ECLI:NL:TADRSGR:2026:254 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-883/DH/A/W

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:254
Datum uitspraak: 22-10-2026
Datum publicatie: 22-10-2026
Zaaknummer(s): 26-883/DH/A/W
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Wraking
Beslissingen: Wraking
Inhoudsindicatie: Wrakingsbeslissing. De gemachtigde van klagers en de tuchtrechter delen een nevenfunctie. De enkele gezamenlijke deelname aan een professionele werkgroep is onvoldoende voor het oordeel dat zich omstandigheden voordoen waardoor de rechtelijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij is onder meer relevant dat de tuchtrechter de nevenfunctie niet met verzoekers zelf deelt, maar met de gemachtigde. Kennelijk ongegrond.

Beslissing van de Wrakingskamer van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag als plaatsvervanger van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 22 oktober 2026 in de zaak 26-883/DH/A/W
naar aanleiding van het verzoek tot wraking van na te noemen tuchtrechters, ingediend door:

[…]
verzoekers
gemachtigden: mr. A.I. Keur en mr. L.H.E. Drenthe


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Bij de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) is een klachtzaak aanhangig onder nummer 26-350/A met verzoekers als klagers. De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 5 oktober 2026 door mrs. W. Aardenburg, voorzitters en mrs. L.C. Dufour en P.F.P. Nabben, leden. Op die zitting hebben verzoekers mr. Nabben (hierna: de tuchtrechter) gewraakt.
1.2    De tuchtrechter heeft niet berust in de wraking. 
1.3    De wrakingskamer van de raad (hierna: de wrakingskamer) heeft bij zijn beslissing kennisgenomen van het proces-verbaal van de zitting van 5 oktober 2026 en het verweer van de tuchtrechter van 15 oktober 2026, dat op 19 oktober 2026 aan verzoekers is toegezonden.

2    GRONDEN VAN HET WRAKINGSVERZOEK
2.1    In het proces-verbaal van de zitting van 5 oktober 2026 is opgenomen dat om wraking van de tuchtrechter is verzocht vanwege de schijn van vooringenomenheid door een gedeelde nevenfunctie (lid van een wetgevingscommissie). Mr. Keur heeft ter zitting toegelicht dat het haar niet wenselijk voorkomt dat een advocaat-lid een nevenfunctie met haar deelt. 
 
3    VERWEER
3.1    De tuchtrechter heeft gesteld dat hij en mr. Keur beiden lid zijn van de wetgevingscommissie burgerlijk procesrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten. De benoeming van de tuchtrechter als lid van deze commissie is ingegaan op 17 november 2025. Nadien heeft hij éénmaal de leden van de commissie ontmoet. Mr. Keur was daarbij niet aanwezig. Andere bijeenkomsten van de commissie zijn er niet geweest. Er zijn sinds november 2025 in de commissie enkele e-mailberichten gewisseld. Voor zover de tuchtrechter zich kan herinneren heeft hij mr. Keur nooit eerder ontmoet of gesproken. De tuchtrechter kent mr. Keur ook anderszins niet. De tuchtrechter meent dat dit onvoldoende is voor de schijn van partijdigheid. 

4    BEOORDELING
Toetsingskader
4.1    Op grond van artikel 47 Advocatenwet en artikel 512 Wetboek van Strafvordering is wraking van een tuchtrechter mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de (tucht)rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 
4.2    Van dergelijke feiten en omstandigheden kan sprake zijn door de subjectieve instelling van de tuchtrechter ten opzichte van een partij of van het voorliggend geschil. Wraking is verder mogelijk als feiten en omstandigheden betreffende de persoon van de tuchtrechter, los van diens subjectieve instelling, een partij in objectieve zin grond geven te vrezen dat de tuchtrechter niet onpartijdig is. Bij dat laatste is ook van belang dat de schijn van partijdigheid wordt vermeden. Elke tuchtrechter wordt uit hoofde van zijn aanstelling vermoed onpartijdig te zijn. Dit is alleen anders als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de tuchtrechter in kwestie vooringenomen is tegen verzoekers, althans dat de vrees daarvoor bij verzoekers objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer zal onderzoeken of dergelijke feiten en omstandigheden door verzoekers zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden.
Beoordeling
4.3    Verzoekers hebben de tuchtrechter gewraakt vanwege de schijn van vooringenomenheid door een gedeelde nevenfunctie met één van de gemachtigden van verzoekers. Deze gemachtigde en de tuchtrechter zijn lid van dezelfde wetgevingscommissie. De wrakingskamer is van oordeel dat deze omstandigheid onvoldoende is om te spreken van (de schijn van) vooringenomenheid. De enkele deelname aan een professionele werkgroep door zowel de tuchtrechter als deze gemachtigde is op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (zie ECLI:NL:PHR:2024:858). Daarbij is relevant dat de tuchtrechter de nevenfunctie niet deelt met verzoekers zelf, maar met één van de gemachtigden van de verzoekers. Uit het verweer leidt de wrakingskamer bovendien af dat de tuchtrechter en de gemachtigde elkaar niet kennen en dat er alleen sprake is geweest van e-mailcontact binnen het verband van de wetgevingscommissie. Dit alles biedt geen grond voor gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid van de tuchtrechter ten aanzien van de behandeling van de door verzoekers ingediende klacht. 
4.4    Het wrakingsverzoek bevat verder ook geen feiten of omstandigheden die erop wijzen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de tuchtrechter(s) schade zou kunnen lijden. 
4.5    Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De wrakingskamer zal, gelet op artikel 4 van het Wrakingsprotocol raden van discipline, het verzoek zonder behandeling ter zitting afwijzen.

BESLISSING
De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
- bepaalt dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.
    
Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2026.