weerwil van wat klaagster wilde beëindigd werd, dan is dat iets wat klaagster zelf bij de SKGZ kenbaar kon maken. Verweerder heeft klaagsters belangen hiermee niet onevenredig benadeeld. Klachtonderdeel f) is ongegrond.

Klachtonderdeel g)

5.15 Verweerder heeft toegelicht de berichten van klaagster door te hebben gezonden aan de functionaris gegevensbescherming. Daarmee heeft hij gehandeld zoals van hem mocht worden verwacht. Verweerder had dit ook nog aan klaagster kunnen bevestigen, maar hij heeft niet klachtwaardig gehandeld door de keuze te maken om dat niet te doen. Klachtonderdeel g) is ongegrond.

BESLISSING

De raad van discipline:

In zaaknummer 26-351/DB/ZWB (klaagster):

- verklaart de raad onbevoegd ten aanzien van klachtonderdeel e);

- verklaart klaagster niet-ontvankelijk ten aanzien van klachtonderdelen a) en b);

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

In zaaknummer 26-356/DB/ZWB (klager):

- verklaart de raad onbevoegd ten aanzien van klachtonderdeel e);

- verklaart klager niet-ontvankelijk ten aanzien van klachtonderdelen d), f) en g);

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. H.M.S. Cremers en I.K. Decupere, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026.

Griffier                                                                            Voorzitter

Verzonden op: 24 augustus 2026