ECLI:NL:TADRSGR:2026:255 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-108/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:255 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-10-2026 |
| Datum publicatie: | 26-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-108/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 26 oktober 2026 in de zaak 26-108/DH/DH naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 8 april 2026 op de klacht van:
klager
over:
verweerster
gemachtigde: mr. F.G. Schalker
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 7 september 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 9 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K222 2025
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 8 april 2026 heeft de plaatsvervangend voorzitter van
de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht deels niet-ontvankelijk en deels kennelijk
ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 8 april 2026 verzonden aan partijen.
1.4 Op 10 april 2026 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de
voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op 10 april 2026 ontvangen.
1.5 Klager heeft op 25 augustus 2026 – zakelijk weergegeven – gemotiveerd kenbaar
gemaakt niet aanwezig te kunnen zijn ter zitting van 14 september 2026. Op 31 augustus
2026 heeft hij verzocht voor de zitting een andere datum, niet zijnde een maandag,
te bepalen dan wel de zaak schriftelijk af te doen. Bij bericht van 2 september 2026
heeft klager ingestemd met het schriftelijk afdoen van zijn verzet. Eveneens op 2
september 2026 heeft de gemachtigde van verweerster aan de raad laten weten in te
stemmen met schriftelijke afdoening. De raad heeft partijen vervolgens in de gelegenheid
gesteld hun standpunt desgewenst nog nader schriftelijk toe te lichten, van welke
gelegenheid zij gebruik hebben gemaakt. De zaak is gelet hierop niet ter zitting behandeld.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift. Voorts heeft de raad kennisgenomen van de door klager op
24 april 2026 nagezonden stukken, de pleitnota van klager d.d. 3 september 2026 en
de reactie daarop van/namens verweerster d.d. 7 september 2026.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
- door de voorzitter is een onjuiste maatstaf toegepast;
- de klacht is onjuist gekwalificeerd;
- een zaak met fundamentele rechtsvragen is ten onrechte kennelijk afgedaan.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet
niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een
gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee
hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter
juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. C.J. van Weering en T. Havekes, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 26 oktober 2026.