ECLI:NL:TADRSGR:2026:250 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-885/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:250
Datum uitspraak: 12-10-2026
Datum publicatie: 20-10-2026
Zaaknummer(s): 25-885/DH/RO
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Verzet ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 19 oktober 2026 in de zaak 25-885/DH/RO naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 25 februari 2026 op de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 17 juni 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 18 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/111 van de deken ontvangen. 
1.3    Bij beslissing van 25 februari 2026 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
1.4    Op 23 maart 2026 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.5    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 7 september 2026. Daarbij was klaagster aanwezig. Verweerder heeft voorafgaand laten weten niet aanwezig te zijn. 
1.6    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van klaagster van 3 augustus 2026.

2    VERZET
2.1    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat zij het niet eens is met het oordeel van de voorzitter. De voorzitter heeft de klachtonderdelen apart behandeld, maar daarmee is miskend dat uit het handelen van verweerder een consistent patroon naar voren komt. De voorzitter heeft op meerdere punt geen juist oordeel gegeven, omdat zij niet beschikte over de relevante feiten. Ook heeft zij haar oordeel niet gemotiveerd of was dit onjuist.
2.2    Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klaagster in verzet niet op.

3    FEITEN EN KLACHT
3.1    Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. 

4    BEOORDELING

4.1    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2    De raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Voor zover klaagster betoogt dat de voorzitter niet over alle feiten beschikte en daarom geen juist oordeel heeft gegeven, geldt dat het op de weg van klaagster lag om deze feiten al in de onderzoeksfase bij de deken naar voren te brengen. Niet gebleken is dat de voorzitter relevante feiten die in het dossier waren opgenomen, niet heeft betrokken bij haar oordeel. Er hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.3    Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren. 

BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. W.R. Arema en M.M. van Wijk, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 19 oktober 2026.