ECLI:NL:TADRSGR:2026:26 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-482/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:26 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-01-2026 |
| Datum publicatie: | 17-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-482/DH/DH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij (patroon). Verweerder heeft in strijd gehandeld met de kernwaarde onafhankelijkheid voor onvoldoende afstand te bewaken tot zijn cliënte en de kernwaarde integriteit door de dreigen met het inschakelen van de politie om, tegen klaagsters wens in, toegang te krijgen tot haar privévertrekken. Daarbij heeft verweerder ook zijn advocaat-stagiaire in de situatie gebracht waarin zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hoewel de advocaat-stagiaire daarin ook een eigen verantwoordelijkheid heeft, rekent de raad dit verweerder zwaar aan. De raad weegt ook mee dat verweerder nauwelijks inzicht heeft getoond in de ernst van zijn handelen. Berisping. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 26 januari 2026 in de zaak 25-482/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
gemachtigde: mr. M.J. de Jong
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 10 juli 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 21 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K142 2024 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 december 2025. Daarbij
waren klaagster, verweerder en de gemachtigde van verweerder aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende
stukken van klaagster van 2 augustus 2025 en van verweerder van 4 augustus 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster huurt een (onzelfstandige) woonruimte van verhuurder S. Tussen
klaagster en de verhuurder is een langdurig geschil ontstaan over diverse aspecten
van de woning. Dit heeft geleid tot een procedure bij de kantonrechter, nadat verweerder
op 9 november 2022 een dagvaarding heeft uitgebracht. De verhuurder is hierin bijgestaan
door verweerder en zijn advocaat-stagiaire mr. L.
2.3 Bij vonnis van de kantonrechter van 11 oktober 2023 is, voor zover relevant,
de verhuurder veroordeeld tot herstel van de bovenramen, uiterlijk binnen een maand
nadat zij door klaagster in de woning is toegelaten om de benodigde herstelwerkzaamheden
op te (laten) nemen, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum
van € 10.000,-.
2.4 In de periode na het vonnis hebben klaagster en de verhuurder e-mailcontact
gehad over de herstelwerkzaamheden. Op 19 oktober 2023 heeft de verhuurder aangekondigd
op 20 oktober 2023 om 12.00 uur langs te komen met een klusjesman. Diezelfde dag heeft
klaagster de verhuurder duidelijk gemaakt dat zij haar privévertrekken niet mocht
binnentreden en dat een klusjesman welkom is op een voor klaagster geschikt moment
waarbij een derde aanwezig is.
2.5 Op 20 oktober 2023 heeft verweerder aan klaagsters advocaat geschreven:
“Uw cliënte is er weer in geslaagd om een klusjesman van mijn cliënte te verjagen
en werkt weer actief het herstel van (in dit geval) het raam tegen. (…) De handelswijze
van [klaagster] maakt het onmogelijk om (tijdig) aan de veroordeling te voldoen. (…)
[De verhuurder] vreest thans dat [klaagster] straks het standpunt gaat betrekken dat
de dwangsommen ex art. 4.4 zijn verbeurd, hoewel zij dit zelf heeft veroorzaakt door
aannemers/klusjesmannen te weigeren. Het is nog maar de vraag of [de verhuurder] een
nieuwe klusjesman kan vinden.
Ik heb thans opdracht om de rechtbank te verzoeken om de dwangsommen voormeld op
te heffen althans op te schorten ex art. 611d Rv. Ik heb geprobeerd u te bellen maar
dat is helaas niet gelukt.”
2.6 Op 21 oktober 2023 heeft de advocaat van klaagster opnieuw aan verweerder
medegedeeld dat klaagster niet wil dat de verhuurder of onbekenden haar privévertrekken
betreden en dat zij meewerkt als er op een redelijke termijn een afspraak wordt ingepland.
2.7 Op 27 oktober 2023 heeft de verhuurder de privévertrekken van klaagster betreden
voor het opmeten van de bovenramen. Op dat moment was een lid van het Buurtteam en
een medewerker van de gemeente bij klaagster thuis. De verhuurder is, ondanks vorderingen
van klaagster en de twee aanwezigen, pas vertrokken uit de woning nadat de politie
is gebeld.
2.8 Daarna heeft de verhuurder een klusjesman ingeschakeld om de herstelwerkzaamheden
op maandag 30 oktober 2023 te verrichten. Aanvankelijk zou zij deze klusjesman samen
met een familielid vergezellen naar de woning. Omdat het familielid afzegde, heeft
de verhuurder haar advocaten gevraagd om hierbij aanwezig te zijn. Verweerder heeft
zijn advocaat-stagiaire gevraagd om dit te doen.
2.9 Op zondagmiddag 29 oktober 2023 heeft de verhuurder aan klaagster geschreven:
“Hierbij laat ik u weten dat maandag a.s. 30 oktober er een delegatie van 3 personen
naar [de woning] zal komen voor diverse aspecten betreffende de uitspraak Midden-Nederland.
Dat zal omstreeks 16 u in de namiddag. Het betreft een klusjesman, een advocaat en
mijzelf. (…)”
2.10 De advocaat-stagiaire heeft op 30 oktober 2023 omstreeks 16.00 uur, samen
met de verhuurder en de klusjesman, de woning bezocht.
2.11 Op diezelfde dag heeft verweerder om 16:41 uur aan klaagsters advocaat geschreven:
“Afspraken maken met uw cliënte is niet mogelijk. Ze reageert niet of stelt via
u onmogelijke eisen. U reageert ook niet, behalve met dwars liggen of schizofrene
standpunten.
Enerzijds vordert uw cliënte herstel en zegt ze dat voor herstel haar medewerking
niet nodig is. Anderzijds is een afspraak maken niet mogelijk en weigert ze mijn cliënte
toe te laten (zonder zinnige reden). Bij het inmeten van de kozijnen voor het weekend
gedroeg uw cliënte zich onmogelijk en begon ze hysterisch te gillen. [Klaagster] mobiliseert
het wijkteam om actief het herstel te blokkeren, wederom zonder zinnige reden.
Vandaag kan/zal het betreffende werk conform randnummer 4.4 van het vonnis worden
hersteld zoals netjes aangekondigd. Op grond van art. 7:220 lid 1 BW is uw cliënte
verplicht om hieraan me te werken. Ze is ook gewoon aanwezig met een derde partij.
Mijn cliënte staat thans conform aankondiging voor de deur van uw cliënte met een
collega en een klusjesman om de klus te klaren. Wij hebben u vandaag herhaaldelijk
gebeld. U reageert niet.
Wij bellen thans met de politie om de toegang normaal en zonder “toestanden” te
laten verlopen en het herstel uit te voeren.
Het is onbegrijpelijk waarom dit op deze manier moet en waarom u dit als advocaat
faciliteert. U wee dat mijn cliënt door uw cliënte is verplicht om op korte termijn
te herstellen.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft in de dagvaarding onrechtmatig verkregen foto’s van klaagsters
woning ingebracht en feitelijke onjuistheden naar voren gebracht;
b) Verweerder heeft klaagsters advocaat beledigd door te stellen dat hij niet
reageert of schizofrene standpunten inneemt;
c) Verweerder heeft zijn cliënte en advocaat-stagiaire aangezet tot het onrechtmatig
binnentreden van klaagsters woning;
d) Verweerder heeft gedreigd de politie te bellen om toegang tot klaagsters woning
af te dwingen, terwijl er nog voldoende tijd was om het vonnis van de kantonrechter
na te komen.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a)
5.2 Het eerste klachtonderdeel gaat over de dagvaarding van 9 november 2022.
Daarin heeft verweerder foto’s opgenomen van de woning en inboedel van klaagster,
die hij van zijn cliënte heeft ontvangen. Verweerder heeft dat mogen doen. Hij mag
de informatie gebruiken die hij van zijn cliënte krijgt. Dat deze cliënte de foto’s
mogelijk op onrechtmatige wijze heeft gemaakt, maakt het handelen van verweerder niet
tuchtrechtelijk verwijtbaar. Ook heeft verweerder mogen uitgaan van de informatie
die hij van zijn cliënte heeft gekregen, zonder dat hij dit nader heeft hoeven verifiëren.
Als de informatie onjuist bleek te zijn, dan kon klaagster dat in de procedure bij
de kantonrechter weerleggen. Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b)
5.3 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van
een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht
om hierover een klacht in te dienen. Als klaagsters advocaat zich beledigd heeft gevoeld
door verweerder, dan is het aan deze advocaat om zelf een tuchtklacht in te dienen.
Klaagster heeft daarbij geen eigen, rechtstreeks betrokken belang. Klachtonderdeel
b) is niet-ontvankelijk.
Klachtonderdelen c) en d)
5.4 Uit het dossier maakt de raad op dat de verhoudingen tussen klaagster en
de verhuurder op scherp stonden. Zo is onder meer al eerder de politie gebeld en had
klaagster kennelijk al aangifte gedaan van huisvredebreuk door de verhuurder op een
eerder moment. In een dergelijke situatie is het aan een advocaat om, gelet op de
kernwaarde onafhankelijkheid, voldoende afstand te bewaren en zich niet te laten meeslepen
in de (verdere) escalatie van het geschil.
5.5 De verhuurder heeft besloten om op 30 oktober 2023 met een klusjesman langs
te gaan bij de woning, nadat zij daarover in haar ogen niet snel genoeg afspraken
heeft kunnen maken met klaagster. Zonder de toestemming van klaagster, die heel duidelijk
had gemaakt onder welke voorwaarden de werkzaamheden uitgevoerd hadden kunnen worden,
had zij niet de verhuurde delen van de woning kunnen/mogen betreden. In een situatie
als deze is het aan een advocaat om de cliënte te weerhouden van dergelijk ontoelaatbaar
gedrag of om daar afstand van te nemen. Verweerder heeft dat niet gedaan, maar heeft
zijn advocaat-stagiaire gevraagd om in de woning aanwezig te zijn met de cliënte.
Daarmee heeft verweerder blijk gegeven onvoldoende afstand te hebben bewaard ten opzichte
van de cliënte, maar ook zijn advocaat-stagiaire in een situatie gebracht waarin zij
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld (zie de beslissing van vandaag in zaaknummer
25-480/DH/DH). Voor dit laatste kan verweerder via artikel 3.13 van de Verordening
op de advocatuur tuchtrechtelijk worden aangesproken..
5.6 Verweerder heeft in zijn verweer en ter zitting toegelicht waarom hij heeft
gemeend en nog steeds meent dat zijn cliënte toegang had tot de woning. De verhuurder
was namelijk eigenaar van de woning, zodat zij het recht en de plicht had om de woning
te betreden. Daarnaast was zij daar vanwege een vordering van klaagster om herstelwerkzaamheden
te verrichten, zodat daarmee ook toestemming was gegeven om de werkzaamheden uit te
voeren. Ook werd voldaan aan alle eisen die klaagster had gesteld, namelijk dat zij
daarbij aanwezig was samen met nog een derde persoon. Daarnaast was klaagster als
huurder via artikel 7:220 BW verplicht om herstelwerkzaamheden toe te staan. De raad
kan verweerder daar geenszins in volgen. Ook onder die omstandigheden kan verhuurder
niet zonder uitdrukkelijke toestemming van de huurder de privévertrekken binnentreden.
Die toestemming was er uitdrukkelijk niet, zoals klaagster ook meermaals duidelijk
heeft gemaakt in haar e-mails medio oktober 2023.
5.7 Voor zover verweerder stelt dat zijn cliënte wel moest handelen zoals zij
had gedaan omdat haar dwangsommen boven het hoofd hingen, doet dat aan het voorgaande
niet af. Dwangsommen worden immers niet verbeurd indien de nakoming van het betreffende
rechterlijk gebod wordt verhinderd door de partij ten gunste van wie dwangsommen kunnen
worden verbeurd. Bij onzekerheid hierover, is de gang naar de rechter aangewezen,
zoals verweerder in zijn e-mail aan de advocaat van klaagster d.d. 20 oktober 2023
ook aankondigt.
5.8 Verweerder heeft met zijn handelen bijgedragen aan het op ontoelaatbare en
onevenredige wijze beschadigen van klaagsters belangen, zijnde haar recht op ongestoord
wonen. De raad zal klachtonderdeel c) daarom gegrond verklaren.
5.9 Daarnaast wordt verweerder verweten te hebben gedreigd met het inschakelen
van de politie om toegang tot de woning af te dwingen. De raad constateert dat verweerder
op 30 oktober 2023 om 16:41 uur aan de advocaat van klaagster heeft medegedeeld de
politie te hebben gebeld om toegang tot de woning te krijgen en de herstelwerkzaamheden
te verrichten. De raad beschouwt dit onder deze omstandigheden, waarin klaagster uitdrukkelijk
heeft verklaard dat haar privévertrekken niet betreden mochten worden, als een dreigement.
Hoewel niet is gebleken dat verweerder de politie inderdaad heeft gebeld, is het uiten
van dit dreigement op zichzelf al in strijd met de kernwaarde integriteit. Klachtonderdeel
d) is daarom gegrond.
Conclusie
5.10 De raad zal klaagster niet-ontvankelijk verklaren in klachtonderdeel b).
Klachtonderdeel a) is ongegrond. Klachtonderdelen c) en d) zijn gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft in strijd gehandeld met de kernwaarde onafhankelijkheid
voor onvoldoende afstand te bewaken tot zijn cliënte en de kernwaarde integriteit
door de dreigen met het inschakelen van de politie om, tegen klaagsters wens in, toegang
te krijgen tot haar privévertrekken. Daarbij heeft verweerder ook zijn advocaat-stagiaire
in de situatie gebracht waarin zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hoewel
de advocaat-stagiaire daarin ook een eigen verantwoordelijkheid heeft, rekent de raad
dit verweerder zwaar aan. Als patroon dient hij in het bijzonder aandacht te schenken
aan de ontwikkeling van de stagiaire, waaronder (juist) het naleven van de kernwaarden
voor de advocatuur. Daarin is verweerder verwijtbaar tekortgeschoten. De raad weegt
ook mee dat verweerder nauwelijks inzicht heeft getoond in de ernst van zijn handelen.
Verweerder heeft slechts uitgesproken er spijt van te hebben dat hij zijn stagiaire
in deze situatie heeft gebracht, maar heeft geen woord gerept over klaagsters belangen,
waaronder het recht op ongestoord woongenot, die hij heeft helpen schaden. De raad
zal daarom overgaan tot het opleggen van de maatregel van berisping.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op
grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht
van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar
rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klaagster,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft
binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk
aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel b) niet-ontvankelijk;
- verklaart klachtonderdelen c) en d) ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in overweging 7.4.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. M.G. van den Boogerd en D. Rijpma, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.