ECLI:NL:TADRSGR:2026:27 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-480/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:27 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-03-2026 |
| Datum publicatie: | 17-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-480/DH/DH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij (advocaat-stagiaire). Verweerster heeft onvoldoende afstand bewaard tot haar cliënte, waardoor zij het recht op een ongestoord woongenot van klaagster op ontoelaatbare en onevenredige wijze heeft helpen schaden. De raad weegt bij de hoogte van de op te leggen maatregel ook mee dat verweerster in die periode nog advocaat-stagiaire was en zij in de woning aanwezig was in opdracht van haar patroon. Hoewel ook een advocaat-stagiaire verantwoordelijk is voor diens eigen handelen, begrijpt de raad ook dat verweerster hierdoor in een lastige situatie is gebracht waarin zij enerzijds rekening diende te houden met de belangen van haar cliënte en de opdracht die zij van haar patroon kreeg, maar anderzijds ook met de belangen van klaagster. Waarschuwing. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 26 januari 2026 in de zaak 25-480/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
gemachtigde: mr. M.J. de Jong
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 15 juli 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 21 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K142 2024 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 december 2025. Daarbij
waren klaagster, verweerster en de gemachtigde van verweerster aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende
stukken van klaagster van 2 augustus 2025 en van verweerster van 4 augustus 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster huurt een (onzelfstandige) woonruimte van verhuurder S. Tussen
klaagster en de verhuurder is een langdurig geschil ontstaan over diverse aspecten
van de woning. Dit heeft geleid tot een procedure bij de kantonrechter. De verhuurder
is hierin bijgestaan door verweerster en haar patroon mr. D.
2.3 Bij vonnis van de kantonrechter van 11 oktober 2023 is, voor zover relevant,
de verhuurder veroordeeld tot herstel van de bovenramen, uiterlijk binnen een maand
nadat zij door klaagster in de woning is toegelaten om de benodigde herstelwerkzaamheden
op te (laten) nemen, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum
van € 10.000,-.
2.4 In de periode na het vonnis hebben klaagster en de verhuurder e-mailcontact
gehad over de herstelwerkzaamheden. Daarin heeft klaagster op 19 oktober 2023 de verhuurder
duidelijk gemaakt dat zij haar privévertrekken niet mocht binnentreden en dat een
klusjesman welkom is op een voor klaagster geschikt moment waarbij een derde aanwezig
is. Op 21 oktober 2023 heeft de advocaat van klaagster opnieuw aan mr. D medegedeeld
dat klaagster niet wil dat de verhuurder of onbekenden haar privévertrekken betreden.
2.5 Op 27 oktober 2023 heeft de verhuurder de privévertrekken van klaagster betreden
voor het opmeten van de bovenramen. Op dat moment was een lid van het Buurtteam en
een medewerker van de gemeente bij klaagster thuis. De verhuurder is, ondanks vorderingen
van klaagster en de twee aanwezigen, pas vertrokken uit de woning nadat de politie
is gebeld.
2.6 Daarna heeft de verhuurder een klusjesman ingeschakeld om de herstelwerkzaamheden
op maandag 30 oktober 2023 te verrichten. Aanvankelijk zou zij deze klusjesman samen
met een familielid vergezellen naar de woning. Omdat het familielid afzegde, heeft
de verhuurder haar advocaten gevraagd om hierbij aanwezig te zijn. Verweerster is
door haar patroon gevraagd om dit te doen.
2.7 Op zondagmiddag 29 oktober 2023 heeft de verhuurder aan klaagster geschreven:
“Hierbij laat ik u weten dat maandag a.s. 30 oktober er een delegatie van 3 personen
naar [de woning] zal komen voor diverse aspecten betreffende de uitspraak Midden-Nederland.
Dat zal omstreeks 16 u in de namiddag. Het betreft een klusjesman, een advocaat en
mijzelf. (…)”
2.8 Verweerster heeft in de ochtend van 30 oktober 2023 contact gezocht met het
Buurtteam over het bezoek aan de woning en of zij daarvan afwisten. Het Buurtteam
heeft daarop geantwoord dat zij met twee personen aanwezig zullen zijn.
2.9 Die middag is verweerster, samen met de verhuurder en de klusjesman, omstreeks
16.00 uur bij de woning gearriveerd. Twee leden van het Buurtteam waren op dat moment
bij klaagster aanwezig in de woonkamer. Klaagster heeft de verhuurder, de klusjesman
en verweerster de toegang tot haar privévertrekken geweigerd en heeft de politie gebeld.
Na bemiddeling van het Buurtteam heeft een van de leden van het Buurtteam klaagster
meegenomen om buiten een wandeling te maken, terwijl het andere lid van het Buurtteam
in de woonkamer achterbleef terwijl de herstelwerkzaamheden werden uitgevoerd. Nadat
de herstelwerkzaamheden waren uitgevoerd, zijn verweerster, de verhuurder en de klusjesman
vertrokken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster het volgende.
a) Verweerster heeft de woning van klaagster binnengetreden, zonder toestemming
van klaagster en ondanks sommatie om te vertrekken;
b) Verweerster heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 25, door zonder toestemming
contact op te nemen met de hulpverleners van klaagster.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a)
5.2 Uit het dossier maakt de raad op dat de verhoudingen tussen klaagster en
de verhuurder op scherp stonden. Zo is onder meer al eerder de politie gebeld en had
klaagster kennelijk al aangifte gedaan van huisvredebreuk door de verhuurder op een
eerder moment. In een dergelijke situatie is het aan een advocaat om, gelet op de
kernwaarde onafhankelijkheid, voldoende afstand te bewaren en zich niet te laten meeslepen
in de (verdere) escalatie van het geschil.
5.3 De verhuurder heeft besloten om op 30 oktober 2023 met een klusjesman langs
te gaan bij de woning, nadat zij daarover in haar ogen niet snel genoeg afspraken
heeft kunnen maken met klaagster. Zonder de toestemming van klaagster, die heel duidelijk
had gemaakt onder welke voorwaarden de werkzaamheden uitgevoerd hadden kunnen worden,
had zij niet de verhuurde delen van de woning kunnen/mogen betreden. In een situatie
als deze is het aan een advocaat om de cliënte te weerhouden van dergelijk ontoelaatbaar
gedrag of om daar afstand van te nemen. Verweerster heeft dat niet gedaan, maar heeft
haar cliënte gesteund in dit gedrag door met haar mee te gaan naar de woning. Daarmee
heeft zij blijk gegeven onvoldoende afstand te hebben bewaard ten opzichte van haar
cliënte. Verweerster had haar cliënte erop moeten wijzen dat het binnentreden van
het verhuurde gedeelte van de woning niet was toegestaan en dat er juridische mogelijkheden
waren om toegang tot de woning af te dwingen.
5.4 Voor zover verweerster stelt dat haar cliënte wel moest handelen zoals zij
had gedaan omdat haar dwangsommen boven het hoofd hingen, doet dat aan het voorgaande
niet af. Dwangsommen worden immers niet verbeurd indien de nakoming van het betreffende
rechterlijk gebod wordt verhinderd door de partij ten gunste van wie dwangsommen kunnen
worden verbeurd. Bij onzekerheid hierover, is de gang naar de rechter aangewezen,
zoals mr. D in zijn e-mail aan de advocaat van klaagster d.d. 20 oktober 2023 ook
aankondigt.
5.5 Verweerster heeft in dat verband nog verklaard dat klaagster op een gegeven
moment met een lid van het Buurtteam de woning had verlaten voor een wandeling en
dat zij dit heeft opgevat als akkoord voor het binnentreden van de woning en het verrichten
van de werkzaamheden. De raad volgt haar daarin niet. Klaagster had al in eerdere
correspondentie duidelijk gemaakt dat haar privévertrekken niet betreden mochten worden
door anderen en heeft ook tijdens het bezoek op 30 oktober 2023 nog de politie gebeld.
Het verlaten van de woning door klaagster kan onder die omstandigheden niet als een
akkoord worden opgevat.
5.6 Wel heeft verweerster ter zitting inzicht gegeven in haar handelswijze. Zo
heeft zij toegelicht dat (ook) haar cliënte zich geïntimideerd voelde en daarom niet
alleen de confrontatie met klaagster wenste aan te gaan. Verweerster heeft daarom
haar cliënte willen steunen. Om voor een balans en de-escalatie te zorgen, heeft verweerster
het Buurtteam vervolgens ook benaderd. De raad ziet daarin dat verweerster wel oog
heeft gehad voor de belangen van klaagster en ook haar best heeft gedaan de situatie
niet (verder) te laten escaleren, maar dit verandert niet dat haar handelen heeft
bijgedragen aan het op ontoelaatbare en onevenredige wijze schaden van klaagsters
belangen, met name haar recht op ongestoord wonen. De raad zal klachtonderdeel a)
daarom gegrond verklaren.
Klachtonderdeel b)
5.7 Gedragsregel 25 lid 1 luidt: De advocaat stelt zich met een partij betreffende
een aangelegenheid, waarin deze naar hij weet door een advocaat wordt bijgestaan,
niet anders in verbinding dan door tussenkomst van die advocaat, tenzij deze laatste
hem toestemming geeft rechtstreeks met die partij in verbinding te treden. Deze regel
geldt onverminderd wanneer de bedoelde partij zich tot de advocaat wendt.
5.8 Verweerster heeft contact gehad met het Buurtteam. Gedragsregel 25 ziet niet
op die situatie, maar enkel het rechtstreeks contact met de wederpartij zelf. Het
klachtonderdeel is dus ongegrond. Overigens is het ook anderszins in beginsel niet
tuchtrechtelijk verwijtbaar om met een hulpverlenende organisatie van een wederpartij
contact te zoeken. Dat valt onder de vrijheid van een advocaat in het behartigen van
de belangen van een cliënt. Het is aan de hulpverlenende organisatie zelf om te beslissen
of zij al dan niet kunnen ingaan op een gesprek.
Conclusie
5.9 De raad zal klachtonderdeel a) gegrond verklaren. Klachtonderdeel b) is ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerster heeft onvoldoende afstand bewaard tot haar cliënte, waardoor
zij het recht op een ongestoord woongenot van klaagster op ontoelaatbare en onevenredige
wijze heeft helpen schaden. De raad weegt bij de hoogte van de op te leggen maatregel
ook mee dat verweerster in die periode nog advocaat-stagiaire was en zij in de woning
aanwezig was in opdracht van haar patroon. Hoewel ook een advocaat-stagiaire verantwoordelijk
is voor diens eigen handelen, begrijpt de raad ook dat verweerster hierdoor in een
lastige situatie is gebracht waarin zij enerzijds rekening diende te houden met de
belangen van haar cliënte en de opdracht die zij van haar patroon kreeg, maar anderzijds
ook met de belangen van klaagster. De raad betrekt daarbij dat verweerster ook heeft
geprobeerd de balans te herstellen door ook actief na te vragen of het Buurtteam voor
klaagster aanwezig zou zijn. De raad heeft daarom overwogen om de klacht gegrond te
verklaren, maar daarvoor geen maatregel op te leggen. Aan de andere kant moet echter
ook worden meegewogen dat de belangen van klaagster ernstig zijn geschaad en dat verweerster
hiermee eigenrichting door haar cliënte in de hand heeft gewerkt, terwijl een advocaat
dit juist moet zien te voorkomen. Dit laatste acht de raad zwaarwegend. Daarom zal
toch de maatregel van een waarschuwing worden opgelegd.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster
op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht
van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar
rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klaagster,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft
binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk
aan verweerster door.
7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) gegrond;
- verklaart klachtonderdeel b) ongegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in overweging 7.4.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. M.G. van den Boogerd
en D. Rijpma, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 26 januari 2026.
Griffier Voorzitter