ECLI:NL:TADRSGR:2026:25 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-407/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:25 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-01-2026 |
| Datum publicatie: | 17-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-407/DH/RO |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht deels niet-ontvankelijk vanwege ne bis in idem. Klacht over verklaring die de advocaat het gerechtshof in een artikel 12 Sv procedure heeft afgelegd. De raad kan niet vaststellen dat verweerder (bewust) onjuist heeft verklaard. Van het openbaren van een VSO is geen sprake. Klacht voor het overige ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 26 januari 2026 in de zaak 25-407/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 8 januari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 23 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/061 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 december 2025. Daarbij
waren klager en verweerder aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 12. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de aanvullende stukken van verweerder van 20 oktober 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Op 1 augustus 2020 heeft klager aangifte gedaan tegen de heer L en verweerder
wegens het onttrekken van een goed aan beslag (artikel 198 van het Wetboek van Strafrecht).
Op 17 augustus 2020 heeft de politie aangegeven geen nader onderzoek in te stellen.
Op 20 augustus 2020 heeft klager een verzoek tot heroverweging ingediend bij het Openbaar
Ministerie. Op 6 november 2020 is het heroverwegingsverzoek toegewezen. Op 21 juli
2021 is de strafzaak geseponeerd. Daarop heeft klager een beklag als bedoeld in artikel
12 van de Wetboek van Strafvordering ingediend.
2.3 Bij beslissing van 20 december 2021 (ECLI:NL:TADRSGR:2021:229) heeft de raad
over een klacht van klager tegen verweerder geoordeeld:
“(…) 6.13 Omdat verweerder in maart 2020 van het bestaan van het beslag op de hoogte
was, de voorwaarden voor opheffing kende en met scheepswerf V niet alleen over liggeld,
maar ook over bewaargeld heeft onderhandeld, is het onwaarschijnlijk dat verweerder
het beslag in het kader van die onderhandelingen met scheepswerf V niet aan de orde
heeft gesteld. De raad acht daarom aannemelijk dat verweerder de rechter in Lelystad
niet, althans niet volledig, naar waarheid heeft geïnformeerd. Voor zover verweerder
het beslag werkelijk niet ter sprake heeft gebracht acht de raad dit gelet op de aan
verweerder bekende feiten en omstandigheden onprofessioneel. Verweerder had zich ervan
moeten vergewissen of de beslagkwestie naar behoren was afgerond.
6.14 De raad is van oordeel dat dit alles onbetamelijk is jegens klager en overweegt
daartoe het volgende. Verweerder stelt dat hij pas medio mei op de hoogte raakte van
de eigendomsaanspraak van klager op het jacht. Deze stelling vindt naar het oordeel
van de raad onvoldoende steun in de feiten en omstandigheden die uit het klachtdossier
blijken. Het door K BV gelegde beslag is immers gehandhaafd, ook toen bekend werd
dat K BV geen vordering (meer) had op L en de grondslag van het beslag verviel. Verweerder
wist dit of had dit naar aanleiding van de e-mail van 17 maart 2020 moeten weten.
Zonder andersluidende toelichting op de gang van zaken rondom de handhaving van het
beslag op het jacht, die heeft verweerder niet gegeven, kan de raad niet anders concluderen
dan dat deze is ingegeven door de mogelijkheid dat klager zijn (gestelde) eigendom
van het jacht in relatie tot L zou inroepen. Deze conclusie wordt ook onderschreven
door de omstandigheid dat K BV een vrijwaring van L heeft gevraagd in verband met
het in stand houden van het beslag. Dit alles betekent dat als vaststaand moet worden
aangenomen dat verweerder al voor hij met scheepswerf V in onderhandeling trad en
dus ook op de zitting op 7 juli 2020 op de hoogte was of had moeten zijn van de eigendomsaanspraak
die klager (mogelijk) zou inroepen na opheffing van het beslag op het jacht. Door
kennis van het beslag te ontkennen heeft verweerder bij rechter in Lelystad dit alles
achter gehouden en daarmee heeft hij de belangen van klager geschaad. (…)
6.23 Het is de raad verder in verzet niet gebleken dat verweerder het jacht moedwillig
en met benadeling van de belangen van klager als enkele doel heeft onttrokken aan
een gerechtelijk bewaarder. (…)”
Verweerder heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het Hof van Discipline.
2.4 Op 24 juni 2022 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het artikel 12-beklag
in raadkamer behandeld. Uit het proces-verbaal volgt:
“(…) Beklaagde [verweerder, toevoeging voorzitter] deelt mede:
(…) In die periode zijn verschillende geschillen ontstaan over facturen. Er is een
procedure gevoerd die uiteindelijk is geëindigd in een vaststellingsovereenkomst,
op grond waarvan [L] een geldbedrag aan klager heeft betaald. Tijdens de onderhandelingen
is nooit boven tafel gekomen dat er een claim zou zijn op een boot. Daar is een kort
geding over geweest. Uit de vaststellingsovereenkomst volgt dat partijen schoon schip
hebben willen maken. Op grond van de finale kwijting die overeen is gekomen zou klager
geen recht meer kunnen doen gelden op De Fenna. Tijdens de bodemprocedure, na de comparatie,
heeft klager beklaagde aangesproken. [L] heeft zich toen laten ompraten en een overeenkomst
met klager gesloten. [L] heeft klager € 200.000,- betaald, conform die afspraak. [L]
liet zich in die tijd 24 uur per dag bewaken. Er lag beslag op De Fenna, op de inboedel
van [L] en op een partij kunst die lag opgeslagen in Amsterdam. Door de tijd heen
bleek dat er geen vordering was op [L], maar dat [L] nog ongeveer € 1.000.000,- terug
zou moeten krijgen. Het beslag had dan ook geen grondslag meer want er was geen vordering.
In januari 2020 is bij de ondernemingskamer verzocht de voorzieningen te beëindigen
omdat de bedrijven van [L] waren verkocht en er verder gen dingen meer geregeld hoefden
te worden. Dat is toen beëindigd in mei. [L] werd vervolgens weer bestuurder en daarmee
zowel de beslaglegger als de beslagene. [L] wilde geen kwijting geven omdat een procedure
is gestart vanwege het feit dat [L] al zijn bedrijven voor € 75.000,- heeft verkocht,
terwijl die bedrijven miljoenen aan winst maken. Dat was destijds een goede reden
om geen kwijting te geven voor opheffing van het beslag. Dat is de reden geweest dat
het beslag destijds niet is opgeheven. De positie van klager ten opzichte van De Fenna
kwam pas in beeld op 15 mei 2020, toen klager een brief schreef waarin hij stelde
recht te hebben op levering van De Fenna. Tot 15 mei 2020 wist echter niemand dat
dat recht pretendeerde. Er moet rekening worden gehouden met de positie van klager
ten opzichte van De Fenna. Klager is nooit eigenaar geweest van De Fenna. [L] was
de eigenaar van de boot.
(…)
Beklaagde deelt mede:
Bij e-mailbericht van 17 maart 2020 is medegedeeld dat het beslag kon worden opgeheven
onder de voorwaarde dat [L] hem kwijting gaf. Klager heeft geschreven dat opheffing
van het beslag kwalificeert als leveringshandeling. Ik heb te horen gekregen dat het
beslag niet was opgeheven. Ik heb destijds met de werf onderhandeld over het liggeld.
De werf wilde het schip weg hebben. Het schip lag daar alleen ter opslag en de werf
wilde betaling. Uiteindelijk is de werf betaald. [L] heeft het schip verplaatst om
het te laten repareren.
(…)
De voorzitter vraagt beklaagde of [DV] was aangewezen als bewaarder.
Beklaagde deelt mede:
Dat weet ik niet. Het schip lag daar en daarom moest liggeld worden betaald. Ik
heb daar destijds met ze over gesproken.
(…)
Beklaagde deelt mede:
Ik ben niet strafrechtelijk, maar civielrechtelijk georiënteerd. Ik zie niet wat
het strafrecht met deze zaak te maken heeft. Er was destijds geen vordering meer en
de beslaglegger werd op enig moment dezelfde persoon als de beslagene. Vervolgens
is € 75.000,- betaald als vergoeding voor het werk dat is verricht en is met iedereen
alles afgewikkeld. Klager heeft zelfs nog € 200.000,- ontvangen. Ik vind dat niet
geconcludeerd kan worden dat ik geweten moet hebben van de claim van klager op levering
van het schip. (…)
De advocaat-generaal deelt mede:
Ik sluit me aan bij hetgeen eerder door mijn collega in het schriftelijk verslag
naar voren is gebracht. Het geschil is civielrechtelijk van aard. Dar zou een strafrechtelijk
component aan kunnen worden verbonden, maar gelet op de overeengekomen finale kwijting
en de geringe ernst van het feit, de beperkte inbreuk op rechten en het feit dat schoon
schip lijkt te zijn gemaakt acht ik vervolging niet opportuun. Ik verzoek de klacht
als ongegrond af te wijzen.”
2.5 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het artikel 12-beklag ongegrond verklaard.
2.6 Bij beslissing van 15 september 2023 (ECLI:TAHVD:2023:173) heeft het Hof
van Discipline geoordeeld:
“(…) 5.8 Voor het hof staat vast dat verweerder op 17 maart 2020 wist dat het beslag
op het jacht van zijn client L er toen nog lag. Uit de e-mail van 17 maart 2020 aan
verweerder blijkt immers dat K BV het beslag alleen wilde opheffen als L bevestigt
dat het beslag op diens verzoek heeft voortgeduurd en dat hij, L, K BV en haar bestuurder
ter zake (de opheffing van) het beslag geen enkel verwijt maakt. Van opheffing is
niet gebleken.
5.9 Dat betekent dat verweerder toen hij met de scheepswerf V onderhandelde over
het vrijgeven van het jacht wist van het beslag. In zijn conclusie van antwoord in
het kort geding van 7 juli 2020 spreekt verweerder ook over een aanspraak van de scheepswerf
V op lig- en bewaargelden. Verweerder moet dus ook over bewaargelden hebben onderhandeld
met de scheepswerf. Gelet op deze omstandigheden acht het hof het onwaarschijnlijk
dat verweerder er zich niet van bewust was dat het beslag er nog lag. Ook acht het
hof het onwaarschijnlijk dat het beslag geen “issue” meer was omdat er feitelijk geen
vordering van K BV op L zou zijn en L binnenkort weer bestuurder van K BV zou worden,
zoals verweerder heeft aangevoerd. Uit de e-mail van 17 maart 2020 blijkt immers het
tegendeel. De advocaat van K BV wilde het beslag alleen onder voorwaarden opheffen
en L, de client van verweerder, wilde kennelijk niet tegemoet komen aan die voorwaarden.
Aldus moet worden aangenomen dat het beslag wel een issue was en dat er meer speelde.
Met de raad is het hof ook van oordeel dat verweerder zich ervan had moeten vergewissen
of het aan het beslag ten grondslag liggende dispuut naar behoren was afgerond toen
hij onderhandelde met de scheepswerf. Een goed mag immers niet aan een beslag worden
onttrokken.
5.10 Naar het oordeel van het hof heeft verweerder de rechter in Lelystad op 7 juli
2020 dan ook onjuist, althans niet volledig en daarmee misleidend geïnformeerd door
desgevraagd te antwoorden dat hij niet wist van het beslag, zoals hiervoor onder 5.7
weergegeven. In april 2020 toen verweerder naar eigen zeggen onderhandelde over het
vrij krijgen van het jacht wist hij dat er nog beslag op het jacht lag en had hij
zich moeten realiseren dat het beslag nog een “issue” was en het er kennelijk nog
niet zonder reden lag. Het hof laat hierbij in het midden of verweerder in april 2020
op de hoogte was van de eigendomsaanspraken van klager. Hij was er ieder geval van
op de hoogte tijdens de zitting van 7 juli 2020. Hij had zich, gelet op het standpunt
van klager, moeten realiseren dat zijn kennis over het beslag op het jacht van belang
was voor klager en dat de rechter daarover juist moest worden geïnformeerd, temeer
daar hij ertoe had bijgedragen dat het jacht bij de gerechtelijk bewaarder was weggehaald.
Door de rechter niet juist te informeren over zijn kennis van het beslag op het jacht
(en de kennelijke reden dat het nog niet was opgeheven) heeft hij de belangen van
klager geschaad.”
2.7 Na de beslissing van het Hof van Discipline heeft klager opnieuw een artikel
12-beklag ingediend.
2.8 Op 11 september 2024 heeft de officier van justitie aan het ressortsparket
Arnhem/Leeuwarden geschreven:
“(…) Overwegingen
Klager zou op 8 juni 2017 een koopovereenkomst hebben gesloten met beklaagde [de
heer L, toevoeging raad] met betrekking tot een schip genaamd ‘De Fenna’. Het schip
is toen niet geleverd. Kort daarna is door [K] B.V. beslag gelegd op het schip en
met beklaagde is overeengekomen dat het schip bij het opheffen van het beslag automatisch
zou wisselen van eigenaar. Op 17 maart 2020 werd door de raadsman van beklaagde, [verweerder],
aan klager medegedeeld dat het beslag zou zijn opgeheven. Toen klager zich meldde
bij jachthaven [DV] om het schip op te halen, werd hem verteld dat beklaagde en zijn
raadsman het schip al hadden weggehaald.
Vervolgens zijn er diverse procedures geweest, waarbij ook diverse rechtelijke beslissingen
zijn genomen. Het Hof van Discipline heeft op 15 september 2023 geoordeeld dat op
het moment dat de advocaat van beklaagde onderhandelde met jachthaven [DV] over het
vrijgeven van het schip, hij wel degelijk wist dat er nog beslag op het schip lag.
Nu is gebleken dat het beslag pas op 20 september 2020 is opgeheven en gelet op
de uitspraak van het Hof van Discipline acht ik voldoende wettig en overtuigend bewijs
aanwezig dat beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk onttrekken
van het schip aan beslag als bedoeld in artikel 198 Wetboek van Strafrecht
Derhalve adviseer ik u de klacht gegrond te verklaren. Ik geef u daarbij tevens
in overweging te oordelen over zowel de vervolging van beklaagde als de vervolging
van zijn advocaat, [verweerder]. (…)”
2.9 Op 18 september 2024 heeft de advocaat-generaal aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
geschreven:
“(…) De officier van justitie heeft besloten geen vervolging in te stellen, kennelijk
op grond van prevaleren van civiel recht. In het ambtsbericht komt de officier van
justitie van die opvatting terug; na nader onderzoek wordt vervolging mogelijk en
opportuun geacht. Ik merk op dat de officier van justitie niet expliciet ingaat op
de klacht voor zover die gericht is tegen [verweerder]; ik ga ervan uit dat het in
het ambtsbericht ingenomen standpunt ook geldt voor dat deel van de klacht.
Waar de officier van justitie thans vervolging mogelijk en opportuun acht en kennelijk
haalbaar binnen de bestaande capaciteit, kan ik dat standpunt volgen en adviseer ik
uw hof het beklag gegrond te verklaren.”
2.10 Op 12 december 2024 heeft klager het proces-verbaal van het verhoor van
24 juni 2022 ontvangen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
2.11 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het nieuwe artikel 12-beklag ongegrond
verklaard.
2.12 Op 8 januari 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft het gerechtshof in strijd met de (volledige) waarheid voorgehouden
dat:
1. er een kort geding is geweest;
2. er in de vaststellingsovereenkomst van maart 2020 is overeengekomen dat klager
geen recht meer kon doen gelden op het schip, terwijl het schip geen onderwerp van
de vaststellingsovereenkomst was. Het schip is pas bij een nieuwe vaststellingsovereenkomst
van 8 september 2020 betrokken;
3. er geen kwijting werd gegeven omdat bedrijven voor een schijntje waren verkocht
en daarom het beslag niet was opgeheven, terwijl de reden was dat verweerder had verzocht
om het beslag onrechtmatig in stand te houden;
4. klagers positie pas op 15 mei 2020 in beeld kwam, terwijl de tuchtrechter
heeft vastgesteld dat verweerder al eerder op de hoogte was van klagers positie;
5. klager nooit eigenaar is geweest van het schip, terwijl het schip op 20 september
2020 longa manu is geleverd en van eigenaar is gewisseld;
6. verweerder met de jachthaven enkel zou hebben gehandeld over het liggeld,
dat hij niet wist dat de jachthaven gerechtelijk bewaarder was en dat de jachthaven
het schip weg wilde hebben, terwijl verweerder wist dat er beslag lag op het schip,
heeft onderhandeld over de lig- en bewaargelden en kosten die zagen op de periode
van beslag en zijn cliënt op het schip wilde gaan wonen;
7. verweerder enkel had bemiddeld om een financiële kwestie namens zijn cliënt
af te wikkelen.
b) Verweerder heeft de vaststellingsovereenkomst uit maart 2020 geopenbaard,
terwijl daarop een geheimhoudingsclausule rust;
c) Verweerder heeft het schip onttrokken aan het beslag;
d) Verweerder heeft verzwegen dat het beslag van K B.V. op de kunstcollectie
en het schip van L onrechtmatig in stand werd gehouden met als doel om klagers rechten
als pandhouder te frustreren.
3.2 Klager wijst erop dat verweerder in de eerdere klachtprocedure 21-529/DH/RO
over dit onderwerp zich heeft bediend van leugens, maar dat klager hiertegen niet
in hoger beroep kon. De klacht moet in zoverre worden gezien als een verzoek om herziening.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk
uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in
een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten
zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening
van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende,
dan beoordeelt de tuchtrechter slechts of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur
heeft geschaad.
5.2 In dit geval heeft verweerder gehandeld als potentieel verdachte in een artikel
12 Sv-procedure. Deze procedure hangt echter onafscheidelijk samen met zijn beroep
van advocaat, aangezien het gaat over zijn handelen als advocaat in de kwestie van
L tegen klager. De raad ziet daarin voldoende aanknopingspunten voor een volle toetsing
van het handelen van verweerder. Daarbij zal het volgende toetsingskader worden gehanteerd:
5.3 Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter
bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat
verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven
normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen
of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet
bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid
en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen
te nemen.
Klachtonderdeel a)
5.4 De raad zal achtereenvolgens de verschillende punten (1 tot en met 7) uit
klachtonderdeel a) doorlopen:
5.5 Punt 1: Niet gebleken is dat verweerder het gerechtshof onjuist heeft geïnformeerd
dat er een kort geding heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft verwezen naar twee zaaknummers
van kort gedingen. Dat volgt ook zo uit de beslissingen van de raad en het hof van
discipline die hiervoor zijn aangehaald.
5.6 Punt 2: Uit het proces-verbaal volgt niet dat verweerder heeft gezegd dat
er in de vaststellingsovereenkomst van maart 2020 overeen is gekomen dat klager geen
rechten meer kon doen gelden ten aanzien van De Fenna. Verweerder heeft daarbij namelijk
geen datum genoemd. Kennelijk is dat in september 2020 wel zo afgesproken. De raad
kan gelet daarop niet vaststellen dat verweerder onjuist heeft verklaard.
5.7 Punt 3: De klacht raakt in essentie aan wat klager verweerder al heeft verweten
in de klacht met zaaknummer 25-408/DH/RO. Klager verwijst ook naar de e-mail van 17
maart 2020 van mr. [X] die in de eerdergenoemde klachtzaak centraal stond, waaruit
volgens klager zou volgen dat het beslag op eigen verzoek in stand is gelaten. Volgens
klager heeft verweerder het gerechtshof onterecht voorgehouden dat het beslag niet
werd opgeheven omdat er een algemene vrijwaring werd gevraagd door de beslaglegger
die zijn cliënt niet wenste te verstrekken. Bij beslissing van 27 augustus 2025 (ECLI:NL:TADRSGR:2025:176)
heeft de voorzitter al geoordeeld dat het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar was om
dit standpunt in te nemen. Tegen die beslissing is geen verzet ingesteld, zodat de
beslissing onherroepelijk is geworden. De raad ziet geen aanleiding om tot een ander
oordeel te komen voor zover verweerder dit standpunt heeft herhaald tegenover het
gerechtshof. Klager heeft bovendien ook niet aangetoond dat het beslag daadwerkelijk
op verzoek van verweerder in stand is gelaten terwijl daaraan de rechtsgrond was komen
te ontvallen. De inhoud van de e-mail van 17 maart 2020 van mr. [X] is daarvoor onvoldoende.
5.8 Punt 4: Anders dan klager stelt, heeft de tuchtrechter niet geoordeeld dat
verweerder al vóór 15 mei 2020 bekend was met klagers aanspraak op De Fenna. Hoewel
de raad in de eerdere beslissing die aanname heeft gedaan, was die beslissing op het
moment dat verweerder zijn verklaring aflegde nog niet onherroepelijk en had hij daartegen
hoger beroep ingesteld. De beslissing van de raad is daarna ook op dat punt door het
hof van discipline vernietigd, waarbij is overwogen: “Het hof laat hierbij in het
midden of verweerder in april 2020 op de hoogte was van de eigendomsaanspraken van
klager”. De tuchtrechter heeft dus niet onherroepelijk geoordeeld dat verweerder al
voor mei 2020 bekend was met de eigendomsaanspraken van klager. Dat is ook anderszins
niet gebleken. Van een onjuiste verklaring is niet gebleken.
5.9 Punt 5: Niet gebleken is dat klager daadwerkelijk eigenaar is geworden van
De Fenna. Daarover speelde kennelijk een juridische procedure, die heeft geleid tot
een schikking waarin het schip in eigendom van L is (gebleven). Klager heeft zijn
klacht op dit punt onvoldoende onderbouwd. De raad kan dan ook niet vaststellen dat
verweerder hierover onjuist heeft verklaard.
5.10 Punt 6: De raad kan niet met voldoende zekerheid vaststellen dat verweerder
bewust onjuist heeft verklaard dat hij, twee jaar later, niet wist of De Valk gerechtelijk
bewaarder was. Gelet op het tijdsverloop acht de raad het niet onmogelijk dat verweerder
het op dat moment niet (meer) wist. De raad zal daarbij in het midden laten of verweerder
dit wel had behoren te weten, aangezien dat zijn verklaring dat hij het niet wist
ook niet onjuist zou maken.
5.11 Punt 7: Klager heeft niet gemotiveerd onderbouwd waarom verweerder onjuist
zou hebben verklaard dat hij enkel had bemiddeld om een financiële kwestie namens
zijn cliënt af te wikkelen. Het enkele vermoeden van klager dat het niet slechts een
civiele kwestie was, is daarvoor onvoldoende.
5.12 Gelet op het voorgaande, kan de raad niet vaststellen dat verweerder (bewust)
onjuist heeft verklaard tegenover het gerechtshof. Van een tuchtrechtelijk verwijt
is dan ook geen sprake. Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b)
5.13 Uit het proces-verbaal volgt dat verweerder enkel heeft verklaard dat er
een vaststellingsovereenkomst is gesloten en dat er ‘een bedrag’ door zijn cliënt
aan klager is betaald. De raad acht dit onvoldoende voor het oordeel dat de vaststellingsovereenkomst
is geopenbaard. De precieze inhoud heeft verweerder immers niet kenbaar gemaakt. Klachtonderdeel
b) is ongegrond.
Klachtonderdeel c)
5.14 In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”, dat is
vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan
worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder
al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat,
over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel
op moet kunnen vertrouwen dat dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen
waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.
5.15 Klager heeft in de procedure die heeft geleid tot de beslissing van het
hof van discipline van 15 september 2023 (ECLI:NL:TAHVD:2023:173) in klachtonderdeel
2 al geklaagd over het onttrekken van het beslagen schip aan de gerechtelijk bewaarder.
Daarover kan dus niet opnieuw worden geklaagd. Klachtonderdeel c) is niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel d)
5.16 Zoals onder punt 3 van klachtonderdeel a) al is geoordeeld, is de klacht
onvoldoende onderbouwd op dit punt. Klachtonderdeel d) is ongegrond.
Conclusie
5.17 Klachtonderdelen a), b) en d) zijn ongegrond. Klachtonderdeel c) is met
toepassing van artikel 47b lid 1 van de Advocatenwet niet-ontvankelijk.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdelen a), b) en d) ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel c) niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. M.G. van den Boogerd
en D. Rijpma, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 26 januari 2026.
Griffier Voorzitter